ECLI:NL:TGZRSGR:2021:22 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2020-038
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSGR:2021:22 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 26-01-2021 |
| Datum publicatie: | 26-01-2021 |
| Zaaknummer(s): | 2020-038 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen een anesthesioloog. Klager stelt dat de complicaties vermijdbaar waren en het gevolg zijn van onjuist en niet volgens de professionele standaard handelen bij het inbrengen van de vena jugularislijn. Uit het medisch dossier blijkt echter niet dat er van de destijds geldende norm is afgeweken of dat zich een bijzondere situatie heeft voorgedaan. Het College is het niet eens met klager dat beklaagde ten onrechte geen echografie heeft gebruikt. Het overige klachtonderdeel is ook ongegrond verklaard. Klacht kennelijk ongegrond verklaard. |
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:
A ,
wonende te B,
klager,
gemachtigde: mr. J.A.M. van der Sande, werkzaam te Rotterdam,
tegen:
C, anesthesioloog,
werkzaam te D,
beklaagde,
gemachtigde: mr. W.R. Kastelein, werkzaam te Utrecht.
1. Het verloop van de procedure
1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 19 maart 2020;
- het verweerschrift;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 13 oktober 2020;
- de brief van klager met bijlagen, ingekomen op 6 oktober 2020.
1.2 Het College heeft de klacht op 15 december 2020 in raadkamer behandeld.
2.
De feiten
2.1
Klager onderging op 24 maart 2010 in het E Ziekenhuis te D een aortaklepvervanging
door een minithoracotomie. Verweerder heeft daarbij een centrale lijn via de vena
subclavia rechts en een centrale lijn via de vena jugularis rechts aangebracht.
2.2 In de ontslagbrief van 30 maart 2010 staat bij het postoperatief beloop vermeld: “Het postoperatief beloop werd gecompliceerd door sterk verhoogde infectieparameters zonder duidelijk focus. Hierop werd gestart met profylactische antibiotische behandeling (Rocephin). Na adequate behandeling en ook sterke daling van de infectieparameters werd de antibiotica gestaakt. Het verdere postoperatieve beloop was ongecompliceerd, de wondgenezing verliep voorspoedig en de laboratoriumwaarden normaliseerden zich. Bij ontslag kon de patiënt traplopen. De patiënt werd op 30-03-2010 in goede conditie naar huis ontslagen.”
2.3 Op 14 april 2010 meldde klager zich bij de polikliniek neurologie in verband met pijn en krachtverlies in zijn rechterbovenarm en rechterschouder. De MRI van 28 juli 2010 toonde geen afwijkingen maar op de EMG van 5 oktober 2010 was een beeld passend bij een bovenste plexuslaesie te zien.
3.
De klacht
De klacht luidt – zakelijk weergegeven - als volgt:
1) Beklaagde heeft bij het inbrengen van de vena jugularislijn onjuist en niet volgens de professionele standaard gehandeld, waardoor een vermijdbare complicatie is ontstaan. Toen klager uit de anesthesie ontwaakte, had hij last van een afhangend ooglid rechts, een bloeduitstorting in de hals rechts ter hoogte van de punctieplaats van de ingebrachte vena jugularislijn en een hevige pijn in de rechterarm.
2) Beklaagde heeft geen informatie over de complicaties bij en de gevolgen van het inbrengen van de centraal veneuze lijn in het medisch dossier opgenomen.
4. Het standpunt van beklaagde
De beklaagde heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.
5.
De beoordeling
eerste klachtonderdeel: het veroorzaken van een vermijdbare complicatie
5.1 Het College merkt op dat in het algemeen de complicaties van het inbrengen van een centraal veneuze katheter in de vena jugularis interna weinig frequent, gering en van voorbijgaande aard zijn. De uitval waardoor het oog afhangt komt relatief vaak voor; uitval van de plexus brachialis is zeldzaam. Deze uitvalsverschijnselen zijn vrijwel altijd binnen een paar dagen verdwenen.
5.2 Klager stelt dat de complicaties vermijdbaar waren en het gevolg zijn van onjuist en niet volgens de professionele standaard handelen bij het inbrengen van de vena jugularislijn. Uit het medisch dossier blijkt echter niet dat er van de destijds geldende norm is afgeweken of dat zich een bijzondere situatie heeft voorgedaan. Het College is het niet eens met klager dat beklaagde ten onrechte geen echografie heeft gebruikt. De richtlijn waarnaar wordt verwezen dateert van 2016, zijnde zes jaar na de bewuste operatie, is bovendien niet afkomstig van de Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie (de wetenschappelijke vereniging), maar van de Nederlandse Vereniging voor Intensive Care (een multidisciplinair samenwerkingsverband op het terrein van intensieve zorg) en kan dus niet worden beschouwd als de professionele standaard die voor beklaagde gold ten tijde van de behandeling van klager.
Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
tweede klachtonderdeel: het niet vermelden van de complicatie
5.3 Klager heeft tijdens het mondeling vooronderzoek verklaard dat hij, in tegenstelling tot zijn stelling in het klaagschrift, zich thans herinnert dat hij niet direct na de operatie met beklaagde heeft gesproken. Beklaagde heeft verklaard dat hij in die tijd niet structureel visite op de intensive care liep en kan zich evenmin een dergelijk gesprek met klager herinneren. Het medisch dossier bevat hier ook geen aantekening van. Gezien het vorenstaande moet ervan uit worden gegaan dat klager en beklaagde elkaar na de operatie niet meer hebben gesproken. Hiervan uitgaande kan niet worden gesteld dat beklaagde is tekortgeschoten bij het maken van notities in het medisch dossier van klager. Overigens staat in de medische en verpleegkundige status, alsmede in het operatie- en anesthesieverslag niets vermeld over de klachten die reden zijn voor de huidige tuchtzaak. In de rapportages staat vermeld dat het goed met klager ging, met uitzondering van de wondinfectie. Er staat dat de pijn onder controle is en dat klager voor het algemeen dagelijks leven zelfstandig was. Ook de cardiothoracaal chirurg meldt in zijn brief geen complicatie met betrekking tot de plexus brachialis.
Dit klachtonderdeel is ook kennelijk ongegrond.
5.4 Om bovenstaande redenen zal het College zonder nader onderzoek beslissen dat de klacht kennelijk ongegrond is.
6.
De beslissing
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag beslist als volgt:
de klacht is kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 26 januari 2021 door E.J. Daalder, voorzitter, E.M. Deen, lid-jurist, G.L. Bremer, S. Veersema en R.J. Stolker, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door Y.M.C. Bouman, secretaris.
voorzitter secretaris
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
a. Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
b. Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
c. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.