ECLI:NL:TGZRSGR:2022:1 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag D2021/2247
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSGR:2022:1 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 11-01-2022 |
| Datum publicatie: | 11-01-2022 |
| Zaaknummer(s): | D2021/2247 |
| Onderwerp: | Onvoldoende informatie |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Ongegronde klacht tegen een gz-psycholoog. Klaagster klaagt over de behandeling van haar dochter. De klacht van klaagster bestaat uit meerdere onderdelen en heeft voornamelijk betrekking op het zonder toestemming van klaagster verstrekken van (onjuiste) informatie over haar dochter aan derden en het onvoldoende informeren van de ouders. Alle klachtonderdelen kennelijk ongegrond verklaard. |
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:
A ,
wonende te B,
klaagster,
tegen:
C , Gz-psycholoog,
(destijds) werkzaam te D,
verweerster,
gemachtigde: mr. O.L. Nunes werkzaam te Utrecht.
NaN. De procedure
NaN. Het college heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 4 januari 2021;
- het verweerschrift met bijlagen;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 14 juni 2021;
- de brief van klaagster, ingekomen op 12 augustus 2021.
1.2 Het college heeft de klacht op 30 november 2021 in raadkamer behandeld.
2. Waar gaat de zaak over?
2.1 Klaagster is de moeder van de op april 2010 geboren E (hierna: E). E is vanaf juli 2017 onder behandeling bij F (hierna: F). Zij is daar op verzoek van klaagster en haar echtgenoot (hierna: de ouders) door de huisarts aangemeld in verband met problemen op school. De hulpvraag van de ouders van E was wat er nodig was haar weer naar school te krijgen en wat er nodig was om haar ontwikkeling in brede zin op gang te krijgen. E werd bij F behandeld en begeleid door een multidisciplinair team. Verweerster was van 27 oktober 2017 tot 1 december 2018 hoofdbehandelaar van E. Zij had het hoofdbehandelaarschap overgenomen van G, kinder- en jeugdpsychiater (hierna: de psychiater). De psychiater was na de overdracht nog wel medebehandelaar en voerde de medicatiebegeleiding uit onder coördinatie van de verweerster.
2.2 Naast de behandeling van E vond er ouderbegeleiding en gezinsobservatie plaats. Gedurende de behandeling hebben meerdere evaluatiegesprekken plaatsgevonden waarbij de ouders van E, verweerster en andere behandelaren aanwezig waren.
2.3 Op 13 februari 2018 is in het H bij E een hartfilmpje (ECG) gemaakt. Het ECG bleek om technische redenen niet bruikbaar. Er is geen nieuw ECG gemaakt omdat hier later geen indicatie meer voor bestond. Per brief van 19 februari 2018 is E verwezen naar het revalidatiecentrum omdat er een vermoeden was van een motorische ontwikkelingsstoornis (DCD).
2.4 Klaagster is ontevreden over de aan E gegeven zorg en de begeleiding van de ouders. De klacht van klaagster heeft voornamelijk betrekking op het zonder toestemming van klaagster verstrekken van (onjuiste) informatie over E aan derden en het onvoldoende informeren van de ouders van E.
3. De klacht
Volgens klaagster heeft verweerster onzorgvuldig gehandeld omdat zij:
1. telefonisch contact heeft gehad met de revalidatiearts zonder dat klaagster hiervan op de hoogte was en hier toestemming voor had gegeven;
2. onjuiste medische informatie heeft gegeven aan de revalidatiearts zonder toestemming van de ouders van E;
3. door het geven van onjuiste informatie heeft veroorzaakt dat E niet kon deelnemen aan het DCD-onderzoek. Dit heeft tot gevolg gehad dat E niet meer naar school mocht en dat er voor haar een schooljaar verloren is gegaan;
4. nalatig is geweest in het informeren van klaagster over het contact dat de psychiater met de gemeente heeft gehad;
5. zonder toestemming van klaagster contact heeft gehad met het samenwerkingsverband en hierbij informatie over E heeft verstrekt;
6. klaagster onvoldoende heeft geïnformeerd over de medicatie die E nodig heeft voor haar slaapproblemen, nachtmerries en suïcidale gedachten; en
7. klaagster onvoldoende heeft geïnformeerd over het gecancelde vierde
evaluatiegesprek.
4. Het verweer
Verweerster heeft de klacht bestreden. Het verweer wordt voor zover nodig hierna verder besproken.
5. Wat zijn de overwegingen van het college?
Aan welke criteria toetst het college?
5.1 Het college moet beoordelen of verweerster als gz-psycholoog de zorg heeft verleend die van haar mocht worden verwacht. De norm daarvoor is een ‘redelijk bekwame en redelijk handelende’ gz-psycholoog. In het tuchtrecht gaat het verder om de persoonlijke betrokkenheid van de verweerster. Het college komt tot de conclusie dat verweerster niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het college licht deze beslissing hieronder toe.
5.2 Geen toestemming contact revalidatiearts (klachtonderdeel 1)
Verweerster heeft toegelicht dat tijdens een gesprek met de ouders van E op 25 juni 2018 is afgesproken dat verweerster en de psychiater contact zouden opnemen met het revalidatiecentrum om vragen over de medicatie en de behandeling te bespreken. Dit blijkt ook uit de notitie van dat gesprek. Hieruit volgt dat klaagster op de hoogte was van het contact met het revalidatiecentrum. Hoewel niet expliciet is genoteerd dat er toestemming is gegeven voor contact met het revalidatiecentrum, heeft het college geen aanleiding te veronderstellen dat verweerster geen toestemming heeft verkregen. Dit klachtonderdeel is ongegrond.
5.3 Onjuiste informatieverstrekking aan revalidatiearts (klachtonderdeel 2)
Ter toelichting op dit klachtonderdeel stelt klaagster dat verweerster op drie punten onjuiste informatie heeft verstrekt: (1) dat het IQ van E lager is dan 70 (2) dat klaagster en haar echtgenoot gesprekken hebben gehad met het samenwerkingsverband over het schooladvies en (3) dat het ECG niet bruikbaar was. Klaagster onderbouwt dit met een afdruk van de decursus van de revalidatiearts.
5.3.1 Het college kan uit de decursus niet afleiden dat aan de revalidatiearts informatie over het IQ van E is doorgegeven. Op basis van het dossier heeft het college verder ook niet kunnen vaststellen dat er onjuiste IQ-scores aan derden zijn doorgegeven.
5.3.2 In het samenwerkingsverband werken scholen samen met als opdracht om voor elk kind in de regio een passende school te vinden. Verweerster stelt dat zij tijdens het telefoongesprek met de revalidatiearts uitleg heeft gegeven over de wijze waarop in het algemeen een procedure verloopt waarbij het samenwerkingsverband is betrokken. In de decursus van de revalidatiearts is hierover vermeld:
“Het samenwerkingsverband heeft gesprekken met ouders over het schooladvies, nu cluster 3, ouders wensen cluster 4. Dat stukje wordt onderzocht bij F.”
Volgens verweerster leidt klaagster hier ten onrechte uit af dat verweerster heeft gezegd dat de ouders van E (reeds) gesprekken zouden hebben gehad met het samenwerkingsverband. Het college kan op basis van deze aantekening niet vaststellen wat verweerster hierover precies heeft gezegd maar vindt geen bewijs dat verweerster iets anders heeft gezegd dan zij stelt, wat tuchtrechtelijk niet verwijtbaar is. Hierbij moet worden opgemerkt dat het gaat om een aantekening van de revalidatiearts, zodat een eventuele onduidelijke formulering niet verweerster kan worden aangerekend.
5.3.3 In de brief van de kindercardioloog van 30 juli 2018 is vermeld dat het ECG van 13 februari 2018 om technische redenen niet te beoordelen was. Verweerster heeft toegelicht dat in het verslag van het evaluatiegesprek van 3 april 2018 per abuis genoteerd is dat het ECG goed was, maar dat dit naderhand is gecorrigeerd met excuses voor de verschrijving. Het college is van oordeel dat deze verschrijving niet tuchtrechtelijk verwijtbaar is.
Dit klachtonderdeel is ook ongegrond.
5.4 Geen deelname aan DCD-onderzoek door onjuiste informatie (klachtonderdeel 3)
Nu niet is vastgesteld dat er onjuiste informatie is verstrekt, is het college van oordeel dat dit klachtonderdeel geen zelfstandige betekenis meer heeft. Verweerster stelt daarnaast dat er geen verband is tussen de door verweerster verstrekte informatie, het verrichten van het DCD-onderzoek en de mogelijkheid voor E om weer naar school te gaan. Uit de brief van de revalidatiearts van 7 augustus 2018 blijkt dat er bij het revalidatiecentrum sprake was van een wachttijd voor een intake. Verweerster heeft hierbij geen persoonlijke betrokkenheid gehad. Ook om die reden is dit klachtonderdeel ongegrond.
5.5 Nalatig in informatie contact psychiater en gemeente (klachtonderdeel 4)
Ten aanzien van dit klachtonderdeel verwijst klaagster naar bewijsstuk 5 bij het klaagschrift. Verweerster stelt dat de psychiater voor zover haar bekend geen informatie aan de gemeente of een leerplichtambtenaar heeft verstrekt, zodat klaagster hierover ook niet geïnformeerd hoefde te worden. Ook in de brief van de directeur patiëntenzorg van 12 december 2018 aan de ouders is opgenomen dat er geen inhoudelijke informatie aan de gemeente of het samenwerkingsverband is gegeven. Zoals in het verweerschrift is opgemerkt ontbreekt bewijsstuk 5 bij het klaagschrift, zodat niet duidelijk is waar verweerster op moet reageren. Ondanks deze opmerking heeft klaagster het bewijsstuk niet alsnog overgelegd. Zij was ook niet aanwezig op het vooronderzoek om dit nader toe te lichten. Nu dit klachtonderdeel niet door klaagster is onderbouwd, is het ongegrond. Het college ziet overigens ook geen aanwijzingen dat er inhoudelijke informatie aan de gemeente is verstrekt.
5.6 Contact met samenwerkingsverband zonder toestemming (klachtonderdeel 5)
Het college heeft evenmin kunnen vaststellen dat verweerster informatie over E aan het samenwerkingsverband heeft verstrekt. Verweerster heeft verklaard dat er ten tijde van het contact met de revalidatiearts geen contact met het samenwerkingsverband is gelegd. Ook in de hierboven genoemde brief van de directeur patiëntenzorg is vermeld dat er geen informatie aan het samenwerkingsverband is verstrekt. Hieruit volgt dat ook het vijfde klachtonderdeel niet gegrond is.
5.7 Onvoldoende geïnformeerd over medicatie
Op 31 oktober 2018 hebben de ouders van E een e-mail aan verweerster verzonden waarin zij hun zorgen uitten over het welzijn van E. Verweerster heeft op 1 november 2018 hierop gereageerd en de ouders uitgenodigd voor een gesprek met E en haar mentor. Volgens verweerster hebben de ouders hier geen gehoor aan gegeven. Het college overweegt dat de voorlichting over het medicatiebeleid in eerste instantie een taak is van de psychiater en dat verweerster hierover geen persoonlijk tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Er was bovendien op dat moment geen indicatie om E medicatie voor te schrijven dus hoefden de ouders hierover ook niet over te worden voorgelicht. Daarnaast is het college van oordeel dat verweerster de ouders voldoende in de gelegenheid heeft gesteld om hierover in gesprek te gaan. Dat de ouders van E hier kennelijk geen gebruik van hebben gemaakt, kan niet aan verweerster worden tegengeworpen. Dit klachtonderdeel is eveneens ongegrond.
5.8 Onvoldoende geïnformeerd over het vierde evaluatiegesprek (klachtonderdeel 7)
Volgens klaagster had het vierde evaluatiegesprek in september 2018 moeten plaatsvinden, maar is het gesprek zonder nadere toelichting een aantal keer verplaatst en uiteindelijk gepland op 4 december 2018. Toen ouders op 4 december 2018 bij F arriveerden, bleek dat de afspraak geen doorgang zou vinden. Verweerster heeft verklaard dat zij niet meer kan achterhalen hoe het maken van de afspraken is verlopen, maar dat het mogelijk is dat het gesprek, waarvoor meerdere hulpverleners benodigd waren, vanwege agendatechnische redenen meerdere keren is uitgesteld. Uit de overgelegde stukken kan het college niet opmaken hoe de communicatie hierover is verlopen. Het college begrijpt dat het voor de ouders van E heel vervelend is dat de afspraak meerdere keren is verplaatst, vooral ook omdat klaagster tijdens dit gesprek een aantal vragen aan de behandelaren wilde stellen. Het college is van oordeel dat deze gang van zaken geen schoonheidsprijs verdient, maar dat het te ver voert te stellen dat er sprake is van een tuchtrechtelijk verwijt. Bovendien is niet duidelijk in hoeverre verweerster betrokken was bij de annulering van het geplande gesprek op 4 december 2018, aangezien zij op dat moment niet meer werkzaam was bij F. Ook dit laatste verwijt is ongegrond.
Conclusie
5.8 Verweerster kan met betrekking tot de klachtonderdelen geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg worden gemaakt. Het college zal daarom beslissen dat de klacht kennelijk ongegrond is.
NaN. De beslissing
De klacht is kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 11 januari 2022 door E.F. Brinkman, voorzitter, E.B. Schaafsma-van Campen, lid-jurist, Th.A.M. Deenen, C.H.J.A.M. van de Vijfeijken en T.A.W. van der Schoot, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door L.B.M. van ‘t Nedereind, secretaris.