ECLI:NL:TGZRSGR:2022:48 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag D2021/3527

ECLI: ECLI:NL:TGZRSGR:2022:48
Datum uitspraak: 15-03-2022
Datum publicatie: 15-03-2022
Zaaknummer(s): D2021/3527
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen een tandarts. Klaagster is mening dat beklaagde het verwijderen van verstandskiezen onjuist heeft uitgevoerd, de hygiëne bij de behandeling niet in acht heeft genomen, dat hij haar respectloos heeft behandeld en dat er bij haar een tumor is ontstaan als gevolg van de behandeling. Niet gebleken is dat de werkwijze van beklaagde onzorgvuldig is geweest. Overige klachtonderdelen zijn onvoldoende onderbouwd. Klacht kennelijk ongegrond verklaard.

Kenmerk: D2021/3527


Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven over de klacht van:


A,
wonende in B,
klaagster,


tegen:


C, tandarts,
werkzaam in D,
beklaagde,
gemachtigde: mr. D.M. Pot, werkzaam in Utrecht.


1. Het verloop van de procedure
1.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift, ingekomen op 7 oktober 2021;
- het verweerschrift, ingekomen op 16 november 2021;
- aanvullende bijlagen, ontvangen van de gemachtigde van beklaagde op 16 november 2021; en
- aanvullende bijlagen, ontvangen van de gemachtigde van beklaagde op 18 november 2021.

1.2 Partijen hebben gebruik gemaakt van de door het college geboden mogelijkheid om samen met een secretaris van het college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Dit gesprek, dat plaatsvond op 19 januari 2022, heeft niet geresulteerd in een minnelijke schikking tussen partijen. Het proces-verbaal van dit gesprek bevindt zich in het dossier.

1.3 Het college heeft de klacht op 1 februari 2022 in raadkamer behandeld.

2. De kern van de zaak en de beslissing
2.1 Klaagster heeft zich op 23 april 2021 gewend tot de tandartsenpraktijk waar beklaagde in deeltijd werkzaam is voor een controleafspraak in verband met klachten aan haar verstandkies (element 38). Beklaagde heeft de mondcontrole uitgevoerd en een beginnende pericoronitis (tandvleesontsteking) vastgesteld. Beklaagde heeft klaagster daarop geadviseerd haar gebit te laten reinigen en alle vier de verstandskiezen te laten trekken, de cariës in element 17 te laten vullen en een kroon te plaatsen op de elementen 37 en 47. Beklaagde heeft de kosten voor deze behandelingen in de vorm van een prijsopgave aan klaagster meegedeeld. Klaagster heeft vervolgens een afspraak gemaakt, voor 29 april 2021, om de elementen 28 en 38 te laten trekken. Deze behandeling is door beklaagde uitgevoerd.

2.2 Klaagster is van mening dat beklaagde de extracties (het verwijderen van verstandskiezen) onjuist heeft uitgevoerd. Voorts verwijt klaagster beklaagde dat hij de hygiëne bij de behandeling niet in acht heeft genomen, dat hij haar respectloos heeft behandeld en dat er bij haar een tumor is ontstaan als gevolg van de behandeling.

2.3 Beklaagde heeft de stellingen van klaagster gemotiveerd betwist en het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.


2.4 Het college is van oordeel dat beklaagde niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en dat de klacht kennelijk ongegrond is. Hierna licht het college toe hoe het tot die beslissing is gekomen.

3. Uitleg van de beslissing
3.1 Het college is gevraagd te beoordelen of de beklaagde door zijn handelen tekort is geschoten in de in acht te nemen zorgvuldigheid ten opzichte van klaagster, dan wel dat hij heeft gehandeld in strijd met hetgeen een behoorlijk tandarts betaamt. Het college stelt vast dat de lezingen van klaagster en beklaagde over de uitvoering van de behandeling, het in acht nemen van de hygiënevoorschriften in de behandelkamer, de bejegening van klaagster en het ontstaan van een tumor als gevolg van de behandeling, op diverse punten uiteenlopen. Dit betekent dat het college niet kan vaststellen hoe een en ander precies is verlopen. Het college gaat bij de beoordeling daarom bovenal af op de wijze waarop klaagster haar klachtonderdelen heeft onderbouwd en de manier waarop en de middelen waarmee beklaagde zijn verweer heeft gemotiveerd.


Trekken van verstandskiezen
3.2 Klaagster baseert haar stelling dat het trekken van de verstandskiezen niet juist zou zijn uitgevoerd uit de omstandigheid dat zij nadien aanhoudende pijn had van de extracties. Vanwege de pijn heeft zij tot driemaal toe de tandartsenpraktijk gebeld en zag zij zich in het weekend van 3 mei 2021 genoodzaakt zich te richten tot de afdeling Spoedeisende Hulp van het ziekenhuis. Daar is een röntgenfoto gemaakt en aan klaagster antibiotica verstrekt.

3.3 Beklaagde stelt zich op het standpunt dat de extracties juist zijn uitgevoerd en zonder complicaties hebben plaatsvonden. Na de ingreep heeft beklaagde klaagster een recept voor Ibuprofen 600 mg (5 dagen, 3x daags) en chloorhexidine (spoelen vanaf dag na ingreep, gedurende 1 week, 2x daags) meegegeven. Tevens heeft beklaagde klaagster instructies gegeven over de verzorging van de wond, de pijn die zij kon verwachten, wat te doen bij aanhoudende pijn en wat zij niet mocht doen na de extracties. Klaagster heeft volgens beklaagde op de dagen dat hij niet werkte advies gekregen van receptiemedewerkers van de praktijk. Beklaagde heeft klaagster na de behandeling nog eenmaal gesproken en toen medegedeeld dat de door klaagster ervaren pijn niet afwijkend was. Beklaagde heeft geen aanleiding gezien dit standpunt te wijzigen na het zien van de foto’s van de weekendarts van de afdeling Spoedeisende Hulp.


3.4 Het college oordeelt dat uit hetgeen door klaagster naar voren is gebracht over de zorgvuldigheid van het trekken van de verstandskiezen, mede gelet op het gemotiveerde en door röntgenfoto’s ondersteunde verweer van beklaagde, geen blijk geeft van een onzorgvuldige werkwijze van beklaagde. Beklaagde heeft aannemelijk gemaakt dat de ervaren pijn niet ongebruikelijk was, dat hij klaagster op de mogelijkheid van pijn heeft gewezen en dat hij klaagster via het voorschrijven van medicatie en het geven van advies, maximaal op deze mogelijkheid heeft voorbereid. Dit klachtonderdeel is daarom ongegrond.


Hygiëne bij behandeling
3.5 Klaagster stelt dat beklaagde tijdens de behandeling meermaals door praktijkmedewerkers is gestoord om documenten te ondertekenen. Beklaagde zou daarna zijn handen niet hebben gereinigd. Beklaagde heeft dit alles betwist. Hij heeft er in dit verband onder meer op gewezen dat hij sinds de COVID-19-voorschriften in de praktijk geen documenten meer ondertekent. Alles gaat sindsdien digitaal.


3.6 In het licht van de gemotiveerde betwisting door beklaagde, heeft klaagster dit klachtonderdeel onvoldoende onderbouwd. Dat haar partner tijdens het vooronderzoek heeft verklaard dat hij vanuit de wachtkamer zag dat beklaagde documenten tekende tijdens de behandeling van klaagster, maakt het voorgaande niet anders. Hoewel het college geen kennis draagt van het exacte inrichting van de praktijk van beklaagde, ligt het – onder meer om redenen van privacy – niet voor de hand dat vanuit de wachtkamer kan worden waargenomen wat er in de behandelruimte van beklaagde plaatsvindt. Het college verklaart dit klachtonderdeel daarom ongegrond.


Bejegening van klaagster
3.7 Klaagster stelt dat zij door beklaagde respectloos is bejegend. Zij heeft als voorbeeld genoemd dat de receptioniste steeds langskwam in de behandelkamer om te zeggen ‘Schiet op, we gaan zo eten’. Klaagster heeft geen andere voorbeelden genoemd.


3.8 Beklaagde herkent zich niet in het beeld van een respectloze behandeling; mogelijk doelt klaagster op de Poolstalige assistente die regelmatig voor klaagster heeft getolkt. Ook anderszins ziet hij niet op welke wijze dit klachtonderdeel op zijn handelen of wijze van communiceren betrekking heeft.

3.9 Het college acht met beklaagde dit klachtonderdeel onvoldoende onderbouwd en verklaart dit klachtonderdeel eveneens ongegrond.

Ontstaan van tumor door behandeling
3.10 Beklaagde heeft zich tot slot op het standpunt gesteld dat er bij haar een tumor is ontstaan als gevolg van de behandeling. Die is in Polen weggehaald. Op dit moment ervaart zij geen klachten meer, maar klaagster vreest dat de tumor zal terugkomen.


3.11 Beklaagde heeft niet eerder gehoord over het ontstaan van een tumor door het trekken van verstandskiezen. Hij wijst er nogmaals op dat de behandeling probleemloos is verlopen en dat de pijnklachten die klaagster heeft ervaren, niet ongebruikelijk zijn. Beklaagde mist ook iedere vorm van documentatie ter onderbouwing van deze stelling van klaagster over de tumor.


3.12 Ook het college mist een onderbouwing van de stelling dat er bij klaagster een tumor zou zijn ontstaan door het trekken van haar verstandskiezen en dat deze tumor kan terugkomen. Zo zijn de stukken van de tandheelkundige behandeling in Polen waaruit dit volgens klaagster zou kunnen blijken, niet overgelegd. Het college verklaart dit klachtonderdeel daarom ongegrond.


Conclusie
3.13 De conclusie van het bovenstaande is dat beklaagde geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Het college verklaart de klacht daarom kennelijk ongegrond.


4. De beslissing
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in Den Haag beslist als volgt:
verklaart de klacht kennelijk ongegrond.


Deze beslissing is gegeven op 15 maart 2022 door J.T.W. van Ravenstein, voorzitter,
A.C. Hendriks, lid-jurist, J.M.W. Croes, T.J.M. Hoppenreijs en F.S. Kroon, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door T.C. Brand, secretaris.