ECLI:NL:TGZRSGR:2022:44 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag D2021/3036

ECLI: ECLI:NL:TGZRSGR:2022:44
Datum uitspraak: 02-03-2022
Datum publicatie: 02-03-2022
Zaaknummer(s): D2021/3036
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen: Ongegrond/Afwijzing
Inhoudsindicatie: Ongegronde klacht tegen een cardioloog. Klager is gewond geraakt aan zijn hoofd bij ongeregeldheden tijdens een demonstratie tegen het kabinetsbeleid dat verband houdt met het coronavirus. Klager heeft een klacht ingediend tegen beklaagde, destijds waarnemend hoofd van de SEH, omdat de dienstdoende SEH-arts in overleg met beklaagde klager niet wilde behandelen vanwege het niet dragen van een mondkapje. Klager heeft tevens een klacht ingediend tegen de dienstdoende SEH-arts (dossiernummer D2021/3035). In die klacht heeft het College geoordeeld dat de SEH-arts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door geen behandelingsovereenkomst met klager aan te gaan. De betrokkenheid van beklaagde was beperkt tot het voeren van telefonisch overleg met de SEH-arts. Het is niet gebleken dat beklaagde hierbij in strijd met een beroepsnorm of onzorgvuldig heeft gehandeld. Nu verder de klacht tegen de SEH-arts ongegrond is verklaard, is de klacht tegen beklaagde eveneens ongegrond. Publicatie.

Kenmerk: D2021/3036


Datum uitspraak: 2 maart 2022


Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:


A,
wonende te B,
klager,
gemachtigde: C, wonende te D,


tegen:
E, cardioloog,
werkzaam te F,
beklaagde,
gemachtigde: mr. O.L. Nunes, werkzaam te Utrecht.


1. Het verloop van de procedure
1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 29 april 2021;
- het verweerschrift met bijlagen;
- e-mailcorrespondentie ontvangen van de gemachtigde van beklaagde,
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 8 september 2021.

1.2 Het College heeft in raadkamer de behandeling van de klacht verwezen naar een openbare zitting.

1.3 De mondelinge behandeling door het College heeft plaatsgevonden op de openbare zitting van 19 januari 2022. De partijen, bijgestaan door hun gemachtigden, zijn verschenen en hebben hun standpunten mondeling toegelicht. De gemachtigden van klager en van beklaagde hebben pleitnotities overgelegd. De klacht is samen behandeld met een andere, met de klacht samenhangende zaak. Die zaak is bekend onder dossiernummer D2021/3035 en betreft de klacht tegen de hierna genoemde SEH-arts G.

2. Waar gaat de zaak over en wat is de beslissing?
Klager is op 14 maart 2021 gewond geraakt aan zijn hoofd bij ongeregeldheden tijdens een demonstratie in H tegen het kabinetsbeleid dat verband houdt met het coronavirus. Nadat klager ter plaatse is behandeld door een EHBO-er, is klager met enkele vrienden naar de spoedeisende hulp (hierna SEH) van het I in F gegaan voor nader medisch onderzoek. Klager heeft een klacht ingediend tegen beklaagde, destijds waarnemend hoofd van de SEH, omdat de dienstdoende SEH-arts in overleg met beklaagde klager niet wilde behandelen vanwege het niet dragen van een mondkapje. Het College komt tot de conclusie dat de klacht niet gegrond is. Hierna licht het deze beslissing toe.

3. Wat is er precies gebeurd?
3.1 Klager is op 14 maart 2021 naar de SEH van het I gegaan, nadat hij tijdens een demonstratie in H op onder meer zijn hoofd was geslagen. Klager was in het gezelschap van drie vrouwen en van een vriend die bij de demonstratie eveneens letsel had opgelopen en zich wilde laten behandelen (zelf klager in de zaken met nummer D2021/3491 en D2021/3492 en tevens de gemachtigde van klager in deze zaak).

3.2 In het I was op dat moment het dragen van een mondkapje verplicht. Deze verplichting gold niet voor mensen die vanwege een ziekte of beperking geen mondkapje kunnen dragen en in acute situaties.

3.3 Bij de ingang van de SEH hebben medewerkers van de beveiliging van het ziekenhuis aan klager gevraagd om een mondkapje op te zetten. Klager wilde dit niet doen. Twee verpleegkundigen van de SEH zijn met klager in gesprek gegaan om toelichting te geven op het beleid van het I over het dragen van mondkapjes, maar klager wilde nog steeds geen mondkapje opzetten.

3.4 Vervolgens is SEH-arts G naar de ingang van de SEH gegaan. Zij heeft daar gesproken met klager. Klager bleef erbij dat hij geen mondkapje wilde dragen.

3.5 G heeft vervolgens telefonisch contact opgenomen met beklaagde, die op dat moment waarnemend hoofd van de SEH was. G en beklaagde hebben na verificatie van het geldende beleid wat betreft het dragen van mondkapjes in het ziekenhuis en het bespreken van de waarnemingen en beoordeling van G, gezamenlijk besloten klager niet toe te laten tot het I.


3.6 Omdat klager en zijn gezelschap niet weg wilden gaan, is door de beveiliging van het ziekenhuis op enig moment de politie gebeld, die ter plaatse is gekomen. Klager heeft uiteindelijk, samen met de rest van zijn gezelschap het terrein van het I verlaten.


3.7 Een van de beveiligers van het ziekenhuis droeg een bodycam. Van de situatie zijn opnames gemaakt. Deze zitten in het dossier.


4. Wat houdt de klacht in en wat is het antwoord van beklaagde?
4.1 Klager verwijt beklaagde dat hij, met G, niet méér gewicht heeft toegekend aan het behandelen van spoedeisend hoofdtrauma, boven het afdwingen van een gedragsregel als het dragen van een mondkapje. Hij vindt dat hem zonder geldige reden zorg is onthouden en de toegang tot het ziekenhuis is ontzegd. Door geen behandelrelatie aan te gaan is sprake van discriminatie van mensen zoals hij die niet in mondkapjes geloven, vindt klager.

4.2 Beklaagde vindt dat hij als waarnemend hoofd van de SEH van het I de verantwoordelijkheid heeft om erop toe te zien dat de wettelijke verplichting om een mondkapje te dragen in het ziekenhuis wordt nageleefd, dus ook door klager. Die verplichting bestaat namelijk om (andere) patiënten, bezoekers en mensen die werken in het ziekenhuis te beschermen tegen besmetting met het coronavirus. In het telefonisch overleg met G heeft beklaagde gecontroleerd of geen sprake was van een acute situatie of van een contra-indicatie om een mondkapje te dragen. Van beide was geen sprake. Beklaagde vindt dat klager terecht niet is toegelaten tot de SEH. Hij verzoekt de klacht ongegrond te verklaren.

5. De beoordeling
5.1 Aan het College ligt de vraag voor of beklaagde heeft gehandeld in strijd met de zorg die van een arts verwacht mag worden. De norm daarvoor is die van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met op het moment van de zorgverlening geldende beroepsnormen en wetenschappelijke inzichten.

5.2 Het College houdt rekening met de omstandigheid dat de druk op de zorg ten tijde van het voorval in maart 2021 hoog was. Ook acht het College van belang dat klager in het bijzijn van zijn vrienden in een verhitte discussie was geraakt met verpleegkundigen en beveiligers van het ziekenhuis en de situatie al verre van rustig was voordat SEH-arts G erbij werd geroepen. Beklaagde zelf heeft geen persoonlijk contact met klager gehad. Hij heeft alleen telefonisch overleg gevoerd met G en samen met haar besloten om klager niet toe te laten tot de SEH en niet te behandelen.

5.3 Het College stelt bij de beoordeling voorop dat ten tijde van het handelen in Nederland krachtens de wet voor personen van 13 jaar en ouder de verplichting bestond tot het dragen van een mondkapje in publieke binnenruimten. Deze verplichting gold niet voor personen die vanwege een beperking of een ziekte geen mondkapje kunnen dragen. Daarnaast zijn zorgaanbieders en zorginstellingen zoals ziekenhuizen bevoegd om te bepalen dat in het gebouw een mondkapje moet worden gedragen. In het I was het beleid dat iedereen een mondkapje diende te dragen, tenzij sprake was één van de wettelijke uitzonderingen of van een acute medische situatie. Het is duidelijk dat klager het niet eens is met het gebruik van een mondkapje ter voorkoming van virustransmissies. Het is niet aan het College om de werking van mondkapjes te beoordelen.

5.4 Het College beoordeelt de klacht aan de hand van de KNMG-richtlijn ‘Niet-aangaan of beëindiging van de geneeskundige behandelingsovereenkomst’, KNMG, januari 2021 (hierna: de richtlijn). In deze richtlijn is beschreven in welke situaties een arts kan besluiten om een behandelingsovereenkomst niet aan te gaan of te beëindigen en aan welke zorgvuldigheidseisen de arts zich daarbij moet houden. In het kader van deze beoordeling gaat het College ervan uit dat tussen klager en SEH-arts G nog geen behandelingsovereenkomst tot stand was gekomen en dat dus sprake is van een niet-aangaan van de behandelrelatie. Voor de inhoudelijke beoordeling in deze zaak maakt het overigens weinig verschil of sprake is van niet-aangaan of beëindiging: de situaties en zorgvuldigheidseisen zijn in grote lijnen dezelfde. Het College moet beoordelen of zich een situatie heeft voorgedaan waarin beklaagde, met SEH-arts G, mocht besluiten dat er geen behandelingsovereenkomst met klager werd aangegaan en of daarbij volgens de zorgvuldigheidseisen is gehandeld.


5.5 In de klacht met nummer D2021/3035 tegen SEH-arts G, waarin het College eveneens vandaag uitspraak heeft gedaan, heeft het College geoordeeld dat G niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door geen behandelingsovereenkomst met klager aan te gaan. Kort samengevat heeft het College daartoe overwogen dat G een aanzienlijk belang als bedoeld in de richtlijn had om geen behandelingsovereenkomst aan te gaan gelet op het mondkapjesbeleid van het ziekenhuis dat is bedoeld om (andere) patiënten, bezoekers en mensen die werken in het ziekenhuis te beschermen tegen besmetting met het coronavirus en de weigering van klager om een mondkapje te dragen. G heeft voldoende inzicht gekregen in de medische situatie van klager en een juiste beoordeling gemaakt dat er geen sprake was van een medische noodsituatie. Zij heeft daarom klager de toegang tot het ziekenhuis kunnen ontzeggen zolang hij weigerde een mondkapje te dragen en zij heeft hierbij zorgvuldig gehandeld. Ook heeft het College geoordeeld dat van discriminatie geen sprake is.

5.6 Zoals overwogen is de betrokkenheid van beklaagde beperkt tot het voeren van telefonisch overleg met G. Beklaagde heeft toegelicht dat zij daarbij hebben besproken of voor klager een uitzondering gold in het mondkapjesbeleid en of de medische situatie van klager aanleiding gaf om een uitzondering op dat beleid te maken. Het is niet gebleken dat beklaagde hierbij in strijd met een beroepsnorm of onzorgvuldig heeft gehandeld. Nu verder de klacht tegen G ongegrond is verklaard, is de klacht tegen beklaagde eveneens ongegrond.


5.7 De conclusie is dat beklaagde met betrekking tot de klacht geen verwijt kan worden gemaakt zoals bedoeld in artikel 47, eerste lid onder a, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (hierna: Wet BIG). De klacht zal daarom ongegrond worden verklaard.

5.8 Om redenen van algemeen belang zal het College bepalen dat deze beslissing op de voet van artikel 71 van de Wet BIG in geanonimiseerde vorm wordt gepubliceerd zoals hierna vermeld.

6. De beslissing
Het College:
- verklaart de klacht ongegrond;
- bepaalt dat deze beslissing, nadat deze onherroepelijk is geworden, in geanonimiseerde vorm in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter publicatie zal worden aangeboden aan het tijdschrift ‘Medisch Contact’.

Deze beslissing is gegeven door I.K. Spros, voorzitter, M.M. van ‘t Nedereind, lid-jurist,
P. Plantinga, M. Bezemer en I. Weenink, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door B. Dekker, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2022.