ECLI:NL:TGZRSGR:2022:21 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag D2021/2429

ECLI: ECLI:NL:TGZRSGR:2022:21
Datum uitspraak: 19-01-2022
Datum publicatie: 19-01-2022
Zaaknummer(s): D2021/2429
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Ongegronde klacht tegen een gynaecoloog. Klaagster was tijdens haar eerste zwangerschap een keer positief op GBS getest en kreeg daarom bij die bevalling antibiotica toegediend, ook al werd zij bij een hertest GBS-negatief bevonden. Tijdens de tweede zwangerschap is bij 30 weken een GBS-kweek gemaakt die negatief was. Zij verwijt beklaagde dat er bij de tweede zwangerschap bij 35 – 37 weken opnieuw geen tweede GBS-kweek is gemaakt, dat er tijdens de bevalling geen antibiotica is toegediend en dat de communicatie in het voortraject en bij het ontslaggesprek gebrekkig is geweest.  Het college is van oordeel dat beklaagde niet heeft gehandeld in strijd met de richtlijn ‘Intrapartum antibiotica op basis van risicofactoren bij early-onset neonatale infecties’. De richtlijn bespreekt niet of indien eerder in dezelfde zwangerschap al een kweek is afgenomen, deze bij 35-37 weken moet worden herhaald. Beklaagde heeft conform de richtlijn gehandeld door klaagster bij de bevalling geen antibiotica te geven. Beklaagde was tot de dag van de bevalling niet betrokken bij de prenatale zorg van klaagster en evenmin bij het ontslaggesprek, zodat haar dus geen verwijt over de communicatie kan worden gemaakt.

Datum uitspraak: 19 januari 2022

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:

A ,

wonende te B,

klaagster,

tegen:

C , gynaecoloog,

werkzaam te B,

beklaagde,

gemachtigde: mr. Z, werkzaam te B.

NaN. Het verloop van de procedure

NaN. Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 9 maart 2021;
  • het verweerschrift met bijlagen;
  • het medisch dossier;
  • de per e-mail toegezonden brief van klaagster met bijlagen, gedateerd 4 juni 2021, ontvangen op 4 juni 2021;
  • het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 1 september 2021, met daaraan gehecht een e-mailbericht van mr. Z van 23 september 2021.

NaN. De mondelinge behandeling door het College heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 8 december 2021. De partijen zijn verschenen en hebben hun standpunten mondeling toegelicht. Beklaagde werd bijgestaan door haar gemachtigde.

NaN. De klacht is behandeld tezamen met een andere, met de klacht samenhangende zaak zoals bedoeld in artikel 57, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG). Die zaak is bekend onder dossiernummer D2021/2430.

NaN. De feiten

NaN. Klaagster is in november 2020, tijdens haar tweede zwangerschap, voor de eerste maal met spoed gezien op de afdeling Verloskunde en Gynaecologie van het D. Klaagster werd in overleg met een gynaecoloog in het ziekenhuis opgenomen met premature contracties (verdenking van een dreigende vroeggeboorte bij een zwangerschap van 30 weken en 3 dagen), met een ontsluiting van 2 tot 3 cm. Tijdens deze ziekenhuisopname is in november 2020 onder meer een kweek van de introïtus (ingang van de vagina) en urine afgenomen om te beoordelen of er sprake was van een Groep B-streptokokkeninfectie (hierna: GBS-infectie). In november 2020 is klaagster uit het ziekenhuis ontslagen.

NaN. In november 2020 is klaagster bij een zwangerschapsduur van 31 weken wegens buikpijn en mogelijke contracties (iedere 30 minuten) tijdens de nachtdienst in het D gezien. Na behandeling namen de klachten af en heeft klaagster ervoor gekozen naar huis te gaan. Op .., .. en .. november 2020 is klaagster op reguliere consulten op de polikliniek Verloskunde gezien. Bij het consult op .. november heeft een gynaecoloog met klaagster de uitslag van de kweek van . november besproken en daarover in het dossier onder meer aangetekend: “GBS introïtus: negatief (2/11) - -> geen indicatie profylaxe durante partu.”. Bij de aandachtspunten heeft de gynaecoloog aangetekend: “GBS introïtus: negatief, retour 1e lijn bij een zwangerschapsduur van 37 weken.”. Op .. november is klaagster in verband met een aantal klachten voor een extra controle bij de afdeling Verloskunde en Gynaecologie geweest en na onderzoeken naar huis teruggekeerd.

NaN. Over de reguliere controle van klaagster op de polikliniek in december 2020 noteert de dienstdoende gynaecoloog in het medisch dossier: “Overal pijn, loopt wijdbeens, krampen, slaapt niet meer, forse klachten carpaal tunnelsyndroom bdz, lijkt uitgeput en zit huilend in de wachtkamer. Gaat niet meer. Smeekt om inleiding”. Klaagster gaat naar huis en afgesproken wordt dat zij bij een zwangerschapsduur van 37 weken zal worden ingeleid.

NaN. In december 2020 duurt de zwangerschap 37 weken en wordt de bevalling op de afdeling Verloskunde ingeleid. Beklaagde heeft die dag als gynaecoloog de supervisie over de verloskamers. Een klinisch verloskundige (beklaagde in dossier D2021-2430) begeleidt de bevalling en bespreekt met klaagster de mogelijkheid van pijnstilling tijdens de bevalling. Bij de aandachtspunten bij de inleiding wordt in het dossier onder ‘verloop partus’ onder meer genoteerd: …“OVG: ..-11-2018 AD 38+1 spp 2640 gram, GBS pos”…. Om 09.30 uur worden de vliezen gebroken en om 13.12 uur wordt zoon E (hierna: de zoon) geboren. In de uren daarna heeft de zoon een lage temperatuur (35,9) en een lage bloedsuikerwaarde (2.3). Hij wordt in de couveuse gelegd en krijgt glucosegel. Hij krijgt ook bijvoeding. De volgende dag zijn klaagster en de zoon uit het ziekenhuis ontslagen. In januari 2021 is een telefonische nacontrole met de verloskundige (beklaagde in D2021-2430).

NaN. In januari 2021 is de zoon in verband met koorts eci vier dagen opgenomen geweest in het F in B opgenomen, met als werkdiagnose: (beginnende) GBS-pyelonefritis (nierbekkenontsteking veroorzaakt door besmetting met een groep B-streptokok). Het aanvullende onderzoek wijst uit: “laag CRP, urinesediment stick negatief, wel leukocyturie, faeces viraal en bacterieel gb, urinekweek catheter GBS 10(3)-10(4) KVE/ml”. De conclusie van de kinderarts luidt: “Zuigeling 2 maanden, op leeftijd 6 weken koorts, WD beginnende GBS-pyelonefritis/cystitis. DD virale infectie, in dat geval zou de GBS-reincultuur het gevolg zijn geweest van kolonisatie.” De kinderarts adviseert voorts (vetgedrukt): “Let op: gezien GBS-kolonisatie en/of GBS-cystitis/urineweginfectie adviseer ik om bij een volgende zwangerschap ongeacht de kweekuitslag bij moeder GBS-profylaxe te geven gedurende de partus.” Bij het telefonisch controle consult op de polikliniek Kindergeneeskunde in februari 2021 staat opgetekend dat het goed met de zoon gaat.

NaN. Klaagster heeft een klacht ingediend bij het G. Binnen het G is daarna met klaagster gesproken en zijn ook meerdere gesprekken met de behandelaars gevoerd. Voorts hebben een interne en externe evaluatie door middel van een (onafhankelijke) TRIPOD analyse plaatsgevonden en is een melding bij de Inspectie voor Gezondheidszorg en Jeugd (hierna: IGJ) gedaan. De IGJ heeft daarop een onderzoek ingesteld.

NaN. De klacht

Klaagster verwijt beklaagde, zakelijk weergegeven, dat:

  • er bij 35 – 37 weken opnieuw geen tweede GBS-kweek is gemaakt;
  • zij heeft nagelaten erop toe te zien dat klaagster tijdens de bevalling antibioticaprofylaxe kreeg toegediend. Zij was hier als supervisor gynaecologie verantwoordelijk voor;
  • de communicatie in het voortraject en het ontslaggesprek gebrekkig is geweest.

Klaagster was tijdens haar eerste zwangerschap een keer positief op GBS getest en kreeg daarom bij die bevalling antibiotica toegediend, ook al werd zij bij een hertest GBS-negatief bevonden. Zij heeft ter zitting verklaard dat de positieve GBS-kweek maakt dat zij een blijvend GBS-drager is. Bij de tweede zwangerschap kreeg klaagster bij de bevalling ten onrechte geen antibiotica waardoor haar kind ernstig ziek is geworden. Klaagster heeft een trauma opgelopen doordat haar zoon onnodig ziek is geworden en erg heeft moeten lijden en zij heeft hiervoor EMDR-therapie ondergaan.

NaN. Het standpunt van beklaagde

Beklaagde heeft de klachten en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Beklaagde wijst erop dat uit de eerder afgenomen kweek bleek dat er geen GBS-bacterie aanwezig was. Het protocol en de richtlijnen spreken zich er niet uit over uit of een eerder afgenomen GBS-test bij 35 tot 37 weken moet worden herhaald. Beklaagde voert verder aan dat er twee vormen van GBS-infectie bestaan, een vroege vorm die binnen een week na de bevalling ontstaat en een late vorm die tussen een week en drie maanden na de bevalling ontstaat. De zoon werd na zes weken ziek, waardoor het toedienen van antibiotica tijdens de bevalling deze ziekte niet had kunnen voorkomen. Voor het toedienen van antibiotica bestond ook geen indicatie. Voor zover nodig wordt hieronder verder op het standpunt van beklaagde ingegaan.

NaN. De beoordeling

NaN. Bij het antwoord op de vraag of beklaagde tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld in de zin van art. 47, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) staat het persoonlijk handelen van beklaagde centraal. Ter toetsing staat of beklaagde bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het door klaagster klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep terzake als norm was aanvaard.

NaN. Klachtonderdeel a: geen tweede GBS-kweekKlaagster had bij opname in het ziekenhuis bij een zwangerschap van 30 weken 2 cm ontsluiting en het was de verwachting dat zij binnen afzienbare tijd zou bevallen. In verband met een dreigende vroeggeboorte, is bij klaagster zowel een vaginale- als een urinekweek afgenomen, die beide GBS-negatief waren. Het op deze wijze vaststellen van de GBS-status is volgens de richtlijn ‘Intrapartum antibiotica op basis van risicofactoren bij early-onset neonatale infecties’ (hierna: ‘de richtlijn’) geïndiceerd bij een dreigende vroeggeboorte. Uit de richtlijn blijkt verder dat overwogen moet worden om bij 35-37 weken zwangerschap een GBS-kweek te maken indien er sprake is van een GBS-kolonisatie tijdens een voorgaande zwangerschap, zoals bij klaagster aan de orde was, maar de richtlijn bespreekt niet of indien eerder in dezelfde zwangerschap al een kweek is afgenomen, deze bij 35-37 weken moet worden herhaald. Beklaagde heeft dan ook niet gehandeld in strijd met de richtlijn. Van belang is voorts dat het interval tussen het afnemen van de kweek en de geboorte naar het oordeel van het College niet onverantwoord lang is geweest.Dit klachtonderdeel is ongegrond.

NaN. Klachtonderdeel b: geen antibiotica bij de bevalling toegediend

Beklaagde heeft conform de richtlijn gehandeld door klaagster bij de bevalling geen antibiotica te geven. Uit het medisch dossier blijkt dat de bij klaagster afgenomen GBS-testen negatief waren en dat daarna op de polikliniek door de behandelend gynaecoloog in het dossier is aangetekend dat het toedienen van antibiotica bij de bevalling niet geïndiceerd was. Dit beleid is conform de richtlijn. Niet is gebleken dat er een aanleiding was om het eerder uitgezette beleid te wijzigen. De later door klaagster geconsulteerde kinderarts heeft gesteld dat zij vanwege de GBS-infectie bij haar zoon, bij een volgende zwangerschap met antibiotica moet bevallen, maar daaruit volgt niet dat beklaagde onjuist heeft gehandeld door tijdens de bevalling geen antibiotica toe te dienen. Het College overweegt voorts dat er geen wetenschappelijk bewijs is dat het profylactisch toedienen van antibiotica een late vorm van een GBS-infectie voorkomt. Beklaagde voert verder terecht aan dat het toedienen van antibiotica ook nadelen kent, zodat wordt gestreefd naar een zo laag mogelijk preventief gebruik van antibiotica.

Dit klachtonderdeel is ongegrond.


Klachtonderdeel c: gebrekkige communicatie

NaN. Dit klachtonderdeel valt in twee punten uiteen. Het eerste punt betreft de communicatie over de uitslag van de kweek in relatie tot het beleid om wel/geen antibiotica bij de bevalling toe te dienen. Het tweede punt betreft de communicatie bij ontslag uit het ziekenhuis. Klaagster had op dat moment geïnformeerd willen worden over de mogelijkheid van een late vorm van een GBS-infectie. Het College merkt op dat beklaagde tot de dag van de bevalling niet betrokken was bij de prenatale zorg van klaagster en evenmin bij het ontslaggesprek; zij was enkel als de dienstdoende gynaecoloog op het moment van de bevalling zo nodig beschikbaar. Indien en voor zover de communicatie in het voortraject of het natraject ontoereikend zou zijn geweest, kan beklaagde daar dus geen verwijt van worden gemaakt.

Dit klachtonderdeel is ongegrond.

NaN. Niet kan worden geconcludeerd dat beklaagde heeft gehandeld in strijd met de zorg die zij ten opzichte van klaagster behoorde te betrachten.

NaN. Het College merkt ten slotte op dat binnen het G het eigen beleid kritisch is bekeken met als gevolg dat hun lokaal geldende protocol is aangescherpt op het punt van de communicatie en dat daarin nu is opgenomen dat moet worden overwogen om ingeval van een eerder gemaakte GBS-kweek deze bij 35-37 weken te herhalen. Naar het oordeel van het College volgt uit deze aanpassingen evenwel niet dat het handelen van beklaagde ten tijde van de bevalling van klaagster ontoereikend is geweest.

NaN. De klacht zal ongegrond worden verklaard.

6.         De beslissing


Het College:

  • verklaart de klacht ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door M.M. van ‘t Nedereind, voorzitter, J.W. de Leeuw en J.M. Burggraaff, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door Y.M.C. Bouman, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2022.