ECLI:NL:TGZRSHE:2025:120 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7302
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2025:120 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 29-10-2025 |
| Datum publicatie: | 29-10-2025 |
| Zaaknummer(s): | H2024/7302 |
| Onderwerp: | Onvoldoende informatie |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Beslissing in raadkamer. Broer en zus van overleden patiënt worden niet geacht de wil van de overledene te vertegenwoordigen in verband met de weergave in het medisch dossier van de wensen van de patiënt en de tegenstrijdige meningen van familieleden van de patiënt. Kennelijk niet-ontvankelijk. De klacht dat de huisarts klagers van ontwikkelingen rond het uitvoeren van sedatie op de hoogte had moeten stellen kennelijk ongegrond. Het informeren van de eerste contactpersoon volstaat. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’s-HERTOGENBOSCH
Beslissing in raadkamer van 29 oktober 2025 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klaagster,
en
[C],
wonende in [B],
klager,
tegen
[D],
huisarts werkzaam in [E],
verweerder, hierna ook: de huisarts,
gemachtigde: mr. S.J. Muntinga, werkzaam in Utrecht.
1. Waar gaat de zaak over?
1.1 Klagers zijn broer en zus van de patiënt die bij de groepspraktijk van de
huisarts was
ingeschreven. De huisarts was in de periode, waarin het nalaten waarover wordt geklaagd
plaatsvond,
in opleiding. De patiënt is in de zomer van 2023 na een opname in het ziekenhuis
terugverwezen naar
de eerste lijn met het verzoek de best ondersteunende zorg voor de laatste levensfase
van de
patiënt te bieden. De huisarts heeft de patiënt begeleid. Klagers verwijten verweerder
niet over te
zijn gegaan tot sedatie op 12 september 2023 en zij verwijten hem dat hij hen niet
daarover heeft
geïnformeerd.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat dat klagers in een klachtonderdeel kennelijk
niet-ontvankelijk zijn en dat het andere klachtonderdeel kennelijk ongegrond is.
‘Kennelijk’
betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk
is dat
klagers niet in het klachtonderdeel kunnen worden ontvangen dan wel dat het klachtonderdeel
niet
gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze beslissing
is gekomen.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift, ontvangen op 14 juni 2024;
- de brief van 18 juli 2024 van de secretaris aan klagers;
- het aanvullende klaagschrift, ontvangen op 2 augustus 2024;
- het verweerschrift, ontvangen op 20 september 2024;
- de bijlagen die vanwege het verzoek ex artikel 67 lid 3 van de Wet op de Beroepen
in de
Individuele Gezondheidszorg (Wet BIG) dat is toegewezen, niet naar klagers zijn
gestuurd;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 8 januari 2025;
- de brief van 3 februari 2025 van de secretaris aan klagers;
- de brief van 10 februari 2025, ontvangen van klagers.
2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 De patiënt was ingeschreven bij de huisartsenpraktijk waar de huisarts destijds
als huisarts
in opleiding aan verbonden was. De patiënt was in de zomer van 2023 in het ziekenhuis
opgenomen.
Eind juli 2023 is hij terugverwezen naar de eerste lijn met het verzoek the best
supportive care
(best ondersteunende zorg) te bieden in de laatste levensfase van de patiënt. Omdat
binnen de
praktijk van de huisarts er naar wordt gestreefd de terminale zorg met zoveel mogelijk
continuïteit
te bieden, is aan de huisarts de taak toebedeeld de regie te voeren.
3.2 Op 7 augustus 2023 heeft de huisarts de patiënt bezocht en heeft hij genoteerd
dat de patiënt
in zijn lot berustte en dat palliatieve sedatie als laatste redmiddel zou kunnen
worden ingezet. In
de week van 14 tot 18 augustus 2023 is de thuiszorg geïntensiveerd. De huisarts
bezocht de patiënt
weer op 23 augustus 2023. Die dag had de patiënt geen klachten.
3.3 Op 25 augustus 2023 heeft klagers zus S. gebeld met de huisartsenpraktijk. Naar
aanleiding
van dit telefoongesprek werd de thuiszorg geïntensiveerd. Binnen de familie bestond
onenigheid en
onrust over de manier waarop de zorg voor de patiënt door hen onderling werd vormgegeven.
Na
overleg met zus S., heeft de huisarts besloten dat voortaan met één familielid gecommuniceerd
zou
worden en dat zus S. deze rol zou vervullen. Zus S. is vervolgens als eerste contactpersoon
in het
dossier genoteerd. Hiervan is ook melding gemaakt in de overdracht voor de huisartsenpost.
Via zus
S. werd de familie gevraagd de communicatie onderling beter te regelen, omdat de
huisarts
onenigheid en onrust binnen de familie waarnam en omdat hij door verschillende familieleden
met
veel (medisch inhoudelijke) vragen werd benaderd.
3.4 Op zaterdag 9 september 2023 is er contact geweest met de huisartsenpost over
de
pijnmedicatie. Dit werd gevolgd door een visite op maandag 11 september 2023. Een
collega huisarts
heeft deze visite afgelegd, omdat de huisarts die dag niet aanwezig was. Klaagster
was bij deze
visite aanwezig. De eerste contactpersoon niet.
3.5 De patiënt had op dat moment ernstige jeukklachten, die een symptoom van zijn
ziekte waren.
Deze klachten waren erg moeilijk te bestrijden. De collega huisarts heeft de situatie
op dat moment
als uitzichtloos beoordeeld en hij heeft met de patiënt de mogelijkheid besproken
de palliatieve
sedatie in gang te zetten. De patiënt stond achter deze optie en wenste dat de sedatie
snel in gang
werd gezet. De collega huisarts sprak met klaagster af dat hij bij terugkomst op
de praktijk
contact op zou nemen met de eerste contactpersoon om zijn bevindingen en zijn advies
door te
spreken. De collega huisarts heeft dit ook gedaan. Hij heeft diezelfde dag telefonisch
contact
gehad met de eerste contactpersoon.
3.6 Na dit telefoongesprek heeft de collega huisarts besloten dat hij de sedatie
die dag niet in
gang zou zetten en heeft hij de huisarts verzocht de volgende dag een visite af
te leggen, de
situatie te beoordelen en het beleid af te stemmen. De huisarts heeft dit bezoek
op 12 september
2023 samen met zijn opleider afgelegd. Naar aanleiding van de medische toestand
van de patiënt,
zoals deze tijdens de visite is waargenomen en waarbij is geconstateerd dat de patiënt
geen jeuk
meer had, is besloten de sedatie niet in gang te zetten. De periode daarop volgend
heeft de
huisarts meerdere visites afgelegd. Het beloop van de ziekte was wisselend. Slechte
dagen werden
afgewisseld door goede dagen.
3.7 Op 29 september 2023 legde verweerder wederom een huisbezoek af. De patiënt
kon niet goed
aangeven wat hij wilde en de huisarts oordeelde dat de pijn nog houdbaar was. Hij
zag geen
aanleiding de palliatieve sedatie te starten. De sedatie is op zaterdag 30 september
2023 door de
dienstdoende huisarts van de huisartsenpost gestart en de zondag daarop volgend
is de patiënt
overleden.
3.8 De patiënt was tot het einde van zijn leven wilsbekwaam, maar gezien het beloop
van zijn
ziekte was hij op en af aanspreekbaar.
4. De klacht en de reactie van de huisarts
4.1 Volgens klagers heeft de huisarts onzorgvuldig/onjuist gehandeld, omdat hij
a. op 12 september 2023 de sedatie bij hun broer niet heeft uitgevoerd;
b. klagers daarover ook niet heeft geïnformeerd.
4.2 De huisarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1 Het college oordeelt dat klagers niet-ontvankelijk zijn in klachtonderdeel
a. Ten aanzien van
klachtonderdeel b oordeelt het college dat klagers wel daarin kunnen worden ontvangen,
maar dat de
huisarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het college zal toelichten
hoe het tot
dit oordeel is gekomen.
Klachtonderdeel a) sedatie niet uitgevoerd op 12 september 2023
5.2 Het klachtonderdeel a betreft een klacht over de zorg die aan de patiënt zou
zijn toegezegd,
maar niet is verleend. Uit artikel 65 lid 1 aanhef en onder a van de Wet op de beroepen
in de
individuele gezondheidszorg, volgt dat een tuchtklacht zoals deze kan worden ingediend
door een
rechtstreeks belanghebbende. Klagers zijn nabestaanden van de patiënt, namelijk
de zus
respectievelijk de broer van de patiënt. Volgens vaste jurisprudentie van het Centraal
Tuchtcollege
voor de gezondheidszorg kan een nabestaande rechtstreeks belanghebbend zijn. Een
nabestaande die
klaagt over de aan de overleden patiënt verleende zorg heeft geen eigen klachtrecht,
maar een
klachtrecht dat is afgeleid van de in het algemeen te veronderstellen of veronderstelde
wil van de
patiënt. Voor het antwoord op de vraag of een specifieke nabestaande rechtstreeks
belanghebbend is,
wordt aansluiting gezocht bij de vertegenwoordigingsregel van artikel 7:465 lid
3 van het
Burgerlijk Wetboek (BW). De eerst aangewezen vertegenwoordiger is een levensgezel.
De patiënt had
geen levensgezel.
5.3 Als een (andere) nabestaande een klacht indient over de aan de patiënt verleende
zorg, wordt
deze nabestaande in beginsel geacht de wil van de overleden patiënt te vertegenwoordigen,
met
uitzondering van het geval dat er sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding
geven
daaraan te twijfelen. (Zie bijvoorbeeld Centraal Tuchtcollege voor de gezondheidszorg
7 maart 2019,
ECLI:NL:TGZCTG:2019:64).
5.4 Het college is van oordeel dat in dit geval sprake is van dergelijke bijzondere
omstandigheden. Deze maken dat het college eraan twijfelt of klagers de wil van
de patiënt
vertegenwoordigen. Voor dit oordeel is het volgende redengevend. In het medisch
dossier is, zoals
het hoort, verslag gedaan over de toestand van de patiënt op 12 september 2023 en
over het op basis
daarvan genomen besluit om niet over te gaan tot palliatieve sedatie. Het medisch
dossier bevat
geen enkel aanknopingspunt om te veronderstellen dat de patiënt het hier niet mee
eens was en/of
dat hij ontevreden hierover was. Dit blijkt niet uit de notities die naar aanleiding
van de visite
op 12 september 2023 zijn gemaakt en ook niet uit de notities over de contacten
die na die datum
hebben plaatsgevonden. Daar komt bij dat voortdurend sprake was van onenigheid en
onrust tussen de
broers en zussen. Zij hadden tegenstrijdige standpunten over de wijze waarop de
zorg voor de
patiënt in zijn laatste levensfase moest worden vormgegeven. In deze situatie heeft
de huisarts zus
S. als eerste contactpersoon aangewezen. Klagers stellen weliswaar dat de patiënt
hiervoor geen
toestemming heeft gegeven, maar dit blijkt niet uit het medisch dossier. Op enig
moment kon zus S. deze rol niet meer vervullen. Toen heeft een andere zus deze rol
overgenomen. Klagers zijn nimmer eerste contactpersoon geweest. Deze feiten en omstandigheden,
in onderlinge samenhang bezien, leiden tot het oordeel dat twijfel bestaat over de
vraag of klagers de wil van de patiënt vertegenwoordigen. Het college voegt hieraan
toe dat niet vastgesteld kan worden dat de wil van de patiënt niet door klagers wordt
vertegenwoordigd, maar wel dat hierover (te veel) twijfel bestaat.
Deze twijfel leidt tot het oordeel dat klagers geen van de wil van de overleden
patiënt afgeleid
klachtrecht hebben en dus niet als klachtgerechtigd worden aangemerkt ten aanzien
van
klachtonderdeel a.
5.5 Het college zal daarom beslissen dat klagers kennelijk niet-ontvankelijk zijn
in dit
klachtonderdeel. Dit betekent dat het college de klacht niet inhoudelijk kan beoordelen.
Klachtonderdeel b) niet informeren over het niet uitvoeren van de sedatie op 12 september
2023
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.6 In het geval het college een klacht(onderdeel) ontvankelijk acht en toekomt
aan een
inhoudelijke beoordeling daarvan, geldt het volgende toetsingskader. De vraag is
of de huisarts de
zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk
bekwame en
redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de
voor de huisarts
geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.
5.7 Klagers zijn wel ontvankelijk in dit klachtonderdeel. Dit klachtonderdeel gaat
namelijk over
de manier waarop de huisarts jegens hen heeft gehandeld. Daarom hebben zij een rechtstreeks
belang
bij een oordeel hierover.
5.8. De huisarts heeft op 12 september 2023 samen met zijn opleider een visite afgelegd
bij de
patiënt. Verweerder en zijn opleider zagen geen aanleiding over te gaan tot sedatie.
Dit is met de
patiënt en de eerste contactpersoon afgestemd. Klagers vinden dat de huisarts hen
ook hierover had
moeten informeren. Bij de huisarts lag echter geen nadere taak de overige familieleden
ook hierover
te informeren. Dit is niet aan de huisarts. Het college oordeelt dat dit klachtonderdeel
kennelijk
ongegrond is.
Slotsom
5.9 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat klagers kennelijk niet-ontvankelijk
zijn in
klachtonderdeel a en dat klachtonderdeel b kennelijk ongegrond is.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart klagers kennelijk niet-ontvankelijk in klachtonderdeel a;
- verklaart klachtonderdeel b kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door N.H.J. Lafghani, voorzitter, E. Jansen en N.B. van
der Maas,
leden-beroepsgenoten, bijgestaan door I.F. Schouwink, secretaris en in het openbaar
uitgesproken op
29 oktober 2025 door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk.