ECLI:NL:TGZRSGR:2022:49 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag D2021/3115

ECLI: ECLI:NL:TGZRSGR:2022:49
Datum uitspraak: 15-03-2022
Datum publicatie: 15-03-2022
Zaaknummer(s): D2021/3115
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Ongegronde klacht tegen een kaakchirurg. Klaagster verwijt beklaagde onjuiste anamnese, onvoldoende voorlichting, onheuse bejegening, het niet serieus nemen van klaagster, onvoldoende nazorg en het opzadelen van klaagster met kosten en complicaties. Alle klachtonderdelen zijn ongegrond verklaard.

Kenmerk: D2021/3115


Datum uitspraak: 15 maart 2022


Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:


A,
wonende te B,
klaagster,
gemachtigde: K.L.B.M. van der Weerden-Jacobs, werkzaam te Roermond.


tegen:


C, kaakchirurg,
werkzaam te D,
beklaagde,
gemachtigde: mr. O.L. Nunes, werkzaam te Utrecht.


1. Het verloop van de procedure
1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 19 mei 2021; en
- het verweerschrift met bijlagen.

1.2 De partijen hebben afgezien van de mogelijkheid om in het vooronderzoek mondeling
te worden gehoord.


1.3 De mondelinge behandeling door het college heeft plaatsgevonden ter openbare
terechtzitting van 1 februari 2022. De partijen, bijgestaan door hun gemachtigden, zijn verschenen en hebben hun standpunten mondeling toegelicht. De gemachtigde van beklaagde heeft pleitnotities overgelegd.
2. De feiten
2.1 Beklaagde is als kaakchirurg werkzaam in het E in D.

2.2 Klaagster is op verwijzing van haar tandarts en na wachtlijstbemiddeling op
18 december 2018 op consult geweest bij beklaagde.


2.3 De verwijsbrief die klaagster tijdens het consult bij zich had, vermeldt over de reden van verwijzing het volgende [letterlijk overgenomen, inclusief spelfouten]: ‘Bovengenoemde patiënt is in 2016 in behandeling bij jullie geweest voor ontsteking bij 11 en 21. Situatie was 2 of 3 jaar rustig geweest maar mevruw krijgt nu pijn met een bultje bij 21. Graag uw advies of eventuele behandeling. Medische bijzonderheden:Allergisch voor Amoxicillie met clavolanezuur en allergie op Ultracane’.


2.4 Beklaagde heeft met klaagster op 18 december 2018 de verwijsbrief doorgenomen en bij haar een mondonderzoek uitgevoerd. Het door beklaagde opgestelde medisch dossier van klaagster bevat over het consult het volgende: ‘Anamnese: last van fistel 11, wijst 11 aan. In 2016 in F behandeld. Allergie ultracaine, scandonest wel veilig. Beleid: revisie apex resectie 11. Informed consent: ja’. Omdat het verdovingsmiddel waaraan klaagster vanwege haar allergie de voorkeur gaf (Scandonest) niet voorhanden was, werd afgesproken de ingreep op 3 januari 2019 uit te voeren.

2.5 Op 3 januari 2019 heeft beklaagde bij klaagster onder lokale anesthesie een revisie apexresectie uitgevoerd. De ingreep is zonder complicaties of bijzonderheden verlopen. Klaagster kreeg na afloop een recept voor pijnstilling mee en een informatiebrochure met uitleg over nazorg bij een kaakchirurgische behandeling.

2.6 Op 11 januari 2019 heeft klaagster het spreekuur van beklaagde bezocht. Het medisch dossier van beklaagde bevat over dit consult de volgende informatie: ‘Anamnese: last. Lichamelijk onderzoek: hechtingen, overigens goed wondbeeld. Therapie: verwijderen hechtingen’. Ook bij het daaropvolgende consult van 23 januari 2019 bleek sprake van persisterende pijnklachten bij een verder rustig wondbeeld. Aan klaagster werd het advies gegeven een splint (knarsplaatje) te laten maken.

2.7 Hierna heeft beklaagde klaagster op 12 februari 2019, 26 februari 2019, 3 april 2019, 10 april 2019, 18 april 2019 en 5 juli 2019 gezien en beoordeeld vanwege aanhoudende pijnklachten. Naar aanleiding van deze consulten heeft er overleg plaatsgevonden met een door klaagster zelf benaderde andere kaakchirurg en is er een CT-scan uitgevoerd, waarop geen afwijkingen te zien waren.


2.8 Hierna heeft er in juli 2020 nog een gesprek plaatsgevonden met de klachtenfunctionaris en is – in reactie op een civiele claim van klaagster – door de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van het ziekenhuis waar beklaagde werkzaam is, zonder erkenning van aansprakelijkheid, een betaling van € 1.000,- aan klaagster gedaan.


3. De klacht
Klaagster verwijt beklaagde, zakelijk weergegeven, dat zij:
a. heeft verzuimd een juiste anamnese te doen;
b. klaagster onvoldoende heeft voorgelicht over de operatie en zonder nadere toelichting heeft geopereerd (ontbreken informed consent en inbreuk op zelfbeschikkingsrecht);
c. klaagster onheus heeft bejegend tijdens de behandelingen;
d. klaagster niet serieus heeft genomen en aan haar onvoldoende nazorg heeft verleend; en
e. klaagster heeft opgezadeld met kosten en complicaties die bij een juiste aanpak te vermijden waren geweest.

4. Het standpunt van beklaagde
Beklaagde heeft de klachten en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan. Beklaagde betreurt het zeer dat klaagster postoperatief zulke ernstige pijnklachten heeft ontwikkeld. Vanuit haar jarenlange ervaring als kaakchirurg, kan zij deze klachten echter niet verklaren.

5. De beoordeling
5.1 Het college moet beoordelen of beklaagde binnen de grenzen van een redelijke beroepsuitoefening is gebleven, met andere woorden: of zij heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam kaakchirurg in de gegeven omstandigheden mocht worden verwacht. Dit is een zakelijke beoordeling, waarbij rekening wordt gehouden met de stand van de wetenschap op het moment van behandeling en de toen geldende beroepsnormen. Klachtonderdeel a

5.2 Klaagster verwijt beklaagde dat zij heeft verzuimd een juiste anamnese te doen. Het college overweegt hierover als volgt. Uit het dossier volgt dat beklaagde tijdens het consult van 18 december 2018 met klaagster de verwijsbrief – met daarin de reden van verwijzing en de relevante tandheelkundige voorgeschiedenis – heeft doorgenomen en dat zij vragen aan klaagster heeft gesteld. Ook zijn de wensen van klaagster ten aanzien van element 11 besproken. Tijdens de anamnese is daarnaast ook de allergie van klaagster voor antibiotica en voor het verdovingsmiddel Ultracaine naar voren gekomen. Tevens is een mondonderzoek uitgevoerd. Dat beklaagde tijdens dit consult zou hebben verzuimd medisch relevante vragen te stellen (waardoor tijdens de anamnese een onjuist of onvolledig beeld is ontstaan van de voorgeschiedenis of van de mogelijke oorzaken van de pijnklachten van klaagster), is het college niet gebleken. De klacht zal daarom op dit onderdeel ongegrond worden verklaard. Klachtonderdeel b

5.3 Klaagster stelt daarnaast dat het informed consent ontbrak. Zij is niet voorgelicht over de operatie en heeft daarmee ook niet ingestemd. Beklaagde heeft dit gemotiveerd betwist, door te verwijzen naar het medisch dossier van klaagster (voor zover relevant opgenomen in rechtsoverweging 2.4). Ter zitting heeft beklaagde op aanvullende vragen van het college over de overigens zeer beknopte verslaglegging en het informed consent (‘Informed consent: ja’) hier nog aan toegevoegd dat zij met klaagster heeft doorgenomen dat hetzelfde zou gebeuren als bij de eerste apexresectie die klaagster had ondergaan (‘verdoven, een sneetje maken, schoonmaken’), waar de nabezwaren uit zouden kunnen bestaan (pijn, een gezwollen lip en een zwelling), dat de ingreep een ‘reële kans op verbetering’ zou kunnen geven en dat niets doen geen optie was vanwege de aanwezige ontsteking. Omdat klaagster al eens eerder een apexresectie had ondergaan, is de toelichting op de operatie mogelijk in iets kortere vorm gegeven. Klaagster heeft zich in de dagen tussen het consult en de ingreep niet gewend tot beklaagde met aanvullende vragen of bedenkingen en is direct voorafgaand aan de ingreep nogmaals voorgelicht over wat er zou gaan gebeuren. Het college heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid van de verslaglegging en verklaringen van beklaagde op dit punt. Gelet op dit alles is het college met beklaagde van oordeel dat klaagster voldoende is geïnformeerd over de ingreep en dat zij daarvoor haar toestemming heeft gegeven. Dit klachtonderdeel is daarom ongegrond.

5.4 Wel wil het college hieraan toevoegen dat – hoewel hier nu niet over wordt geklaagd – het dossier zoals het nu is opgesteld zeer summier is. Zo ontbreken er enkele gegevens over het onderzoek, de röntgenfoto’s en de bevindingen. Ook mist er in het dossier een aantekening over het overleg tussen beklaagde en de in rechtsoverweging 2.7 genoemde kaakchirurg. Beklaagde heeft een en ander weliswaar tijdens de zitting kunnen verduidelijken en toelichten, maar dit laat onverlet dat het college beklaagde aanmoedigt om dergelijke gegevens voortaan uitgebreider in het medisch dossier te noteren.


Klachtonderdeel c
5.5 Over het derde klachtonderdeel – de bejegening van klaagster door beklaagde – loopt de beleving van partijen ver uiteen. Klaagster stelt dat beklaagde gehaast op haar overkwam, dat zij geen oog had voor de persoon achter de patiënt en dat zij de indruk wekte ‘lopende band werk’ te leveren. Beklaagde op haar beurt meent dat zij klaagster heeft benaderd met dezelfde mate van respect, zorg en aandacht waarmee zij ook al haar andere patiënten tegemoet treedt. Voor het college is onmogelijk vast te stellen hoe een en ander tijdens de diverse consulten precies is verlopen. Het gaat hier immers om de (subjectieve) beleving van partijen. Het door klaagster geschetste beeld van deze beleving vindt geen steun in objectieve informatie uit het dossier of anderszins. Het college zal dit klachtonderdeel om die reden ongegrond verklaren.

Klachtonderdeel d
5.6 Klaagster verwijt beklaagde daarnaast dat zij haar onvoldoende serieus heeft genomen en dat zij onvoldoende nazorg heeft verleend. Het college overweegt hierover als volgt. Uit het medisch dossier van klaagster blijkt dat beklaagde de (pijn)klachten van klaagster tijdens een reeks van consulten – zie voor een overzicht hiervan rechtsoverweging 2.7 – heeft aangehoord. Zij heeft klaagster nabehandeld en onderzocht, onder meer door het uitschrijven van een recept voor pijnstilling, het meegeven van een brochure over nazorg, het verwijderen van hechtingen, het bestuderen van het wondbeeld, het (doen) vervaardigen van een splint en het aanvragen van een CT-scan (om pathologie uit te sluiten). Daarnaast heeft beklaagde haar medewerking verleend aan de herbeoordeling van de pijnklachten van klaagster door derden. Door aldus te handelen heeft beklaagde er blijk van gegeven de klachten van klaagster serieus te nemen en zich verantwoordelijk te voelen voor het leveren van voldoende nazorg. Ook dit klachtonderdeel zal daarom ongegrond worden verklaard.


Klachtonderdeel e
5.7 Omdat beklaagde, zoals uit het voorgaande volgt, bij de behandeling en begeleiding van klaagster heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend kaakchirurg mag worden verwacht, is het college met beklaagde van oordeel dat niet kan worden geoordeeld dat beklaagde verantwoordelijk is voor de kosten en complicaties die klaagster – hoe vervelend en belastend ook – in verband met haar tandheelkundige situatie heeft moeten maken en ondergaan. Ook op dit onderdeel zal de klacht daarom ongegrond worden verklaard, nog daargelaten dat het tuchtrecht niet is bedoeld om financiële genoegdoening te verkrijgen voor behandel- en complicatiekosten.


Conclusie
5.8 De conclusie is dat beklaagde niet kan worden verweten dat zij heeft gehandeld in strijd met de zorg die zij ten opzichte van klaagster had behoren te betrachten. De klacht zal daarom ongegrond worden verklaard.

6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht ongegrond.


Deze beslissing is gegeven door J.T.W. van Ravenstein, voorzitter, A.C. Hendriks, lid-jurist, F.S. Kroon, T.J.M. Hoppenreijs en J.M.W. Croes, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door
T.C. Brand, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2022.