ECLI:NL:TGZRSHE:2025:118 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7649
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2025:118 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 29-10-2025 |
| Datum publicatie: | 29-10-2025 |
| Zaaknummer(s): | H2024/7649 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | De patiënte van de huisarts is overleden aan een massale longbloeding bij een snel groeiende longtumor. De maanden hieraan voorafgaand is zij meermaals in verband met onder andere benauwdheid en hoestklachten gezien door de huisarts. Hij heeft de NHG-richtlijn Acuut Hoesten goed gevolgd, een longfoto gemaakt - waarop niets was te zien - en klaagster doorverwezen naar de longarts. Onheuse bejegening door de huisarts kan niet worden vastgesteld bij verschillende lezing van de feiten. De huisarts heeft terecht - conform de geldende wetgeving - maar een beperkt deel van het dossier aan klager, weduwnaar van de patiënte, ter hand gesteld. Van een meldingsplicht van een calamiteit was geen sprake, omdat geen sprake was van een tekortkoming in de zorg. Klachten ongegrond. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’S-HERTOGENBOSCH
Beslissing van 29 oktober 2025 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klager,
tegen
[C],
huisarts,
werkzaam in [B],
verweerder, hierna ook: de huisarts,
gemachtigde: mr. I. W. Hanemaaijer, werkzaam in Utrecht.
1. De zaak in het kort
1.1 De echtgenote van klager is op [..] overleden. In de maanden voor haar overlijden
had zij
enkele consulten bij de huisarts. Klager verwijt de huisarts - kort gezegd - dat
hij haar niet
zorgvuldig heeft onderzocht, haar klachten niet serieus heeft genomen en hij klager
geen inzage
heeft verleend in het gehele medische dossier van wijlen zijn echtgenote.
1.2 De huisarts betreurt ten zeerste dat de echtgenote van klager is overleden.
Ten aanzien van
de klachten is de huisarts van mening dat hem geen tuchtrechtelijke verwijten te
maken zijn.
1.3 Het college komt tot het oordeel dat de huisarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft
gehandeld. Het college zal eerst het verloop van de procedure weergeven en de feiten.
Daarna licht
het college toe hoe het college tot het oordeel is gekomen.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift, ontvangen op 23 september 2024;
- het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 19 december 2024;
- het medisch dossier (het volledig medisch dossier waarbij het beroep op artikel
67 lid 3 Wet op
de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) is toegewezen;
- het e-mailbericht van 7 januari 2025 van de waarnemer van de gemachtigde van
de huisarts, als
reactie op de beide e-mailberichten van 10 januari 2025 van de secretaris;
- het proces-verbaal van het op 19 februari 2025 gehouden mondelinge vooronderzoek.
2.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 5 september 2025. De partijen
zijn
verschenen. De huisarts werd bijgestaan door zijn gemachtigde. De partijen en de
gemachtigde van de
huisarts hebben hun standpunten mondeling toegelicht.
3. De feiten
3.1 De huisarts is sinds eind december 2021 werkzaam bij de huisartsenpraktijk.
Sinds juli 2022
heeft de huisarts de praktijk samen met een andere huisarts overgenomen. De huisartsenpraktijk
is
een teampraktijk. Dat houdt in dat patiënten geen vaste huisarts hebben, maar dat
een team van
huisartsen, verpleegkundigen en assistenten beschikbaar is.
3.2 De echtgenote van klager (hierna: de patiënte) was patiënte bij deze huisartsenpraktijk.
De
patiënte was sinds februari 2022 bekend met recidiverende TIA’s. De patiënte was
ook bekend met een
te hoog cholesterol.
3.3 In februari 2022 werd de patiënte door de huisartsenpraktijk verwezen naar de
neuroloog.
Laatstgenoemde verwees de patiënte op 5 april 2022 door naar de cardioloog. De cardioloog
noteerde
onder meer dat het gewicht van de patiënte gemeten op
24 februari 2022 82,3 kg was. Daarnaast werd de patiënte vanaf maart 2022 regelmatig
begeleid door
de praktijkondersteuner huisartsen voor de geestelijke gezondheidszorg (hierna:
POH-GGZ).
3.4 De huisarts zag de patiënte voor de eerste keer tijdens een consult op 2 mei
2022. De
patiënte had in februari 2022 een TIA gehad en vertelde dat ze nog veel klachten
had. Er was sprake
van vermoeidheid, een dik en rood hoofd bij vooroverbuigen en sufheid, geduid als
gevolg van
medicatie die de neuroloog had voorgeschreven vanwege de hoofdpijn. Ook was sprake
van klachten aan
een voet.
3.5 De huisarts heeft tijdens het consult naar de longen geluisterd, het halsgebied
palpatoir
onderzocht en oriënterend neurologisch onderzoek verricht. Er werden geen palpabele
afwijkingen
vastgesteld en er was sprake van normaal ademgeruis. Voor de hoofdpijnklachten dacht
de huisarts
aan spierspanningshoofdpijn en adviseerde hij om contact op te nemen met de fysiotherapeut
en de
neuroloog. De huisarts adviseerde de patiënte om op consult te komen op het moment
dat sprake was
van een gezwollen gezicht en/of dikke ogen. De huisarts noteerde onder meer in het
medisch dossier
dat de patiënte gepland aan het afvallen was. Voor de hoestklachten werd voorgesteld
om een
longfoto te laten maken.
3.6 Op 9 mei 2022 is een longfoto gemaakt in het ziekenhuis.
3.7 Naar aanleiding van een consult op 10 mei 2022 met de POH-GGZ vond tussen de
praktijkondersteuner en de huisarts overleg plaats. De patiënte had tegen de praktijkondersteuner
gezegd dat zij zich tijdens het consult op 2 mei 2022 niet gehoord voelde. De huisarts
heeft daarop
een dubbel consult laten inplannen en aan de patiënte laten weten ook een bloedonderzoek
te willen laten verrichten. De POH-GGZ heeft een en ander met de patiënte gecommuniceerd.
3.8 Op 25 mei 2022 vond het dubbele consult plaats. De huisarts heeft met de patiënte
de
labuitslagen en de longfoto besproken. Er werden geen bijzonderheden geconstateerd
noch afwijkingen
aangetroffen op de foto. Omdat de patiënte tijdens het consult vertelde dat zij
nog steeds erg
hoestte en last had van slaapproblemen, zijn deze problemen met de patiënte besproken.
Afgesproken
werd om een longfunctieonderzoek te laten verrichten. Daarnaast werd puffer met
salbutamol
voorgeschreven.
3.9. Op 13 juni 2022 vond het longfunctieonderzoek plaats bij de praktijkondersteuner.
Er werd op
dat moment een gewicht genoteerd van 71 kg. Uit het longfunctieonderzoek kwam een
afwijkende
longfunctie naar voren, passend bij COPD. Doordat de klachten in korte tijd waren
ontstaan,
twijfelde de huisarts aan die diagnose. De huisarts heeft de patiënte daarom op
14 juni 2022
doorverwezen naar de longarts. De huisarts schreef in de verwijsbrief:
“graag uw beoordeling ivm op paar procent na restrictief longbeeld bij relatief
jonge vrouw die wel
rookt. volgens haarzelf is de klacht na amitriptiline begonnen van de neuroloog
enkele maanden
geleden wat ook gestopt is ivm bijwerkingen maar niet bijtrekt. Een vreemd interstitieel
beeld? op
reguliere x-thorax gb, toch gewoon forse COPD bij rookster?”. Bij de longarts kon
de patiënte begin
augustus 2022 terecht.
3.10 Op 22 juni 2022 heeft de POH-GGZ met de patiënte gesproken. De patiënte gaf
aan dat er nog
onderzoeken werden uitgevoerd en dat zij zich gerustgesteld voelde. Zij voelde zich
ook iets beter.
3.11 Op 6 juli 2022 kwam de patiënte weer op consult bij de huisarts. De patiënte
voelde zich ziek
en had last van hoofdpijn en hoestklachten. Er was geen sprake van koorts. De huisarts
dacht aan
een longaanval (exacerbatie). Door de huisarts werd prednison, een langwerkende
puffer en een
antibioticakuur voorgeschreven. Hij sprak met patiënte af om na een week terug te
komen. De
huisarts gaf de patiënte uitleg over alarmsignalen (zoals koorts en ernstige kortademigheid),
waarmee zij eerder aan de bel zou moeten trekken.
3.12 Op 11 juli 2022 vond het controleconsult plaats. De patiënte zei dat het een
stuk beter met
haar ging qua lucht. Geadviseerd werd om de antibioticakuur af te maken en de puffer
met salbutamol
te blijven gebruiken tot de afspraak met de longarts.
3.13 De patiënte werd op 25 juli 2022 opgenomen in het ziekenhuis, onder andere vanwege
het hevig
ophoesten van bloed. Op 27 juli 2022 ontving de huisarts hiervan bericht. Er bleek
sprake te zijn
van een longtumor die was gaan bloeden. De tumor was niet te zien op de eerdere
longfoto maar wel
op de CT-scan die die dag was gemaakt.
3.14. De patiënte is op [..] overleden. Zij is overleden aan een massale longbloeding
bij snel
groeiende longtumor met betrokkenheid van de arteria pulmonalis en de rechter hoofdbronchus
en
obstructie van de vena cava superior waardoor een vena cava superior syndroom is
ontstaan.
3.15 De huisarts heeft vanaf [..] een aantal keren geprobeerd in contact te komen
met de familie
van de patiënte, waaronder klager.
3.16. Op 11 augustus 2022 ontving de huisarts het verzoek van klager om inzage
in het medisch
dossier van de patiënte. Dit verzoek werd geduid als een verzoek op grond van een
zwaarwegend
belang. Daarom is de medische informatie die betrekking had op de hoestklachten,
met klager
gedeeld.
3.17 Klager heeft daarop verzocht om inzage in het volledige medisch dossier van
een jaar
voorafgaand aan het overlijden van de patiënte. Dit verzoek is op grond van het
medisch
beroepsgeheim afgewezen.
4. De klacht en de reactie van de huisarts
4.1 Klager verwijt de huisarts, dat hij:
1. de klachten van wijlen zijn echtgenote onzorgvuldig heeft onderzocht. Verweerder
had een
MRI-foto moeten laten maken en had haar eerder moeten doorverwijzen naar een
specialist, longarts;
2. niet afdoende heeft gereageerd op de TIA’s van patiënte;
3. patiënte autoritair heeft bejegend, door niet naar haar te luisteren en haar
klachten niet serieus te nemen;
4. geen melding heeft gedaan bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, (hierna:
IGJ) vanwege vroegtijdig
overlijden;
5. geen inzage heeft verleend aan klager in het gehele medische dossier van wijlen
patiënte.
4.2 De huisarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
5.1 Het college stelt voorop dat het overlijden van de patiënte zeer verdrietig
is. Dat de impact
hiervan groot is voor klager en zijn zoon, staat buiten kijf. Zonder hieraan afbreuk
te willen
doen, moet het college op een zakelijke manier beoordelen of de huisarts binnen
de grenzen van een
redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven.
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.2 De vraag is of de huisarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling
wordt rekening
gehouden met de voor de huisarts geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen. Achteraf verkregen kennis
en wetenschap, evenals het verdere beloop dat in deze zaak zonder meer tragisch is geweest,
moet buiten beschouwing worden gelaten, omdat de huisarts die wetenschap op het moment
van zijn handelen ook niet had. Verder is van belang dat de huisarts alleen tuchtrechtelijk
verantwoordelijk is voor zijn eigen handelen.
Klachtonderdeel 1: verweerder heeft de klachten van patiënte onzorgvuldig onderzocht,
hij had een
MRI moeten laten maken en patiënte eerder moeten doorverwijzen naar een specialist
(longarts)
5.3 Klager verwijt de huisarts dat de patiënte in de maanden voor haar overlijden
meermalen met
ernstige klachten (benauwdheid, extreem opgezwollen gezicht in de ochtenden, niet
kunnen bukken,
etcetera) bij de huisarts is geweest en dat zij steeds werd weggestuurd met “het
zit tussen uw
oren”, een puffertje, of de diagnose COPD, corona of kaakontsteking. De patiënte
had gemeld dat zij
veel was afgevallen in korte tijd en ook was bekend dat de patiënte meerdere TIA’s
had gehad.
Ondanks dit alles heeft de huisarts alleen een röntgenfoto laten maken, waar een
MRI had moeten
worden gemaakt. Bij een MRI zou de tumor wel aan het licht zijn gekomen en had de
patiënte naar de
juiste medisch specialist kunnen worden verwezen. Dan had een passende behandeling
kunnen
plaatsvinden en was haar en haar nabestaanden een mensonterend afscheid bespaard
gebleven.
5.4 De huisarts heeft in reactie op dit klachtonderdeel het volgende aangevoerd.
De huisarts zag
de patiënte voor het eerst op 2 mei 2022. Zij had zich bij de assistente gemeld
met veel klachten
na de TIA in februari 2022: vermoeidheid, een dik en rood hoofd bij vooroverbuigen,
sufheid als
gevolg van de door de neuroloog voorgeschreven amitriptyline en reeds met de neuroloog
besproken
klachten aan een voet. Tijdens het consult bij de huisarts kwamen vooral hoofdpijnklachten
en
hoestklachten naar voren. De huisarts heeft toen de longen beluisterd en hoorde
normaal ademgeruis.
Hij onderzocht het halsgebied palpatoir en vond geen palpabele afwijkingen. Hij
deed oriënterend
neurologisch onderzoek. Tijdens het consult was geen sprake van dikke ogen of een
opgezwollen
gezicht. Verweerder adviseerde de patiënte om op consult te komen wanneer sprake
was van een
gezwollen gezicht en/of dikke ogen. Hij dacht aan spierspanningshoofdpijn waarvoor
hij adviseerde
contact op te nemen met de neuroloog en een fysiotherapeut. Voor de hoestklachten
stelde de
huisarts een longfoto voor. Kijkende naar de NHG-richtlijn Acuut Hoesten meent de
huisarts dat hij
de juiste stap heeft gezet en zelfs sneller dan de richtlijn voorschrijft. De huisarts
voert aan
dat het maken van een MRI bij de klachten van de patiënte niet gebruikelijk is en
door tweedelijns
zorg (de medisch specialist) wordt bepaald. Hem kan daarom niet worden verweten
dat hij geen MRI
heeft laten maken. De longfoto is op 9 mei 2022 in het ziekenhuis gemaakt en liet
geen
bijzonderheden zien. Op 10 mei 2022 heeft de huisarts aanvullend bloedonderzoek
voorgesteld. Ook
uit dit onderzoek kwamen geen bijzonderheden.
5.5 Op 25 mei 2022 had de huisarts een dubbel consult met de patiënte. De patiënte
meldde zich
wederom met hoestklachten en slaapproblemen. Ook meldde zij dat zij minder was gaan
roken. De huisarts besloot een longfunctieonderzoek uit te laten voeren en schreef
een puffer met salbutamol voor. De huisarts heeft daarmee gehandeld conform deNHG-richtlijn
COPD. De uitslag van het longfunctieonderzoek dat op 13 juni 2022 werd uitgevoerd, wekte
argwaan bij de huisarts. De uitslag wees op COPD, maar het feit dat de klachten in
korte tijd
waren ontstaan, paste daar niet bij. De huisarts verwees de patiënte daarom door
naar de longarts,
waarbij hij de zorgvraag zo omschreef, dat de patiënte niet de in corona tijd gemiddelde
wachttijd
hoefde te doorlopen, maar na 1-2 maanden al terecht zou kunnen. Hij gaf de patiënte
aan, dat als
het toch langer zou duren, zij contact met hem moest opnemen.
5.6 Het derde consult met de huisarts vond plaats op 6 juli 2022. De patiënte presenteerde
zich
bij verweerder met hoofdpijn en hoesten zonder koorts. De huisarts beoordeelde het
beeld als een
longaanval en schreef - met in het achterhoofd dat de patiënte drie weken later
door de longarts
gezien zou worden - prednison, antibiotica en een langwerkende puffer voor. De patiënte
maakte op
de huisarts geen acuut zieke indruk. Hij sprak met de patiënte af dat zij over een
week terug moest
komen en gaf haar uitleg over alarmsignalen die zij in de gaten moest houden: koorts
en ernstige
kortademigheid.
5.7 Tijdens het vierde consult (11 juli 2022) vertelde de patiënte dat het iets
beter ging. De
huisarts adviseerde de medicatie te blijven gebruiken en te blijven letten op de
besproken
alarmsignalen. Over gewichtsverlies merkt de huisarts in zijn verweerschrift op
dat tijdens de
consulten het gewicht is besproken omdat de patiënte had gezegd dat zij wilde afvallen.
Tijdens de
mondelinge behandeling verklaarde de huisarts dat de patiënte heeft gezegd dat zij
afviel. Van
plotseling veel gewichtsverlies was voor zover de huisarts weet, geen sprake. Hij
heeft het, mede
nu uit het beeldonderzoek en bloedonderzoek geen afwijkingen waren gebleken, niet
geduid als
zorgwekkend. De huisarts is van oordeel dat hij heeft gehandeld zoals van een redelijk
handelend en
redelijk bekwaam huisarts onder dezelfde omstandigheden mag worden verwacht.
5.8 Het college stelt vast dat de huisarts bij zijn handelen de NHG-richtlijnen
Acuut Hoesten
(waarin onder meer staat dat een x-thorax (een röntgenfoto) moet worden aangevraagd
als de
hoestklachten langer dan 6 weken aanhouden om een maligniteit uit te sluiten, in
het bijzonder bij
(ex-)rokers ouder dan 50 jaar) en COPD op juiste wijze heeft toegepast en dat hij
eerder acties
heeft ondernomen (zoals het aanvragen van een longfoto) dan de richtlijnen voorschrijven.
Gezien de
klachten waarmee de patiënte zich presenteerde, de uitgevoerde onderzoeken (waaronder
het maken van
een longfoto, het laten uitvoeren van bloedonderzoek en een longfunctieonderzoek)
en het
doorverwijzen naar de medische specialist (longarts) toen het longfunctieonderzoek
een afwijkende
uitslag opleverde die niet goed verklaard kon worden, alsook het tijdsverloop waarin
dit alles
heeft plaatsgevonden, beoordeelt het college het handelen van verweerder als passend
en adequaat.
Daarbij geldt dat de verwijzing naar de longarts, gelet op de aard van de klachten
en gezien het
feit dat de longfoto niet wees op aanwezigheid van een kwaadaardige ziekte, op een
passende manier
heeft plaatsgevonden. Er was geen sprake van een situatie waarin de huisarts met
meer spoed had moeten verwijzen. Er waren ten tijde van het klachtwaardig geachte
handelen in de periode van 2 mei 2022 tot en met 11 juli 2022 geen, althans onvoldoende
duidelijke, signalen voor de huisarts die om meer of andere acties vroegen. Er is
sprake van een tumor die zich - helaas - op een zeldzame plek heeft geopenbaard. De
tumor drukte op de bloedvaten. Met de wetenschap van achteraf kan de door de patiënte
gemelde zwelling van het gezicht worden verklaard door het vena
cava superior syndroom. Het betreft echter een zeldzaam syndroom. Het valt de huisarts tuchtrechtelijk
niet te verwijten dat hij dit destijds niet heeft onderkend. De huisarts stelt verder
met juistheid dat het niet de huisarts is, maar de medisch specialist die eventueel
beslist tot het uitvoeren van een MRI.
Het college heeft klager tijdens de mondelinge behandeling goed gehoord dat hij
verweerder ook, of
misschien inmiddels nog wel met name verwijt dat hij niets heeft gedaan met het
gewichtsverlies van
de patiënte. Het college ontleent aan het medisch dossier dat wijlen patiënte in
de periode 24
februari 2022 en het longfunctieonderzoek medio juni 2022, dus in circa 4 maanden
tijd, 11 kg was
afgevallen. Het college acht dat met klager substantieel.
Waar klager zegt dat de patiënte bij de huisarts meermalen aandacht voor dit gewichtsverlies
heeft
gevraagd, zegt de huisarts dat de patiënte inderdaad heeft gezegd dat zij was afgevallen,
maar dat
er niet over is gesproken in de zin van plotseling veel gewichtsverlies of zorgen
daarover, en
indachtig het feit dat het beeld- en bloedonderzoek geen afwijkingen liet zien,
gewichtsverlies ook
bij COPD zou kunnen passen en de patiënte volgens de huisarts ook bezig was met
haar leefstijl,
heeft de huisarts geen aanleiding gezien meer of andere onderzoeken te (laten) doen.
Wat er precies
tussen de patiënte en de huisarts over het gewichtsverlies is besproken, kan het
college niet
vaststellen. Wel kan het college beoordelen of de huisarts meer of andere onderzoeken
had moeten
(laten) doen in die tijd, uitgaande van het gewichtsverlies waarvan sprake was,
afgezet tegen de
uitslagen van de longfoto, het bloedonderzoek en later ook het longfunctieonderzoek
en de overige
eigen waarnemingen van de huisarts op basis van de klachten van de patiënte. Het
college komt tot
het oordeel dat dit niet het geval is. Klachtonderdeel 1) is ongegrond.
Klachtonderdeel 2: verweerder heeft niet afdoende gereageerd op de TIA’s van de patiënte
5.9 Klager heeft tijdens de mondelinge behandeling nader toegelicht waarop dit
klachtonderdeel
voor hem ziet. De patiënte was door de huisartsenpraktijk waar ook de huisarts werkzaam
is, vanwege
een TIA in februari 2022 doorverwezen naar de neuroloog. Uit verder onderzoek daar
bleek dat zij
meerdere TIA’s had gehad. De huisarts heeft hier niets mee gedaan. Hij heeft dit
niet betrokken bij
zijn beoordeling van de klachten waarmee de patiënte zich op 2 mei 2022 en later
bij hem meldde.
Dat had volgens klager wel gemoeten; hij vermoedt een verband tussen de TIA’s en
de tumor, in die
zin dat de TIA’s werden veroorzaakt door een bloedstolsel vanuit de longen. Dit
is in het
ziekenhuis in ieder geval tegen hem gezegd, zo heeft klager tijdens de mondelinge
behandeling
verklaard.
5.10 De huisarts was bekend met het feit dat de patiënte meerdere TIA’s had gehad.
Zij was
daarvoor door de huisartsenpraktijk in februari 2022 doorverwezen naar de neuroloog.
De neuroloog had de patiënte ook naar de cardioloog doorverwezen. Het klopt dat
verweerder de TIA’s niet in zijn beoordeling van de klachten van de patiënte van 2
mei 2022 en later heeft betrokken. Niet alleen was de patiënte voor de TIA’s onder
behandeling van medisch specialisten, de klachten waarmee de patiënte zich presteerde
vanaf 2 mei 2022 gaven ook medisch inhoudelijk geen aanleiding een verband te veronderstellen.
Daarom vindt de huisarts dat hem niet tuchtrechtelijk te verwijten is dat hij de doorgemaakte
TIA’s niet bij zijn
beoordeling heeft betrokken.
5.11 Het college beoordeelt dit standpunt van de huisarts om de door de huisarts
genoemde redenen
als juist. Op basis van de klachten waarvoor de patiënte op 2 mei 2022 en daarna
bij de huisarts
kwam, behoefde hij geen verband met de TIA’s die de patiënte
eerder had gehad te veronderstellen. De huisarts heeft het feit dat de patiënte
recent TIA’s had
gehad dan ook terecht niet in zijn beoordeling en de op basis daarvan te nemen vervolgstappen
te
betrekken. Daarom is dit klachtonderdeel ongegrond.
Klachtonderdeel 3: verweerder heeft patiënte autoritair bejegend door niet naar haar
te luisteren
en haar klachten niet serieus te nemen
5.12 Het college komt op grond van het volgende tot het oordeel dat dit klachtonderdeel
ongegrond
is.
5.13 Volgens klager kwam de patiënte na ieder consult huilend en overstuur thuis
en werd
zij ondanks haar ernstige klachten weggestuurd met mededelingen als “het zit tussen
uw oren” en een
puffertje. Wat klager het meest dwars zit, is dat de huisarts zijn echtgenote niet
serieus nam toen
zij tegen hem zei dat zij voelde dat het echt niet goed zat in haar
lichaam en dat hij niets heeft gedaan met haar klacht van groot gewichtsverlies
in korte tijd, maar
zei dat zij ook wel wat kilootjes kon missen. Ten onrechte noteerde de huisarts
in het medisch
dossier dat de patiënte zelf bezig was met gewichtsvermindering.
5.14 De huisarts herkent zich niet in het beeld dat geschetst is. Mogelijk is hij
in het eerste
consult wat kortaf geweest, maar hij heeft geprobeerd de patiënte zo goed mogelijk
te helpen aan de
juiste zorg. Hij betwist dat hij heeft gezegd dat de patiënte “wel wat
kilootjes kon missen”. Op 18 mei 2022 heeft de patiënte juist tegen de POH-GGZ gezegd
dat zij zich,
na zich aanvankelijk niet goed gehoord te voelen, weer wat rustiger en wel gehoord
voelde.
5.15 Tussen partijen bestaat een verschil van mening over wat er is besproken tijdens
de consulten
tussen de patiënte en de huisarts en hoe die consulten verliepen en zijn ervaren.
Het college kan
niet vaststellen hoe die consulten precies zijn verlopen en of de bejegening van
de patiënte onheus
is geweest. In gevallen waarin de lezingen van partijen over de feitelijke gang
van zaken
uiteenlopen en niet kan worden vastgesteld welke van beide lezingen het meest aannemelijk
is, kan
een verwijt dat is gebaseerd op de lezing van klager niet gegrond worden bevonden.
Dit oordeel
berust niet op het uitgangspunt dat het woord van de klager minder geloof verdient
dan dat van de
huisarts, maar op de omstandigheid dat voor het oordeel dat een bepaalde verweten
gedraging
tuchtrechtelijk verwijtbaar is, eerst moet worden vastgesteld welke feiten daaraan
ten grondslag
gelegd kunnen worden. Deze feiten kan het college dus, ook als aan het woord van
klager en van de huisarts evenveel geloof wordt gehecht, hier niet vaststellen. Dit
brengt mee dat niet kan worden vastgesteld of de huisarts
klachtwaardig heeft gehandeld. Dit klachtonderdeel wordt daarom ongegrond verklaard.
Klachtonderdeel 4: verweerder heeft geen melding gedaan bij de IGJ vanwege vroegtijdig
overlijden
5.16 Klager voert aan dat de huisarts het overlijden van de patiënte had moeten
melden bij de IGJ,
omdat sprake is van een situatie waarin geen of een verkeerde diagnose is gesteld
en de patiënt is
overleden aan een aandoening waarvan de signalen alle alarmbellen hadden moeten
laten rinkelen.
5.17 Verweerder heeft geen melding gedaan bij de IGJ, omdat er volgens hem geen sprake
is van een
niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis in de kwaliteit van de zorg.
5.18 Met dit klachtonderdeel is de vraag voorgelegd of de huisarts had moeten besluiten
om het
overlijden van de patiënte te melden bij de IGJ. Volgens de definitie van artikel
1 lid 1 Wet
kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) is een calamiteit ‘een niet-beoogde
of onverwachte
gebeurtenis, die betrekking heeft op de kwaliteit van de zorg en die tot de dood
van een cliënt of
een ernstig schadelijk gevolg voor een cliënt heeft geleid’. Indien sprake is van
een calamiteit,
dan is de zorgaanbieder verplicht om hiervan onverwijld melding te doen bij IGJ.
Dat staat in
artikel 11 lid 1 onder a Wkkgz. Dus, in het geval het onverwachte overlijden van
een patiënt een
gevolg is van een tekortkoming in de zorg, dan is een zorgaanbieder verplicht om
dit te melden bij
de IGJ. Het college heeft bij klachtonderdeel 1) toegelicht waarom het van oordeel
is dat er bij
het handelen van de huisarts geen sprake is geweest van een tekortkoming in de zorg.
Er bestond
daarom ook geen wettelijke verplichting om hiervan melding te doen bij de IGJ. Klachtonderdeel
4)
slaagt daarom niet.
Klachtonderdeel 5: verweerder heeft geen inzage verleend aan klager in het gehele
medisch dossier
van wijlen de patiënte
5.19 Klager heeft na het overlijden van de patiënte om haar medisch dossier verzocht,
maar dat
niet (volledig) gekregen. Klager kreeg daardoor het gevoel dat verweerder iets te
verbergen had.
Inmiddels is hem duidelijk geworden dat (privacy)wetgeving meebrengt dat niet het
volledige medisch
dossier mocht worden verstrekt.
5.20 De huisarts erkent dat klager hem op 11 augustus 2022 heeft verzocht om inzage
in het medisch
dossier van wijlen de patiënte. De huisarts heeft vervolgens een jurist verzocht
om voorlichting.
De huisarts heeft daarna conform de KNMG-handreiking ‘Inzage in medische dossiers
door
nabestaanden’ op de grond ‘zwaarwegend belang’ de medische informatie betreffende
de hoestklachten
gedeeld met klager. Het betreft een kopie van de verwijzingsbrief naar de longarts
(waarin ook de
consulten van 2 mei 2022 en 25 mei 2022 zijn beschreven) en een kopie van de consulten
van 6 en 11
juli 2022. De huisarts heeft klager ook gewezen op de mogelijkheid van een second
opinion door een onafhankelijke arts.
5.21 Het college overweegt dat als een persoon is overleden, bij nabestaanden om
diverse redenen
behoefte kan bestaan om gegevens uit het medisch dossier van de overleden patiënt
in te zien of om
een afschrift van die gegevens te krijgen. Op grond van de hoofdregel van artikel
7:457 Burgerlijk
Wetboek (BW) en artikel 88 Wet BIG heeft de huisarts echter een geheimhoudingsplicht,
waardoor deze
inzage vaak niet gegeven kan worden. Deze geheimhoudingsplicht dient immers het
algemeen belang van
vrije toegang tot de gezondheidszorg. Patiënten moeten erop kunnen vertrouwen dat
alles wat zij
delen met hun hulpverlener, ook tussen de patiënt en de hulpverlener blijft. De
geheimhoudingsplicht blijft ook na het overlijden van de patiënt gelden en kan alleen
in bepaalde
situaties worden doorbroken. De wet (artikel 7:458a BW) biedt daarvoor een beperkt
aantal
uitzonderingen. Samengevat betreffen die 1) toestemming van de patiënt bij leven
gegeven, 2)
mededeling van een incident in de zin van artikel 1 van de Wkkgz en 3) een zwaarwegend
belang. De
huisarts heeft toegelicht dat hij over het verzoek van klager overleg heeft gezocht
met een jurist
en vervolgens op de derde uitzonderingsgrond (zwaarwegend belang) inzage heeft gegeven
in dat deel
van het medisch dossier dat daarop zag. Het college is van oordeel dat verweerder
hiermee
overeenkomstig de geldende wetgeving en daarmee juist heeft gehandeld. Klachtonderdeel
5) is daarom
ongegrond.
Slotsom
5.22 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat (alle onderdelen van) de klacht ongegrond
zijn.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door N.H.J. Lafghani, voorzitter, I. Boekhorst, lid-jurist,
E. Jansen, N.B. van der Maas en J.G.E. Smeets, leden-beroepsgenoten, bijgestaan
door
I.F. Schouwink, secretaris, en in het openbaar uitgesproken door
K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op 29 oktober 2025.