ECLI:NL:TGZRSGR:2022:7 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag D2021/3256
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSGR:2022:7 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 11-01-2022 |
| Datum publicatie: | 11-01-2022 |
| Zaaknummer(s): | D2021/3256 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Ongegronde klacht tegen een huisarts. Beklaagde heeft een melding gedaan bij Veilig Thuis. Het College is van oordeel dat beklaagde de KNMG-meldcode kindermishandeling en huiselijk geweld op juiste wijze heeft doorlopen en voldoende zorgvuldig heeft gehandeld. Op basis van de informatie die hij uit verschillende bronnen had gekregen, heeft beklaagde in redelijkheid tot het besluit kunnen komen om voorafgaand aan het doen van de melding niet met klager in gesprek te gaan. Dat de informatie die beklaagde uit (in elk geval) één van zijn bronnen had verkregen, feitelijk onjuist bleek te zijn is ongelukkig, maar maakt het voorgaande niet anders; beklaagde heeft bij het doen van de melding moeten varen op de informatie die hij had verkregen. Het verwijt dat beklaagde onterecht en zonder onderbouwing op het meldformulierformulier heeft aangegeven dat het niet veilig zou zijn om met klager in contact te treden is feitelijk onjuist. Het College is van oordeel dat beklaagde voldoende zorgvuldig heeft gehandeld en dat hij bij zijn handelen heeft geprobeerd rekening te houden met de belangen van alle betrokkenen. Klacht ongegrond verklaard. |
Datum uitspraak: 28 december 2021
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:
A ,
wonende te B,
klager,
tegen:
C , huisarts,
werkzaam te D,
beklaagde,
gemachtigde: mr. C. van der Kolk-Heinsbroek, werkzaam te Utrecht.
NaN. Het verloop van de procedure
NaN. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 13 juli 2021; en
- het verweerschrift met bijlage.
1.2 De partijen hebben afgezien van de mogelijkheid om in het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.
1.3 De mondelinge behandeling door het College heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 16 november 2021. Klager, beklaagde en de gemachtigde van beklaagde zijn verschenen en hebben hun standpunten mondeling toegelicht.
NaN. De feiten
2.1 Klager is vader van twee kinderen van (op dit moment) negen en zeven jaar oud. Met zijn ex-partner, tevens moeder van zijn kinderen, is klager in een complexe echtscheiding verwikkeld.
2.2 Beklaagde is de huisarts van de kinderen van klager. Klager en beklaagde hebben geen behandelrelatie. Klager en zijn ex-partner stonden in februari 2021 beiden ingeschreven in de praktijk van huisarts E, beklaagde in de zaak met kenmerk D2021-3254, hierna aangeduid als de voormalige huisarts.
2.3 Op 24 februari 2021 heeft beklaagde – na telefonisch advies van Veilig Thuis – een melding gedaan bij Veilig Thuis. Beklaagde deed dit op grond van informatie die hij had gekregen van de voormalige huisarts van klager, van de beide kinderen van klager en van diens ex-partner. Deze informatie hield in dat klager de kinderen regelmatig zou slaan, met name als de kinderen onderling ruzie maakten. Van de voormalige huisarts van klager had beklaagde daarnaast ook te horen gekregen dat klager zou zijn gediagnosticeerd met een narcistische persoonlijkheidsstoornis.
2.4 De Veilig Thuis-melding bevat, in antwoord op de vraag of het veilig is
om direct met betrokkenen in gesprek te gaan, de volgende informatie: ‘Ja/nee of onbekend. Wel met de moeder, mogelijk (via oa huisarts ouders) niet met de vader (gekenmerkt als narcistische persoonlijkheid,
mogelijk cluster B ??) Echter de vader nooit gezien/gesproken! (…) [Kinderen] samen
met moeder op spreekuur gezien’.
2.5 Op 25 februari 2021 heeft beklaagde een brief gestuurd aan klager, waarin het volgende staat vermeld: ‘Op basis van berichten die mij zijn toegekomen heb ik besloten een melding te moeten doen bij Veilig Thuis. Het kan zijn dat daartoe Veilig Thuis u beide[n] zal benaderen en zal willen onderzoeken of het welbevinden van uw kinderen in het geding kan zijn’.
2.6 Blijkens de overgelegde stukken heeft de ex-partner van klager op dag van de melding bij Veilig Thuis de omgang gestaakt. Klager heeft de kinderen vervolgens zesenhalve week niet gezien.
NaN. De klacht
Klager verwijt beklaagde, zakelijk weergegeven, dat hij:
- rechtstreeks contact heeft opgenomen met Veilig Thuis, zonder hierover met klager in overleg te gaan;
- onterecht, zonder onderbouwing en terwijl hij klager niet kende, heeft geconcludeerd dat het niet veilig zou zijn om met klager in contact te treden;
- de verstrekkende gevolgen van zijn handelen niet heeft overzien en onvoldoende heeft gedaan om een gebalanceerd zicht te krijgen op de situatie.
NaN. Het standpunt van beklaagde
Beklaagde heeft de klachten en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.
NaN. De beoordeling
5.1 De vraag die beantwoord moet worden is of beklaagde binnen de grenzen van
een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven. Kort gezegd: of hij voldoende
zorgvuldig en deskundig heeft gehandeld. Het College is van oordeel dat dit het geval
is en overweegt daartoe als volgt.
Klachtonderdeel a
5.2 Klager verwijt beklaagde om te beginnen dat hij rechtstreeks contact heeft opgenomen met Veilig Thuis, zonder eerst met klager te overleggen.
5.3 De professionele norm voor het handelen van beklaagde wordt op dit punt ingevuld door de KNMG-meldcode kindermishandeling en huiselijk geweld (hierna: ‘de meldcode’). Onder kindermishandeling wordt in het kader van de meldcode niet alleen lichamelijk geweld verstaan, maar tevens elke vorm van voor een minderjarige bedreigende interactie met de ouders of andere personen van wie de minderjarige afhankelijk is.
5.4 Volgens de meldcode dient iedere arts alert te zijn op risicofactoren voor en signalen van kindermishandeling. Bij een vermoeden van kindermishandeling neemt de arts alle stappen die nodig zijn om duidelijk te krijgen of van kindermishandeling sprake is en hoe deze kan worden gestopt. Het in artikel 4 van de meldcode opgenomen stappenplan geeft aan hoe daarbij te handelen.
5.5 Dit stappenplan houdt – zakelijk weergegeven – het volgende in:
|
Stap 1: De arts die kindermishandeling vermoedt of vaststelt verzamelt alle aanwijzingen die zijn vermoeden of constatering kunnen onderbouwen of ontkrachten. Stap 2: De arts vraagt advies aan Veilig Thuis, indien nodig aan de vertrouwensarts van Veilig Thuis, en bij voorkeur ook aan een terzake deskundig collega over zijn vermoedens en bevindingen. De arts presenteert daarbij de casus anoniem. Stap 3: De arts bespreekt de aanwijzingen en signalen van kindermishandeling en de mogelijkheden om tot een oplossing te komen met de ouders en/of het kind, tenzij (1) dit niet mogelijk is uit vrees voor de veiligheid of gezondheid van de patiënt of van andere personen uit de huiselijke kring van de patiënt, (2) als redelijkerwijs gevreesd moet worden dat de arts het kind en/of de ouder(s) daardoor uit het oog zal verliezen, of (3) als de arts vreest voor zijn eigen veiligheid. Stap 4: De arts kan – eventueel ook zonder toestemming van ouders en/of kind – overleggen met andere bij het gezin betrokken hulpverleners of beroepskrachten en/of een melding aan de verwijsindex jongeren doen. Stap 5: Hierin worden mogelijkheden van ‘monitoring’ of melding uitgewerkt. |
5.6 Uitgangspunt van de meldcode is openheid naar de ouders en/of het kind. In verband daarmee schrijft de derde stap van het stappenplan voor dat, voordat tot een melding wordt overgegaan, in beginsel contact moet worden gezocht met de ouders en/of het kind.
5.7 Niet in geschil is, dat beklaagde de eerste twee stappen van het stappenplan heeft doorlopen. Aangekomen bij stap 3 (het gesprek met beide ouders en/of de kinderen), heeft hij alles afwegend besloten af te zien van een gesprek met klager voorafgaand aan het doen van de Veilig Thuis-melding, omdat hij vreesde dat dit een reëel risico zou opleveren voor de veiligheid of gezondheid van een persoon uit de huiselijke kring van de kinderen, te weten hun moeder. Uit de in 2.4 aangehaalde passage blijkt dat deze vrees gebaseerd was op hetgeen beklaagde had vernomen van (in elk geval) de voormalige huisarts van klager en de moeder; eerstgenoemde had beklaagde onder meer geïnformeerd over een diagnose narcistische persoonlijkheidsstoornis bij klager – een diagnose die later nooit gesteld bleek te zijn – en laatstgenoemde had beklaagde onder meer verteld dat zij vreesde voor represailles door klager, omdat zij de kinderen had vergezeld tijdens het consult. Vanwege deze informatie en omdat – zoals beklaagde ter zitting heeft verklaard – de vrees van de moeder authentiek op hem overkwam, heeft beklaagde de kans op schade voor de moeder als reëel beoordeeld. Om die reden heeft hij besloten klager niet op voorhand over de melding te informeren. Wel heeft hij hem een dag later per brief ingelicht.
5.8 Het College is van oordeel dat beklaagde, door te handelen als onder 5.7
omschreven, de meldcode op juiste wijze heeft doorlopen en voldoende zorgvuldig heeft
gehandeld. Op basis van de informatie die hij uit verschillende bronnen had gekregen,
heeft beklaagde naar het oordeel van het College in redelijkheid tot het besluit kunnen
komen om voorafgaand aan het doen van de melding niet met klager in gesprek te gaan.
Dat de informatie die beklaagde uit (in elk geval) één van zijn bronnen had verkregen,
feitelijk onjuist bleek te zijn – klager bleek anders dan dat zijn toenmalige huisarts
aan beklaagde had gemeld, nooit te zijn gediagnosticeerd met een ‘narcistische persoonlijkheid,
mogelijk cluster B’ – is ongelukkig, maar maakt het voorgaande niet anders; beklaagde
heeft bij het doen van de melding moeten varen op de informatie die hij uit meergenoemde
bronnen, in het bijzonder de voormalige huisarts van klager, had verkregen. Dit betekent
dat het eerste klachtonderdeel ongegrond zal worden verklaard.
Klachtonderdeel b
5.9 Daarnaast verwijt klager beklaagde dat hij onterecht, zonder onderbouwing, en terwijl hij klager niet kende, op het meldformulier heeft aangegeven dat het niet veilig zou zijn om met klager in contact te treden. Dit klachtonderdeel strandt op de feitelijke onjuistheid ervan. Beklaagde heeft op het meldformulier niet aangegeven dat het onveilig was om met klager in contact te treden, maar op de vraag of dit veilig was – onder doorhaling van de optie ‘ja’ – de optie ‘nee’ én de optie ‘onbekend’ opengelaten. Beklaagde heeft hierbij de nuancering aangebracht dat hij klager nooit zelf had gezien of gesproken, een gegeven dat mogelijk (mede) verklaart waarom hij – tegen de achtergrond van de signalen die hem hadden bereikt – de bewuste vraag op het meldformulier niet bevestigend heeft kunnen beantwoorden. Nu ook op dit punt van onzorgvuldigheid geen sprake is, verklaart het College dit klachtonderdeel ongegrond.
Klachtonderdeel c
5.10 Tot slot verwijt klager beklaagde dat hij de verstrekkende gevolgen van zijn handelen niet heeft overzien en onvoldoende heeft gedaan om een gebalanceerd zicht te krijgen op de situatie. Zoals uit het voorgaande blijkt, is het College van oordeel dat beklaagde – met inachtneming van de meldcode, en daarmee – voldoende zorgvuldig heeft gehandeld en dat hij bij zijn handelen heeft geprobeerd rekening te houden met de belangen van alle betrokkenen. Ook dit klachtonderdeel is daarom ongegrond.
Conclusie
5.11 De conclusie is dat beklaagde niet in strijd heeft gehandeld met artikel 47 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg. De klacht is daarom ongegrond.
6. De beslissing
Het College:
- verklaart de klacht ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door J.T.W. van Ravenstein, voorzitter, A.C. Hendriks, lid-jurist, I. Weenink, G.J. Dogterom en I. Dawson, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door T.C. Brand, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 28 december 2021.