ECLI:NL:TGZRSGR:2021:153 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag D2021/2160

ECLI: ECLI:NL:TGZRSGR:2021:153
Datum uitspraak: 22-12-2021
Datum publicatie: 22-12-2021
Zaaknummer(s): D2021/2160
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen een huisarts. Klaagster verwijt beklaagde dat zij haar buikklachten niet serieus heeft genomen en haar onvoldoende aandacht, begrip en uitleg heeft gegeven. Uit het medisch dossier blijkt dat beklaagde meerdere keren klaagster heeft doorverwezen voor nader onderzoek door verschillende specialisten. Ook heeft bij klaagster  verschillende keren bloedonderzoek, urineonderzoek of radiologisch onderzoek plaats gevonden. Er zijn naar het oordeel van het College geen aanwijzingen dat beklaagde de klachten van klaagster niet serieus heeft genomen. Het College heeft ook geen aanwijzingen dat beklaagde klaagster onvoldoende aandacht, begrip en uitleg heeft gegeven. Uit het afschrift van het patiëntendossier van klaagster, zoals dat bij het verweerschrift is gevoegd, komt een beeld van beklaagde naar voren van een betrokken arts, die zich tot het uiterste heeft ingespannen om een oorzaak te vinden voor de klachten van klaagster en die hiertoe verschillende interventies heeft ingezet. Dat deze inspanningen van beklaagde niet hebben kunnen voorkomen dat bij klaagster uiteindelijk een tumor in de buik moest worden geconstateerd is zeer spijtig, maar niet aan beklaagde te verwijten. Klacht kennelijk ongegrond verklaard.

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:

A,

wonende te B,

klager,

tegen:

C , huisarts,

werkzaam te B,

beklaagde,

gemachtigde: mr. M.H.M. Mook, werkzaam te Leusden.

1.       Het verloop van de procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 18 maart 2021;
  • het aanvullend klaagschrift;
  • het verweerschrift met bijlagen;
  • het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 16 september 2021.

1.2 Het College heeft de klacht op 10 november 2021 in raadkamer behandeld.

2. De feiten

2.1 Uit het medisch dossier blijkt dat klaagster diabetes heeft en sinds 2004 bekend is met chronische buikklachten. Beklaagde is huisarts en heeft sinds 2008 verschillende contacten gehad met klaagster. Ook collega huisartsen hebben klaagster in die periode gezien. In juni 2020 is bij klaagster een tumor ontdekt in haar dunne darm.

2.2 Met betrekking tot klaagsters buikklachten blijkt uit het medisch dossier in de periode van 2008 tot 2020 onder andere het volgende:

  • In april 2009 is klaagster door beklaagde doorverwezen naar interne geneeskunde. In de brief van interne geneeskunde van 1 september 2009 staat vermeld dat er geen afwijkingen zijn gevonden behalve een vervette lever (steatosis hepatis).
  • In de brief van 30 april 2010 van de gynaecoloog staat dat er geen afwijkingen zijn gevonden.
  • In oktober 2010 is er op verzoek van de huisarts een echo gemaakt van klaagsters buik. Er zijn geen afwijkingen gevonden.
  • Op 10 maart 2015 is de spiraal bij klaagster verwijderd nadat beklaagde klaagster had doorverwezen naar gynaecologie.
  • Op 4 mei 2016 is er op verzoek van beklaagde wederom een echo gemaakt van klaagsters buik. Er zijn geen afwijkingen gevonden.
  • Op 6 mei 2017 is klaagster door beklaagde verwezen naar de MDL-arts.
  • In 2017 en 2018 is klaagsters urine op kweek gezet. Er zijn geen afwijkingen aangetroffen.
  • Op 6 maart 2019 is op verzoek van beklaagde nogmaals een echo van de buik verricht. Er zijn geen afwijkingen aangetroffen. De radioloog suggereerde om klaagster door te verwijzen naar een MDL-arts in verband met de vergrote lever.
  • Klaagster is hierop doorverwezen naar een MDL-arts. In de brief van de MDL-arts van 10 april 2019 staat dat er sprake is van steatosis hepatis bij al langer matig gereguleerd diabetes. Voorts staat vermeld: PDS, Carcinofobie, zonder aanwijzingen voor maligniteit.

2.3 Naast de consulten op 20 april 2009, 6 mei 2016 en 1 maart 2019 waarin beklaagde klaagster heeft doorverwezen, heeft beklaagde klaagster gezien op 10 november 2008,

7 en 21 januari 2009, 9 februari 2009, 21 september 2020, 7 december 2016, 6 januari 2017 en 26 april 2019. Zowel na het consult op 10 november 2008 als na 21 januari 2009 heeft beklaagde klaagsters bloed laten onderzoeken.
 

3. De klacht

Klaagster verwijt de beklaagde – zakelijk weergegeven – dat zij:

1. haar buikklachten niet serieus heeft genomen;

2. onvoldoende aandacht, begrip en uitleg heeft gegeven.

4. Het standpunt van beklaagde

De beklaagde heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.
 

5. De beoordeling

5.1 Het College stelt voorop dat het bij de tuchtrechtelijke beoordeling van beroepsmatig handelen niet gaat om de vraag of dat handelen beter had gekund. Er moet een antwoord worden gegeven op de vraag of de aangeklaagde beroepsbeoefenaar binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven. Daarbij moet rekening worden gehouden met de stand van de wetenschap ten tijde van het handelen en met wat toen in de beroepsgroep als norm was aanvaard. 

5.2 Uit het medisch dossier blijkt dat beklaagde meerdere keren klaagster heeft doorverwezen voor nader onderzoek door verschillende specialisten. Ook heeft bij klaagster  verschillende keren bloedonderzoek, urineonderzoek of radiologisch onderzoek plaats gevonden. Er zijn naar het oordeel van het College geen aanwijzingen dat beklaagde de klachten van klaagster niet serieus heeft genomen.

5.3 Het College heeft ook geen aanwijzingen dat beklaagde klaagster onvoldoende aandacht, begrip en uitleg heeft gegeven. Zoals blijkt uit het voorgaande, heeft beklaagde klaagsters klachten wel degelijk serieus genomen en is er steeds zorgvuldig onderzoek gedaan naar haar klachten. Uit het afschrift van het patiëntendossier van klaagster, zoals dat bij het verweerschrift is gevoegd, komt een beeld van beklaagde naar voren van een betrokken arts, die zich tot het uiterste heeft ingespannen om een oorzaak te vinden voor de klachten van klaagster en die hiertoe verschillende interventies heeft ingezet. Dat deze inspanningen van beklaagde niet hebben kunnen voorkomen dat bij klaagster uiteindelijk een tumor in de buik moest worden geconstateerd is zeer spijtig, maar niet aan beklaagde te verwijten.

5.4 Om bovenstaande redenen zal de klacht kennelijk ongegrond worden verklaard.

5.5 Voor toewijzing van de door klaagster gevraagde schadevergoeding is in deze tuchtrechtelijke procedure geen plaats.

6. De beslissing

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag beslist als volgt:

verklaart de klacht kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven op 22 december 2021 door Y.J. Wijnnobel-van Erp, voorzitter, I.K. Spros, lid-jurist, M. Bezemer, B. van Ek en V.M. Schijf, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door B. Dekker, secretaris.