ECLI:NL:TGZRSGR:2022:26 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag D2021/3224

ECLI: ECLI:NL:TGZRSGR:2022:26
Datum uitspraak: 26-01-2022
Datum publicatie: 26-01-2022
Zaaknummer(s): D2021/3224
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen: Ongegrond/Afwijzing
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen een huisarts. Klaagster verwijt de huisarts dat hij in een verwijsbrief naar een vruchtbaarheidskliniek onterecht heeft gesteld dat klaagster lijdt aan schizofrenie en psychoses. Uit het medisch dossier blijkt dat de diagnose psychose door verschillende specialisten is gesteld. Wanneer de huisarts verwijsbrieven opstelt, wordt daarin relevante medische informatie uit het dossier automatisch gekoppeld en overgenomen. Omdat de medicamenteuze behandeling van de diagnose psychose relevant is voor het medicijngebruik in het kader van de behandeling van klaagster, is deze diagnose in dit geval dus automatisch opgenomen in de verwijsbrief. Het was beter geweest als de huisarts klaagster hierover ten tijde van de verwijzing verdere uitleg had gegeven, maar dat hij dit niet heeft gedaan vindt het college niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Overige onderdelen ook ongegrond. Klacht kennelijk ongegrond verklaard.

Kenmerk: D2021/3224


Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:


A,
wonende te B,
klaagster,


tegen:


C, huisarts,
werkzaam te B,
beklaagde, hierna: de huisarts,
gemachtigde: mr. J.S.M. Brouwer, werkzaam te Amsterdam.


1. De procedure


1.1 Het college heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 23 juni 2021;
- de brief met bijlagen van klaagster van 28 juni 2021, ontvangen op 30 juni 2021;
- het verweerschrift.


1.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om samen met een secretaris van het college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.


1.3 Het college heeft de klacht op basis van de stukken beoordeeld.


2. Waar gaat de zaak over?


2.1 Klaagster is op 30 december 2013 door de huisarts naar D verwezen in verband met psychische klachten. Daar is klaagster enige tijd in behandeling geweest bij de afdeling Psychotrauma. Later is zij opgenomen bij E en aangemeld bij het F. Klaagster verwijt de huisarts dat hij haar haar heeft aangemeld als een geestelijk gestoorde persoon bij instanties, zoals de eerste hulp en politie en dat de huisarts haar ten onrechte als een orgaandonor heeft opgegeven.


2.2 Op 12 december 2019 is klaagster door de huisarts doorverwezen naar het G, in verband met de kinderwens die klaagster had zonder partner. Klaagster klaagt er in dit verband over dat de huisarts in de verwijsbrief onterecht heeft gesteld dat klaagster lijdt aan schizofrenie en psychoses. Volgens klaagster heeft de huisarts haar daardoor het recht op voortplanting ontnomen.


2.3 Daarna heeft klaagster verzocht om overschrijving naar een andere praktijk en haar dossier opgevraagd.


2.4 De huisarts stelt zich op het standpunt dat hem geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Hij heeft klaagster mede op haar verzoek verwezen naar D, maar haar nooit aangemeld als geestelijk gestoord persoon. Daarna is bij klaagster door diverse specialisten de diagnose psychose gesteld, waarvan de huisarts via specialistenbrieven op de hoogte is gesteld. Deze diagnoses worden vermeld in het patiëntendossier en relevante episodes worden automatisch overgenomen in verdere verwijsbrieven. Verder weerspreekt de huisarts dat hij klaagster als orgaandonor heeft opgegeven, waarbij hij benadrukt dat hij dit niet eens zou kunnen doen.


3. Wat is het oordeel van het college?


3.1 Het college is van oordeel dat de huisarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Voor die beslissing acht het college het volgende van belang.


Aan welke criteria toetst het college?
3.2 Het college moet beoordelen of de huisarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Het college houdt bij de beoordeling rekening met de wetenschappelijke inzichten op het moment van de zorgverlening en met de toen voor de huisarts geldende beroepsnormen. De huisarts is verder slechts tuchtrechtelijk aansprakelijk voor zijn eigen medische handelen en niet voor dat van andere zorgverleners.


Het aanmelden van klaagster als geestelijk gestoord persoon
3.3 Het college kan uit het medisch dossier van klaagster niet opmaken dat de huisarts klaagster heeft aangemeld als geestelijk gestoorde persoon bij de spoedeisende eerste hulp of de politie. Klaagster heeft verder ook niet onderbouwd dat de huisarts dit (bij andere instanties) heeft gedaan. De huisarts verwijst in zijn verweerschrift naar het consult van 30 december 2013, waarover in het medisch dossier staat genoteerd (alle citaten voor zover van belang en inclusief eventuele taal- en typefouten):
“S Heeft al jaren psychische problemen. Heeft wel
S hulpverlening gehad. Als de hulpverlening stopt,
S komen klachten weer terug. Zus heeft
S Bosnie-syndroom (PTSS). Herkent dezelfde klachten.
S Bij D heeft zus een speciale behandeling
S gehad. Gaat nu een heel stuk beter. Geloof heeft
S haar veel steun gegeven tot inbraak in haar
S woning. Voelt zich onveilig.
O Emotioneel. Woordenvloed.
E posttraumatische stress
P VB D.
P Naar : psychiatrie”.


3.4 Uit deze notitie kan het college ook niet opmaken dat dit klachtonderdeel van klaagster slaagt. Het college kan dus niet vaststellen dat de huisarts in dit kader enig tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.
Het opgegeven van klaagster als orgaandonor


3.5 Het college kan uit het medisch dossier ook niet opmaken dat de huisarts klaagster heeft opgegeven als orgaandonor. Ook dit klachtonderdeel heeft klaagster verder niet onderbouwd. Zoals de huisarts in het verweerschrift heeft toegelicht kon na de inwerkingtreding van de nieuwe donorwet op 1 juli 2021 een mogelijk bezwaar tegen orgaandonatie worden doorgegeven aan het Donorregister via een brief van de Rijksoverheid. Wanneer er geen keuze werd doorgegeven, volgde automatisch een registratie dat er geen bezwaar bestaat tegen donatie van organen of weefsels. Mocht dat in het geval van klaagster zo zijn gelopen, kan dit de huisarts niet worden aangerekend. Niet is gebleken dat de huisarts klaagster heeft (kunnen) aanmelden als orgaandonor. Ook dit klachtonderdeel kan niet slagen.


De verwijsbrief naar het G
3.6 Uit het medisch dossier volgt dat in de verwijsbrief van de huisarts op 12 december 2019 aan het G is opgenomen dat, waar het gaat om contra-indicaties met betrekking tot medicatie: “schizofrenie / psychose”. Zoals de huisarts in zijn verweerschrift heeft toegelicht en volgt uit het medisch dossier, is de diagnose psychose door verschillende specialisten gesteld in het kader van de behandeling van klaagster bij D en E. De huisarts wordt daar vervolgens over geïnformeerd, waarna deze medische informatie wordt opgenomen in het dossier van klaagster bij de huisarts. Wanneer de huisarts daarna verwijsbrieven opstelt, wordt daarin relevante medische informatie uit het dossier automatisch gekoppeld en overgenomen. Omdat de – door andere specialisten vastgestelde – medicamenteuze behandeling van de diagnose psychose relevant is voor het medicijngebruik in het kader van de behandeling van klaagster door het G, is deze diagnose in dit geval dus automatisch opgenomen in de verwijsbrief. Het college kan zich voorstellen dat de inhoud van de verwijsbrief klaagster heeft overvallen en dat zij daardoor overstuur is geraakt. Het was beter geweest als de huisarts klaagster hierover ten tijde van de verwijzing verdere uitleg had gegeven, maar dat hij dit niet heeft gedaan vindt het college niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Het college kan gelet op het voorgaande niet vaststellen dat de huisarts met betrekking tot dit klachtonderdeel fouten zou hebben gemaakt.


Achteraf aanpassen medisch dossier
3.7 De huisarts is er in zijn verweerschrift vanuit gegaan dat klaagster er ook over klaagt dat hij achteraf haar medisch dossier heeft aangepast. De huisarts weerspreekt dat daar sprake van is geweest. Het college overweegt dat dit in het klaagschrift van klaagster niet expliciet als klachtonderdeel wordt vermeld. Voor zover klaagster heeft bedoeld daarover te klagen, ziet het college ook geen aanknopingspunten om haar in deze opvatting te volgen, zodat de huisarts daarvan geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.


Conclusie
3.8 Het voorgaande leidt tot de beslissing dat de huisarts met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg kan worden gemaakt. De klacht is daarom kennelijk ongegrond.


4. De beslissing


de klacht is kennelijk ongegrond.


Deze beslissing is gegeven op 26 januari 2022 door E.P. de Beij, voorzitter, A.C. Hendriks, lid-jurist, G.J. Dogterom, M. Bezemer en B. van Ek, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door R.C. Kruit, secretaris.