ECLI:NL:TGZRSGR:2022:38 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag D2021/3140

ECLI: ECLI:NL:TGZRSGR:2022:38
Datum uitspraak: 15-02-2022
Datum publicatie: 15-02-2022
Zaaknummer(s): D2021/3140
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Klacht tegen huisarts. Klaagster heeft tegen haar ex-man aangifte gedaan van kindermisbruik. Klaagster is van mening dat beklaagde meldingen van (mogelijk) misbruik niet serieus heeft genomen, ten onrechte informatie niet heeft gemeld bij een officiële instantie, ten onrechte geen doorverwijzing naar een kinderarts heeft gegeven en niet onafhankelijk heeft gehandeld. Het College kan niet vaststellen dat meldingen van mishandeling of misbruik zijn gedaan. Uit de medische dossiers blijkt dat er sprake is geweest van klachten aan de geslachtsdelen van de kinderen. Op grond van de in de medische dossiers weergegeven klachten was er geen aanleiding om een doorverwijzing naar een kinderarts te geven vanwege een verdenking op misbruik. De kinderen zijn vanwege de klachten aan de geslachtsdelen wel doorverwezen naar een kinderarts en uroloog. Zowel de kinderarts als de uroloog hebben na hun onderzoek geen verdenking van kindermisbruik geuit. Klacht kennelijk ongegrond verklaard. 

Kenmerk: D2021/3140


Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven over de klacht van:


A,
wonende in B,
klaagster,


tegen:


C, huisarts,
werkzaam in Den Haag,
beklaagde,
gemachtigde: mr. S. Slabbers, werkzaam in Utrecht.


1. Het verloop van de procedure
1.1 Het College heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 28 mei 2021;
- het medische dossier van de twee jongste kinderen van klaagster, ingekomen op 1 oktober 2021; en
- het verweerschrift met bijlagen, ingekomen op 28 oktober 2021.


1.2 Het College heeft partijen de gelegenheid geboden om samen met een secretaris van het College in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben de partijen geen gebruik gemaakt.


1.3 Het College heeft de klacht op 11 januari 2022 in raadkamer behandeld.

2. De kern van de klacht en de beslissing
2.1 Klaagster en haar drie kinderen waren tot en met medio mei 2021 patiënt bij de huisartsenpraktijk waar beklaagde sinds 2012 werkt als huisarts. Klaagster is gescheiden van de vader van haar kinderen. Klaagster heeft tegen haar ex-man aangifte gedaan van kindermisbruik.
Klaagster is van mening dat beklaagde meerdere meldingen van haar kinderen van mishandeling of misbruik door hun vader niet serieus heeft genomen en (daardoor) onvoldoende heeft onderzocht. Volgens klaagster heeft beklaagde ook de bij haar gemelde incidenten ten onrechte niet gemeld bij een officiële instantie en heeft zij ten onrechte niet verwezen naar een kinderarts ondanks de overtuiging van klaagster dat er een verdenking is van kindermisbruik. Hierdoor heeft beklaagde volgens klaagster niet onafhankelijk gehandeld. Volgens klaagster heeft beklaagde haar ex-man in bescherming genomen.


2.2 Beklaagde betwist de stellingen van klaagster gemotiveerd en verzoekt de klacht ongegrond te verklaren.


2.3 Het College is van oordeel dat beklaagde niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Hierna licht het College toe hoe het tot die beslissing is gekomen.


3. Uitleg van de beslissing


Geen inzage in het medische dossier van de oudste dochter
3.1 In de eerste plaats merkt het College op dat het alleen inzage heeft gehad in het medische dossier van de twee jongste kinderen van klaagster en niet van de oudste, omdat de daarvoor benodigde toestemming ontbrak. Dit betekent dat het College onvoldoende informatie heeft om de klacht(en) met betrekking tot de oudste dochter van klaagster te kunnen beoordelen. Hieronder zullen daarom alleen de klachten met betrekking tot de twee jongste kinderen van klaagster besproken worden.

Dat bij beklaagde melding is gedaan van vermeend misbruik kan het College niet vaststellen
3.2 De stelling van klaagster dat haar kinderen bij beklaagde melding hebben gemaakt van mishandeling of misbruik door hun vader en dat dit door beklaagde niet serieus is genomen, wordt door beklaagde betwist. Volgens beklaagde hebben de kinderen nooit aan haar verteld dat zij werden mishandeld of misbruikt door hun vader. Dergelijke meldingen zijn ook niet in de medische dossiers van de kinderen genoteerd. Dat dergelijke meldingen zijn gedaan kan het College daarom niet vaststellen. Dat brengt mee dat niet kan worden vastgesteld dat beklaagde in dat kader klachtwaardig heeft gehandeld. Dit oordeel berust niet op het uitgangspunt dat het woord van klaagster minder geloof verdient dan dat van beklaagde, maar op de omstandigheid dat voor het oordeel of een bepaalde verweten gedraging tuchtrechtelijk verwijtbaar is, eerst moet worden vastgesteld welke feiten daaraan ten grondslag gelegd kunnen worden. Deze feiten kan het College dus, ook als aan het woord van klaagster en van beklaagde evenveel geloof wordt gehecht, hier niet vaststellen.


De klachten aan de geslachtsdelen van de kinderen heeft beklaagde zorgvuldig behandeld
3.3 Uit de medische dossiers blijkt dat er sprake is geweest van klachten aan de geslachtsdelen van beide kinderen. De zoon is hierover op 22 april 2020 op consult geweest bij een collega van beklaagde, tegen wie klaagster ook een klacht heeft ingediend, bekend onder dossiernummer D2021/3139 (hierna: de collega). Beklaagde kan niet tuchtrechtelijk worden aangesproken op de werkzaamheden van haar collega zodat dit consult hier inhoudelijk buiten beschouwing blijft. Op 23 november 2020 is de zoon op consult geweest bij beklaagde. Zij heeft hierover onder andere opgeschreven dat de zoon last had van irritatie en roodheid bij de plasbuis en dat er een vernauwde voorhuid te zien was. Zij heeft hiervoor crèmes voorgeschreven.

3.4 Op 21 december 2020 heeft beklaagde de zoon nogmaals gezien. De klachten zijn dan nog niet weg en beklaagde heeft de zoon daarom doorverwezen naar een uroloog. Op advies van de uroloog is een circumcisie uitgevoerd.

3.5 Uit het medische dossier van de dochter van klaagster volgt dat zij de afgelopen jaren regelmatig last had van een rode, pijnlijke en jeukende vagina en pijn bij het plassen, en dat zij een paar keer een schimmelinfectie heeft gehad. Op 29 januari 2021 heeft beklaagde de dochter in dit verband gezien en heeft zij het advies gegeven daar niet met zeep te wassen en een crème voorgeschreven.


3.6 Op 9 februari 2021 heeft zij de dochter teruggezien. De klachten zijn dan nog niet weg. In het medische dossier heeft beklaagde genoteerd dat zij een verwijzing naar de kinderarts heeft besproken, maar dat klaagster daar nog niet direct de meerwaarde van inziet. Ook heeft zij genoteerd dat klaagster geen verdenking van seksueel misbruik heeft, maar vindt dat de vader daar niet meer moet wassen.


3.7 Op 16 februari 2021 heeft beklaagde de dochter doorverwezen naar de kinderarts omdat het beeld niet is verbeterd en de voorgeschreven crème geen effect lijkt te hebben.


3.8 De kinderarts heeft vervolgens in de brief van 9 maart 2021 aan de huisarts geschreven dat zij geen bijzonderheden heeft geconstateerd.


3.9 Na een vervolgcontact op 19 april 2021 heeft de kinderarts geschreven dat de dochter geen klachten meer had na behandeling met Mebendazol en dat zij van verdere controle werd ontslagen.

3.10 Het bovenstaande geeft blijk van een zorgvuldige werkwijze van beklaagde. Op grond van de in de medisch dossiers weergegeven klachten was er geen aanleiding om een doorverwijzing naar een kinderarts te geven vanwege een verdenking op misbruik. Klaagster heeft op 9 februari 2021 volgens de medische dossiers, ook zelf aangegeven een doorverwijzing (nog) niet nodig te vinden en geen verdenking van seksueel misbruik te hebben. Vervolgens is de dochter op 16 februari 2021 door beklaagde wél doorverwezen naar de kinderarts vanwege de klachten aan haar vagina. Ook is de zoon door beklaagde doorverwezen naar de uroloog. Zowel de kinderarts als de uroloog hebben na hun onderzoek geen verdenking van kindermisbruik geuit. Verder volgt uit de medische dossiers niet dat er door klaagster en/of haar kinderen meldingen zijn gedaan bij beklaagde die (mogelijk) bij de (al bij het gezin betrokken) hulpinstantie(s) gemeld hadden moeten worden.

3.11 De klachtonderdelen dat beklaagde meldingen van (mogelijk) misbruik niet serieus heeft genomen, zij ten onrechte informatie niet heeft gemeld bij een officiële instantie, zij ten onrechte geen doorverwijzing naar een kinderarts heeft gegeven en zij niet onafhankelijk heeft gehandeld, zijn gelet op het bovenstaande alle ongegrond.

Conclusie
3.12 De conclusie van het bovenstaande is dat beklaagde geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Daarom zal de klacht kennelijk ongegrond worden verklaard.

4. De beslissing
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in Den Haag beslist als volgt:
verklaart de klacht kennelijk ongegrond.


Deze beslissing is gegeven op 15 februari 2022 door P.M. de Keuning, voorzitter,
A.C. Hendriks, lid-jurist, A.L.M. Mulder, A.A.M. Leebeek-Groenewegen en
V.M. Schijf, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door R, van der Vaart, secretaris.