ECLI:NL:TGZRSGR:2022:37 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag D2021/3139
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSGR:2022:37 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 15-02-2022 |
| Datum publicatie: | 15-02-2022 |
| Zaaknummer(s): | D2021/3139 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen huisarts. Klaagster heeft tegen haar ex-man aangifte gedaan van kindermisbruik. Klaagster is van mening dat beklaagde meldingen van (mogelijk) misbruik niet serieus heeft genomen, ten onrechte informatie niet heeft gemeld bij een officiële instantie, ten onrechte geen doorverwijzing naar een kinderarts heeft gegeven, niet onafhankelijk heeft gehandeld en zonder toestemming van klaagster informatie met derden heeft gedeeld. Het College kan niet vaststellen dat meldingen van mishandeling of misbruik zijn gedaan. Uit de medische dossiers blijkt dat er sprake is geweest van klachten aan de geslachtsdelen van de kinderen. Op grond van deze klachten was er geen aanleiding om een doorverwijzing naar een kinderarts te geven vanwege een verdenking op misbruik. Bovendien zijn de kinderen vanwege de klachten aan geslachtsdelen wel doorverwezen naar een kinderarts en uroloog. Zowel de kinderarts als de uroloog hebben na hun onderzoek geen verdenking van kindermisbruik geuit. Ook is gebleken dat beklaagde wel informatie met de al bij het gezin betrokken hulpinstantie heeft gedeeld. Niet gebleken dat beklaagde zonder toestemming informatie met derden heeft gedeeld. Klacht kennelijk ongegrond verklaard. |
Kenmerk: D2021/3139
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in Den Haag heeft de volgende beslissing
gegeven over de klacht van:
A,
wonende in B,
klaagster,
tegen:
C, huisarts,
werkzaam in B,
beklaagde,
gemachtigde: mr. S. Slabbers, werkzaam in Utrecht.
1. Het verloop van de procedure
1.1 Het College heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 28 mei 2021;
- het medische dossier van de twee jongste kinderen van klaagster, ingekomen op 1
oktober 2021; en
- het verweerschrift met bijlagen, ingekomen op 28 oktober 2021.
1.2 Het College heeft partijen de gelegenheid geboden om samen met een secretaris
van het College in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben partijen
geen gebruik gemaakt.
1.3 Het College heeft de klacht op 11 januari 2022 in raadkamer behandeld.
2. De kern van de zaak en de beslissing
2.1 Klaagster en haar drie kinderen waren tot en met medio mei 2021 patiënt bij de
huisartsenpraktijk waar beklaagde sinds 2010 werkt als huisarts. Klaagster is gescheiden
van de vader van haar kinderen. Klaagster heeft tegen haar ex-man aangifte gedaan
van kindermisbruik.
Klaagster is van mening dat beklaagde meerdere meldingen van haar kinderen van mishandeling
of misbruik door hun vader niet serieus heeft genomen en (daardoor) onvoldoende heeft
onderzocht. Volgens klaagster heeft beklaagde ook de bij haar gemelde incidenten ten
onrechte niet gemeld bij een officiële instantie en heeft zij onterecht niet verwezen
naar een kinderarts ondanks de overtuiging van klaagster dat er een verdenking is
van kindermisbruik. Hierdoor heeft beklaagde volgens klaagster niet onafhankelijk
gehandeld. Volgens klaagster heeft beklaagde haar ex-man in bescherming genomen. Daarnaast
verwijt klaagster beklaagde dat zij de kinderwens van klaagster besproken heeft met
Jeugdbescherming en de ex-man van klaagster en dat zij tegen de gynaecoloog, naar
wie klaagster op haar verzoek is doorverwezen, heeft gezegd dat het huishouden van
klaagster instabiel is.
2.2 Beklaagde betwist de stellingen van klaagster gemotiveerd en verzoekt de klacht
ongegrond te verklaren.
2.3 Het College is van oordeel dat beklaagde niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft
gehandeld. Hierna licht het College toe hoe het tot die beslissing is gekomen.
3. Uitleg van de beslissing
Geen inzage in het medische dossier van de oudste dochter
3.1 In de eerste plaats merkt het College op dat het alleen inzage heeft gehad in
het medische dossier ten aanzien van de twee jongste kinderen van klaagster en niet
van de oudste, omdat toestemming daarvoor ontbrak. Hierdoor heeft het College onvoldoende
informatie om de klacht(en) met betrekking tot de oudste dochter van klaagster te
kunnen beoordelen. Hieronder zullen daarom alleen de klachten met betrekking tot de
twee jongste kinderen van klaagster besproken worden.
Dat bij beklaagde melding is gedaan van vermeend misbruik kan het College niet vaststellen
3.2 De stelling van klaagster dat haar kinderen bij beklaagde melding hebben gemaakt
van mishandeling of misbruik door hun vader en dat dit door beklaagde niet serieus
is genomen, wordt door beklaagde betwist. Volgens beklaagde hebben de kinderen nooit
aan haar verteld dat zij werden mishandeld of misbruikt door hun vader. Dergelijke
meldingen zijn ook niet in de medische dossiers van de kinderen genoteerd. Dat dergelijke
meldingen zijn gedaan kan het College daarom niet vaststellen. Dat brengt mee dat
evenmin kan worden vastgesteld dat beklaagde in dat kader klachtwaardig heeft gehandeld.
Dit oordeel berust niet op het uitgangspunt dat het woord van klaagster minder geloof
verdient dan dat van beklaagde, maar op de omstandigheid dat voor het oordeel of een
bepaalde verweten gedraging tuchtrechtelijk verwijtbaar is, eerst moet worden vastgesteld
welke feiten daaraan ten grondslag gelegd kunnen worden. Deze feiten kan het College
dus, ook als aan het woord van klaagster en van beklaagde evenveel geloof wordt gehecht,
hier niet vaststellen.
Beklaagde heeft zorgvuldig gehandeld
3.3 Uit de medische dossiers blijkt dat er sprake is geweest van klachten aan de geslachtsdelen
van beide kinderen. Zo heeft beklaagde de zoon van klaagster gezien op 22 april 2020
in verband met een klein wondje aan zijn penis. Zij heeft een gaasje geplaatst en
geadviseerd om in het geval dat het niet zou genezen weer contact op te nemen en een
foto te sturen naar de assistente.
3.4 Daarnaast heeft een collega van beklaagde, tegen wie klaagster ook een klacht
heeft ingediend, bekend onder dossiernummer D2021/3140 (hierna: de collega), de zoon
tweemaal gezien in verband met klachten aan zijn penis. Na het tweede consult van
de collega is de zoon doorverwezen naar een uroloog. Beklaagde kan niet tuchtrechtelijk
worden aangesproken op de werkzaamheden van haar collega zodat die consulten hier
inhoudelijk buiten beschouwing blijven.
3.5 Verder heeft beklaagde de zoon op 28 mei 2020 gezien. Hij heeft tijdens dit consult
verteld over een incident bij zijn vader thuis, waarbij zijn vader zijn zus (mogelijk)
heeft geslagen. Daarnaast heeft hij verteld dat zijn vader hem nog wast, ook bij zijn
geslachtsdeel, terwijl hij dit prima zelf kan. Naar aanleiding van dit consult heeft
beklaagde, zo staat genoteerd in het medische dossier, uitgebreid gesproken met de
bij het gezin betrokken hulpverlener. De hulpverlener gaf aan van het bovenstaande
al op de hoogte te zijn.
3.6 Uit het medische dossier van de dochter van klaagster volgt dat zij de afgelopen
jaren regelmatig last had van een rode, pijnlijke en jeukende vagina en pijn bij het
plassen, en dat zij een paar keer een schimmelinfectie heeft gehad. Op 16 februari
2021 is zij voor rode plekjes bij haar vagina doorverwezen naar een kinderarts door
de collega van beklaagde.
3.7. De kinderarts heeft in de brief van 9 maart 2021 aan de huisarts geschreven dat
zij geen bijzonderheden heeft geconstateerd.
3.8 Na een vervolgcontact op 19 april 2021 heeft de kinderarts geschreven dat de dochter
geen klachten meer had na behandeling met Mebendazol en dat zij van verdere controle
werd ontslagen.
3.9 Het bovenstaande geeft geen blijk van een onzorgvuldige werkwijze van beklaagde.
Op grond van de in de medische dossiers weergegeven klachten aan de geslachtsdelen
van de kinderen was er geen aanleiding om een doorverwijzing naar een kinderarts te
geven vanwege een verdenking op misbruik. Bovendien is de dochter wel doorverwezen
naar de kinderarts vanwege de klachten aan haar vagina en de zoon is doorverwezen
naar de uroloog. Zowel de kinderarts als de uroloog hebben na hun onderzoek geen verdenking
van kindermisbruik geuit. Ook volgt uit het bovenstaande dat beklaagde het verhaal
van de zoon over het gewassen worden door zijn vader en het (mogelijk) slaan door
vader van zijn zus, wél met de al bij het gezin betrokken hulpinstantie heeft gedeeld.
3.10 De klachtonderdelen dat beklaagde meldingen van (mogelijk) misbruik niet serieus
heeft genomen, zij ten onrechte informatie niet heeft gemeld bij een officiële instantie,
zij ten onrechte geen doorverwijzing naar een kinderarts heeft gegeven en zij niet
onafhankelijk heeft gehandeld, zijn gelet op het bovenstaande allen ongegrond.
Dat beklaagde zonder toestemming informatie met derden heeft gedeeld is niet gebleken
3.11 Dat beklaagde de kinderwens van klaagster besproken heeft met Jeugdbescherming en de ex-man van klaagster en dat zij tegen de gynaecoloog heeft gezegd dat het huishouden van klaagster instabiel is, wordt door beklaagde betwist en door klaagster verder niet onderbouwd. Omdat er naast de weersproken stelling van klaagster geen andere feiten of omstandigheden zijn gebleken die de lezing van klaagster onderschrijven (bijvoorbeeld een verklaring van Jeugdbescherming en/of de gynaecoloog) komt het College tot de conclusie dat ook dit klachtonderdeel ongegrond is.
Conclusie
3.12 De conclusie van het bovenstaande is dat beklaagde geen tuchtrechtelijk verwijt
kan worden gemaakt en de klacht kennelijk ongegrond wordt verklaard.
4. De beslissing
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in Den Haag beslist als volgt:
verklaart de klacht kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 15 februari 2022 door P.M. de Keuning, voorzitter,
A.C. Hendriks, lid-jurist, A.L.M. Mulder, A.A.M. Leebeek-Groenewegen en
V.M. Schijf, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door R, van der Vaart, secretaris.