ECLI:NL:TGZRSHE:2025:119 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7304
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2025:119 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 29-10-2025 |
| Datum publicatie: | 29-10-2025 |
| Zaaknummer(s): | H2024/7304 |
| Onderwerp: | Onvoldoende informatie |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Beslissing in raadkamer. Broer en zus van overleden patiënt worden niet geacht de wil van de overledene te vertegenwoordigen in verband met de weergave in het medisch dossier van de wensen van de patiënt en de tegenstrijdige meningen van familieleden van de patiënt.Kennelijk niet-ontvankelijk. De klacht dat de huisarts klagers van ontwikkelingen rond het uitvoeren van sedatie op de hoogte had moeten stellen kennelijk ongegrond. Het informeren van de eerste contactpersoon volstaat. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’s-HERTOGENBOSCH
Beslissing in raadkamer van 29 oktober 2025 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klaagster,
en
[C],
wonende in [B],
klager,
tegen
[D],
huisarts
werkzaam in [E],
verweerder, hierna ook: de huisarts,
gemachtigde: mr. S.J. Muntinga, werkzaam in Utrecht.
1. Waar gaat de zaak over?
1.1 Klagers zijn broer en zus van de patiënt die bij de groepspraktijk van de
huisarts stond
ingeschreven. De huisarts heeft de patiënt in de terminale fase van diens ziekte
eenmaal bezocht en
hij heeft toen medegedeeld dat hij van oordeel was dat palliatieve sedatie kon worden
ingezet. De
klacht houdt in de sedatie ondanks deze toezegging niet is uitgevoerd en dat klagers
daarover door
de huisarts niet zijn geïnformeerd. Ook wordt geklaagd over het niet doen van aangifte
door de
huisarts van bedreiging en over het niet berichten aan klagers over de later wel
uitgevoerde
sedatie.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat klagers deels kennelijk niet-ontvankelijk
zijn in hun
klacht en dat de klacht deels kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het
niet nodig is om
nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet- ontvankelijk
is dan
wel niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot
deze beslissing is
gekomen.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift, ontvangen op 14 juni 2024;
- de brief van 18 juli 2024 van de secretaris aan klagers;
- het aanvullende klaagschrift, ontvangen op 2 augustus 2024;
- het verweerschrift, ontvangen op 20 september 2024;
- de bijlagen die vanwege het verzoek ex artikel 67 lid 3 van de Wet op de Beroepen
in de Individuele Gezondheidszorg
(Wet BIG) dat is toegewezen, niet naar klagers zijn gestuurd;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 8 januari 2025;
- de brief van 3 februari 2025 van de secretaris aan klagers;
- de brief van 10 februari 2025, ontvangen van klagers.
2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 De huisarts is werkzaam in een groepspraktijk, samen met een andere praktijkhoudend
huisarts
en een (destijds) huisarts in opleiding. De patiënt was ingeschreven bij de praktijk.
In de
praktijk geldt de afspraak dat met name in een terminale fase continuïteit van zorg
wordt
nagestreefd door één huisarts de regie te laten voeren.
3.2 Eind juli 2023 is de patiënt door het ziekenhuis terugverwezen naar de eerste
lijn om the
best supportive care (de best ondersteunende zorg) te leveren in zijn laatste levensfase.
Op 2
augustus 2023 heeft de huisarts telefonisch overleg gevoerd met de patiënt over
diens
pijnmedicatie.
3.3 Op 7 augustus 2023 heeft een collega van de huisarts, destijds huisarts in opleiding
in de
praktijk, de patiënt bezocht om de begeleiding vorm te geven. Deze collega heeft
het traject op
zich genomen en de patiënt verder begeleid. Op 7 augustus 2023 is in het medisch
dossier genoteerd
dat de patiënt geen euthanasie wilde en dat hij palliatieve sedatie als laatste
redmiddel zag.
3.4 Op 14 augustus 2023 is in het medisch dossier vermeld dat een zus van klager
en de patiënt
(zus S.), contact heeft opgenomen met de praktijk en dat naar aanleiding van dat
contact de
betrokkenheid van de thuiszorgverlener is geïntensiveerd.
3.5 Op 25 augustus 2023 heeft deze zus S. wederom contact opgenomen met praktijk
en gesproken met
de huisarts in opleiding en is voor 29 augustus 2023 een visite door de huisarts
in opleiding
afgesproken. In de overdracht aan de huisartsenpost heeft de huisarts in opleiding
vermeld dat zus
S. de eerste contactpersoon was. In de dagen daarna meldden zich verschillende familieleden
bij de praktijk voor overleg. Na overleg met zus S. heeft de huisarts in opleiding
besloten dat voortaan met één familielid gecommuniceerd zou worden en dat zus S. deze
rol van eerste contactpersoon zou vervullen. Via zus S. werd de familie gevraagd de
communicatie onderling beter te regelen, omdat de huisarts in opleiding onenigheid
en onrust binnen
de familie waarnam en omdat hij door verschillende familieleden met veel (medisch
inhoudelijke)
vragen werd benaderd.
3.6 Op zaterdag 9 september 2023 is er contact geweest met de huisartsenpost over
de
pijnmedicatie. Dit werd gevolgd door een visite op maandag 11 september 2023. De
huisarts heeft
deze visite afgelegd, omdat de huisarts in opleiding die dag niet aanwezig was.
Klaagster was bij
deze visite aanwezig. De eerste contactpersoon niet.
3.7 De patiënt had op dat moment ernstige jeukklachten, die een symptoom van zijn
ziekte waren.
Deze klachten waren erg moeilijk te bestrijden. De huisarts heeft de situatie op
dat moment als
uitzichtloos beoordeeld en hij heeft met de patiënt de mogelijkheid besproken de
palliatieve
sedatie in gang te zetten. De patiënt stond achter deze optie en wenste dat de sedatie
snel in gang
werd gezet. De huisarts sprak met klaagster af dat hij bij terugkomst op de praktijk
contact op zou
nemen met de eerste contactpersoon om zijn bevindingen en zijn advies door te spreken.
De huisarts
heeft dit ook gedaan. Hij heeft diezelfde dag telefonisch contact gehad met de eerste
contactpersoon.
3.8 Na dit telefoongesprek heeft de huisarts besloten de palliatieve sedatie toch
niet op te
starten en heeft hij de huisarts in opleiding verzocht de volgende dag een visite
af te leggen, de
situatie opnieuw te beoordelen en het beleid af te stemmen.
3.9 Daarna heeft de huisarts nog eenmaal contact gehad met de thuiszorgverlener
en is hij als
dienstdoende visitearts op 25 september 2023 bij de begeleiding van de patiënt betrokken
geweest.
3.10 De patiënt was tot het einde van zijn leven wilsbekwaam, maar gezien het beloop
van zijn
ziekte was hij op en af aanspreekbaar.
4. De klacht en de reactie van de huisarts
4.1 Klagers verwijten de huisarts dat hij:
a) de sedatie op 11 september 2023 niet heeft uitgevoerd;
b) geen aangifte heeft gedaan van bedreiging die de eerste contactpersoon aan
de huisarts heeft geuit;
c) klagers niet op de hoogte heeft gesteld van de sedatie die op 29 september
2023 in gang is gezet.
4.2 De huisarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
Klachtonderdeel a – niet uitvoeren van de sedatie op 11 september 2023
Ontvankelijkheid
5.1 Het klachtonderdeel a betreft een klacht over de zorg die aan de patiënt zou
zijn toegezegd,
maar niet is verleend. Uit artikel 65 lid 1 aanhef en onder a van de Wet op de beroepen
in de
individuele gezondheidszorg, volgt dat een tuchtklacht zoals deze kan worden ingediend
door een
rechtstreeks belanghebbende. Klagers zijn nabestaanden van de patiënt, namelijk
de zus
respectievelijk de broer van de patiënt. Volgens vaste jurisprudentie van het Centraal
Tuchtcollege
voor de gezondheidszorg kan een nabestaande rechtstreeks belanghebbend zijn. Een
nabestaande die
klaagt over de aan de overleden patiënt verleende zorg heeft geen eigen klachtrecht,
maar een
klachtrecht dat is afgeleid van de in het algemeen te veronderstellen of veronderstelde
wil van de
patiënt. Voor het antwoord op de vraag of een specifieke nabestaande rechtstreeks
belanghebbend is
wordt aansluiting gezocht bij de vertegenwoordigingsregel van artikel 7:465 lid
3 van het
Burgerlijk Wetboek (BW). De eerst aangewezen vertegenwoordiger is een levensgezel.
De patiënt had
geen levensgezel.
5.2 Als een (andere) nabestaande een klacht indient over de aan de overleden patiënt
verleende
zorg, wordt deze nabestaande in beginsel geacht de wil van de overleden patiënt
te
vertegenwoordigen, met uitzondering van bijzondere omstandigheden die aanleiding
geven daaraan te
twijfelen. (Zie bijvoorbeeld Centraal Tuchtcollege voor de gezondheidszorg 7 maart
2019,
ECLI:NL:TGZCTG:2019:64).
5.3 Het college is van oordeel dat in dit geval sprake is van die bijzondere omstandigheden.
Deze
maken dat het college eraan twijfelt of klagers de wil van de patiënt vertegenwoordigen.
Voor dit
oordeel is het volgende redengevend. In het medisch dossier is, zoals het hoort,
verslag gedaan
over de toestand van de patiënt op 11 september 2023, het op basis daarvan genomen
besluit om de
palliatieve sedatie in gang te zetten, over de inhoud van het telefoongesprek dat
daarna met de
eerste contactpersoon heeft plaatsgevonden én over het op basis daarvan genomen
besluit om die dag
toch niet over te gaan tot palliatieve sedatie. Het medisch dossier bevat geen enkel
aanknopingspunt om te veronderstellen dat de patiënt het niet ermee eens was en/of
dat hij
ontevreden was over het feit dat de palliatieve sedatie op 11 september 2023 toch
niet in gang is
gezet. Dit blijkt niet uit de notities die naar aanleiding van de visite op 12 september
2023 zijn
gemaakt en ook niet uit de notities over de contacten die na die datum hebben plaatsgevonden.
Dat
de patiënt meermaals heeft “gevraagd om een spuit”, zoals klagers stellen, blijkt
niet uit het
medisch dossier. Het college kan dan ook niet vaststellen dat die vraag aan de huisarts
is gesteld
dan wel dat hij met die vraag bekend was. Daar komt bij dat voortdurend sprake was
van onenigheid
en onrust tussen de broers en zussen. Zij hadden tegenstrijdige standpunten over
de wijze waarop de
zorg voor de patiënt in zijn laatste levensfase moest worden vormgegeven. In deze
situatie heeft de
collega van de huisarts zus S. als eerste contactpersoon aangewezen. Klagers stellen
weliswaar dat
de patiënt hiervoor geen toestemming heeft gegeven, maar dit blijkt niet uit het
medisch dossier. Op enig moment kon zus S. deze rol niet meer vervullen. Toen heeft
een andere zus deze rol overgenomen. Klagers zijn nimmer
eerste contactpersoon geweest. Deze feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang
bezien,
leiden tot het oordeel dat twijfel bestaat over de vraag of klagers de wil van de
patiënt
vertegenwoordigen. Het college voegt hieraan toe dat niet vastgesteld kan worden
dat de wil van de
patiënt niet door klagers wordt vertegenwoordigd, maar wel dat hierover (te veel)
twijfel bestaat.
Deze twijfel leidt tot het oordeel dat klagers geen van de wil van de overleden
patiënt afgeleid
klachtrecht hebben en dus niet als klachtgerechtigd worden aangemerkt ten aanzien
van
klachtonderdeel a.
5.4 Het college zal daarom beslissen dat klagers kennelijk niet-ontvankelijk zijn
in dit
klachtonderdeel. Dit betekent dat het college de klacht niet inhoudelijk kan beoordelen.
Klachtonderdeel b – geen aangifte doen van bedreigingen
5.5 Dit klachtonderdeel heeft geen betrekking op het handelen of nalaten in strijd
met de zorg
die de huisarts had moeten verlenen aan de patiënt of diens naasten. Ook heeft de
klacht geen
betrekking op handelen of nalaten dat de algemene kwaliteit van de gezondheidszorg
schaadt. Het
college kan alleen klachten in behandeling nemen die gaan
over handelen of nalaten dat binnen een van deze “toetsnormen” valt. Aangezien dit
klachtonderdeel niet hieronder valt, zullen klagers hierin niet-ontvankelijk worden
verklaard.
5.6 Het college oordeelt dat dit klachtonderdeel kennelijk niet-ontvankelijk is.
Klachtonderdeel c – klagers niet op de hoogte gesteld van de sedatie op 29 september
2023
5.7 Klagers zijn wel ontvankelijk in dit klachtonderdeel. Dit klachtonderdeel
gaat namelijk over
de manier waarop de huisarts jegens hen heeft gehandeld. Daarom hebben zij een rechtstreeks
belang
bij een oordeel hierover.
5.8 Voor dit klachtonderdeel geldt als norm de vraag of de huisarts de zorg heeft
verleend die
van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk
handelende
huisarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de huisarts geldende
beroepsnormen
en andere professionele standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners
alleen
tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.
5.9 In overleg met de patiënt is zus S. door de collega van de huisarts aangewezen
als eerste
contactpersoon. In de week van 26 september 2023 is besloten om zus C. in plaats
van zus S. als
eerste contactpersoon aan te stellen, omdat zus S. vanwege werkverplichtingen niet
langer
beschikbaar was. De sedatie is uiteindelijk op 29 september 2023, in een weekend,
door een
dienstdoende huisarts van de huisartsenpost in gang gezet. Het tuchtcollege oordeelt
dat er in deze
situatie geen taak was weggelegd voor de huisarts, die niet de regie voerde over
en niet betrokken
was bij de laatste levensfase van de patiënt noch bij het besluit om de palliatieve
sedatie in gang te zetten, om klagers van de sedatie op de hoogte te brengen. Dit
klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
Slotsom
5.10 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat klagers kennelijk niet-ontvankelijk
zijn in
klachtonderdelen a en b en dat klachtonderdeel c kennelijk ongegrond is.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart klagers kennelijk niet-ontvankelijk in klachtonderdelen a en b;
- verklaart klachtonderdeel c kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door N.H.J. Lafghani, voorzitter, E. Jansen en N.B. van
der Maas,
leden-beroepsgenoten, bijgestaan door I.F. Schouwink, secretaris en in het openbaar
uitgesproken op
29 oktober 2025 door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk.