ECLI:NL:TGZRSGR:2022:9 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag D2021/3187
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSGR:2022:9 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 04-01-2022 |
| Datum publicatie: | 04-01-2022 |
| Zaaknummer(s): | D2021/3187 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Ongegronde klacht tegen een tandarts. Klaagster verblijft afwisselend in het buitenland en Nederland. Zij heeft zich tot verweerder gewend omdat zij graag een vaste tandarts als waarnemer wilde als zij (tijdelijk) in Nederland verblijft. Verweerder beschikte niet over gegevens van de vaste of een voormalige Nederlandse tandarts. Verweerder heeft bij de intake vastgesteld en ook genoteerd dat element 15 verdacht was voor beginnende wortelcariës en stelt dit ook met klaagster besproken te hebben. Verweerder heeft die aantasting dus niet gemist, zoals ook uit het dossier blijkt. Voor zover klaagster heeft bedoeld er ook over te klagen dat verweerder het element niet heeft behandeld, geldt dat geen sprake was van een situatie die direct ingrijpen vereiste en dat verweerder de behandeling van element 15 aan de vaste tandarts van klaagster mocht overlaten. Op een later moment bleek sprake van een radixbreuk van element 46 en de noodzaak tot spoedige extractie. Deze heeft op verzoek van klaagster plaatsgevonden, waarbij sprake was van een gecompliceerde extractie. Het college heeft in het dossier, inclusief de door klaagster in het geding gebrachte foto’s, geen aanleiding gevonden om vast te stellen dat verweerder deze behandeling onjuist zou hebben uitgevoerd. De overige klachtonderdelen zijn ook ongegrond verklaard. Klacht ongegrond verklaard. |
Datum uitspraak: 4 januari 2022
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:
A ,
wonende te B,
klaagster,
tegen:
C , tandarts,
werkzaam te D,
beklaagde,
gemachtigde: mr. A.J.F. Vokurka-Viruly, werkzaam te Den Haag.
NaN. Het verloop van de procedure
NaN. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 17 juni 2021;
- het verweerschrift met bijlagen.
1.2 De partijen hebben afgezien van de mogelijkheid om in het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.
NaN. De mondelinge behandeling door het college heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 23 november 2021. Klaagster heeft vanwege verblijf in het buitenland de zitting digitaal bijgewoond. Verweerder is, bijgestaan door zijn gemachtigde, verschenen. Partijen hebben hun standpunten mondeling toegelicht.
NaN. Waar gaat de zaak over?
Klaagster verblijft afwisselend in E, F en Nederland en heeft al meer dan twintig jaar dezelfde vaste tandarts in E. Zij heeft zich in september 2020 tot verweerder gewend omdat zij graag een vaste tandarts als waarnemer wilde als zij (tijdelijk) in Nederland verblijft. Zij klaagt over de behandeling door verweerder in 2021. Het college komt tot het oordeel dat de klacht ongegrond is en licht dat hierna toe.
NaN. De feiten
NaN. Klaagster heeft zich op 16 september 2020 tot verweerder gewend met het verzoek als haar tandarts te fungeren als zij in Nederland verblijft. Verweerder heeft een intakegesprek gevoerd en een overzichtsfoto in de vorm van een orthopantomogram (OPT) gemaakt. Daarop was te zien dat sprake was van onder andere een achttal ontbrekende elementen, enkele wortelkanaalbehandelingen, meerdere implantaten en vijftien kronen.
NaN. Verweerder heeft met klaagster besproken dat de randaansluiting van meerdere bestaande kronen actief diende te worden gemonitord en dat haar mondhygiëne op korte termijn diende te verbeteren. In het dossier heeft verweerder aangetekend dat er mogelijk sprake was van een (beginnende) caviteit in element 15.Er werd een controleafspraak gemaakt voor december 2020. Deze afspraak is door klaagster afgezegd. Ook een periodieke controle na zes maanden is door klaagster geannuleerd, waarbij in het dossier is genoteerd dat zij heeft aangegeven dat oproepen voor dergelijke controles geen zin hadden wegens haar woonplaats in het buitenland.
NaN. Op 15 maart 2021 is klaagster op haar verzoek door verweerder met spoed gezien in verband met pijnklachten van element 46. Er bleek sprake van een radixbreuk. Extractie was noodzakelijk. De extractie vond plaats op 18 maart 2021 en verliep vanwege de fractuur gecompliceerd. In het dossier is aangetekend dat na afloop van de behandeling aan klaagster een ‘extractiebrief’ is meegegeven met instructies betreffende de nazorg.
NaN. Op 19 maart 2021 is klaagster teruggekeerd naar E. In het dossier is aangetekend: “pat. nagebeld, maar tel. werd niet opgenomen”. Op 24 maart 2021 heeft klaagster telefonisch contact opgenomen met de praktijk van verweerder met het verwijt dat zij veel klachten had na de extractie. Haar tandarts in E zou gezegd hebben dat verweerder de wond na extractie verkeerd zou hebben gehecht, reden waarom zij het vertrouwen in verweerder kwijt was. Verweerder was die dag niet aanwezig.Bij 25 maart 2021 heeft hij in het dossier opgeschreven dat hij klaagster die dag driemaal heeft teruggebeld zonder gehoor te hebben gekregen. Bij 29 maart 2021 is aangetekend: “pat. blijkbaar extr brief niet gelezen?, daarom gemaild”.
NaN. De klacht
Klaagster verwijt verweerder, zakelijk weergegeven, dat hij:
- de aantasting van element 15 heeft gemist;
- de behandeling aan element 46 onjuist heeft uitgevoerd;
- na deze behandeling geen uitleg en advies heeft gegeven;
- bloed op het gezicht van klaagster niet (netjes) heeft verwijderd;
- na de klacht op 24 maart 2021 geen contact met klaagster heeft opgenomen.
NaN. Het standpunt van verweerder
Verweerder heeft de klachten en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.
NaN. De beoordeling
NaN. e beoordeling van de tegen verweerder ingediende klacht geschiedt binnen het toetsingskader van de tuchtrechtelijke procedure. Bij de tuchtrechtelijke toetsing van beroepsmatig handelen gaat het niet om het geven van een antwoord op de vraag of het handelen van verweerder beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of hij bij zijn beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij houdt het college rekening met de wetenschappelijke inzichten op het moment van de zorgverlening en met de toen voor verweerder geldende beroepsnormen. Het college neemt bij de beoordeling van de klacht het dossier tot uitgangspunt. Verder wijst het college erop dat de toetsing van het handelen/nalaten van verweerder moet plaatsvinden in het licht van wat hem op dat moment bekend was en bekend kon zijn.Klachtonderdeel a: aantasting element 15 gemist
NaN. Verweerder heeft bij het eerste consult op 16 september 2020 klaagster als patiënt geaccepteerd met de insteek dat hij niet haar vaste tandarts zou zijn, maar beschikbaar zou zijn als klaagster in Nederland verbleef. Verweerder beschikte niet over gegevens van de vaste of een voormalige Nederlandse tandarts. Hij heeft met klaagster gesproken, een OPT gemaakt en na de intake de preventieassistente een behandeling laten geven met een middel tegen gevoelige tanden op de elementnummers 15, 14 en 13, alsmede adviezen voor verbetering van de mondhygiëne. Verweerder heeft vastgesteld en ook genoteerd dat element 15 verdacht was voor beginnende wortelcariës en stelt dit ook met klaagster besproken te hebben. Verweerder heeft die aantasting dus niet gemist, zoals ook uit het dossier blijkt. Voor zover klaagster heeft bedoeld er ook over te klagen dat verweerder het element niet heeft behandeld, geldt dat geen sprake was van een situatie die direct ingrijpen vereiste en dat verweerder de behandeling van element 15 aan de vaste tandarts van klaagster mocht overlaten.Dit klachtonderdeel is ongegrond.
Klachtonderdeel b: onjuiste behandeling element 46
NaN. Op 15 maart 2021 heeft verweerder klaagster wegens pijnklachten met spoed gezien. Toen bleek sprake van een radixbreuk van element 46 en de noodzaak tot spoedige extractie. Deze heeft op 18 maart 2021 op verzoek van klaagster plaatsgevonden, waarbij sprake was van een gecompliceerde extractie. Het college heeft in het dossier, inclusief de door klaagster in het geding gebrachte foto’s, geen aanleiding gevonden om vast te stellen dat verweerder deze behandeling onjuist zou hebben uitgevoerd. Op de foto’s van zes dagen na de extractie is een normale wondgenezing te zien, in aanmerking genomen dat sprake was van een gecompliceerde extractie. Het college kan niet vaststellen dat verweerder verkeerd zou hebben gehecht. Dat de vaste tandarts van klaagster dit zou hebben gezegd, is daarvoor niet voldoende. Het feit dat klaagster enige dagen later pijnklachten heeft gekregen, maakt evenmin dat moet worden aangenomen dat verweerder een fout heeft gemaakt, omdat ook na een juiste behandeling klachten kunnen optreden.Dit klachtonderdeel is ongegrond.Klachtonderdelen c: na behandeling geen uitleg en advies gegeven, en d: bloed niet verwijderd
NaN. Het college ziet aanleiding deze klachtonderdelen gezamenlijk te behandelen. Verweerder stelt aan klaagster te hebben uitgelegd dat het een gecompliceerde extractie betrof en haar een zogenaamde extractiebrief te hebben meegegeven. Van dat laatste heeft hij aantekening gemaakt in het dossier. Klaagster betwist dat haar uitleg is gegeven en dat zij een brief meegekregen zou hebben. Verweerder heeft naar voren gebracht dat het mogelijk is dat er enkele bloedspatten op het gezicht van klaagster terecht zijn gekomen bij de gecompliceerde extractie, maar dat dit normaal gesproken altijd wordt schoongemaakt.Het college overweegt dat, ook als het zo is dat er wat bloed op het gezicht van klaagster is achtergebleven na de extractie, dit van onvoldoende gewicht is voor tuchtrechtelijke toetsing.Wat de uitleg en het meegeven van de brief betreft hebben partijen ieder een andere herinnering aan wat er op dit punt gezegd en gedaan is. Er zijn in het dossier bij de datum van het consult, 18 maart 2021, wel deels aanwijzingen te vinden voor de juistheid van de lezing van verweerder. Er staat namelijk aangetekend: “46 inderdaad op meerdere plaatsen gefractureerd, verbrijzelde radices in delen verwijderd, pat. extr brief meegegeven”.Dat betekent dat niet kan worden vastgesteld dat verweerder klachtwaardig heeft gehandeld. Dit oordeel berust niet op het uitgangspunt dat het woord van klaagster minder geloof verdient dan dat van verweerder, maar op de omstandigheid dat voor het oordeel of een bepaalde verweten gedraging tuchtrechtelijk verwijtbaar is, eerst moet worden vastgesteld welke feiten daaraan ten grondslag gelegd kunnen worden. Deze feiten kan het college dus, ook als aan het woord van klaagster en van verweerder evenveel geloof wordt gehecht, hier niet vaststellen. Om die reden komt het college aan een inhoudelijk oordeel niet toe. Ook klachtonderdelen c en d worden daarom ongegrond verklaard.Klachtonderdeel e: na klacht op 24 maart 2021 geen contact opgenomen
NaN. Verweerder stelt klaagster op 25 maart 2021 driemaal te hebben teruggebeld zonder gehoor te hebben gekregen. Dit staat ook vermeld in het dossier. Verweerder stelt dat achteraf gebleken is dat hij een telefoonnummer van klaagsters woonadres in F heeft gebeld, zoals ook bij de afspraken van 15 en 18 maart 2021 zou zijn gebruikt. Dit telefoonnummer zou klaagster bij de intake hebben opgegeven. Dit is ook het (enige) telefoonnummer dat in het dossier staat.Op 29 maart 2021 heeft verweerder de extractiebrief en de nota per e-mail verzonden.Naar aanleiding van deze klacht heeft verweerder de procedure in zijn praktijk aangepast en wordt na iedere extractie gecheckt of het telefoonnummer in het dossier nog correct is. Daarnaast wordt nu, naast het fysiek meegeven, de extractiebrief dezelfde dag nog gemaild. Het college acht het ongelukkig dat verweerder bij het nabellen een telefoonnummer heeft gebruikt waarop klaagster op dat moment niet bereikbaar was. Gelet op haar verschillende woon- en verblijfplaatsen lag het echter op de weg van klaagster om aan de praktijk van verweerder een telefoonnummer op te geven waarop zij goed bereikbaar is. Het college heeft niet kunnen vaststellen dat verweerder ter zake een tuchtrechtelijk verwijt treft.
NaN. De conclusie is dat verweerder met betrekking tot de klacht geen verwijt kan worden gemaakt zoals bedoeld in artikel 47, eerste lid onder a van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg. De klacht zal ongegrond worden verklaard.
7. De beslissing
Het College verklaart de klacht ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door N.B. Verkleij, voorzitter, W.R. Kastelein, lid-jurist,
H.C. van Renswoude, J.M.W. Croes en M.M.L.F. Smulders, leden-beroepsgenoten, bijgestaan
door R.C. Kruit, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 4 januari 2022.