ECLI:NL:TGZRSGR:2021:151 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag D2021/2456-2020-191b

ECLI: ECLI:NL:TGZRSGR:2021:151
Datum uitspraak: 22-12-2021
Datum publicatie: 22-12-2021
Zaaknummer(s): D2021/2456-2020-191b
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Ongegronde klacht tegen een huisarts. Klaagster heeft beklaagde tijdens het inloopspreekuur verteld dat zij een seksuele relatie had met een college van beklaagde. Klaagster verwijt beklaagde dat zij daarna geen enige vorm van hulp heeft verleend. Hoewel het College vindt dat beklaagde voortvarender had kunnen handelen, is zij van oordeel dat haar tuchtrechtelijk geen verwijt gemaakt kan worden. Beklaagde heeft, zo is gebleken, hetgeen haar is verteld niet zomaar naast haar neergelegd, maar heeft nagedacht over de acties die zij moest en kon ondernemen. De beslissing om met de collega in kwestie de informatie te bespreken, is een goede. Het is evenwel invoelbaar dat zij de collega huisarts niet tijdens zijn vakantie hierover heeft gebeld. Het bellen van de KNMG is ook een juiste beslissing geweest. Voorstelbaar was echter geweest dat zij de KNMG nadat zij niet teruggebeld was, nogmaals had gebeld. Zoals gezegd maakt dit het handelen van beklaagde niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Klacht ongegrond verklaard.

Datum uitspraak: 22 december 2021

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:

A ,

wonende te B,

klaagster,

tegen:

C , huisarts,

werkzaam te B,

beklaagde,

gemachtigde: mr. M.J. de Groot, werkzaam te Hilversum.

1. Het verloop van de procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 22 december 2021;
  • het verweerschrift;
  • het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 30 april 2021;
  • de reactie van klaagster op het proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek;
  • de reactie van de gemachtigde van beklaagde op het proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek.

1.2 De mondelinge behandeling door het College heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 10 november 2021. De partijen, waarbij beklaagde is bijgestaan door haar gemachtigde, zijn verschenen en hebben hun standpunten mondeling toegelicht.

2. De feiten

2.1 Klaagster is patiënte van een collega huisarts (hierna: de collega) in de praktijk ‘huisartsenpraktijk D te E, waar beklaagde als huisarts werkzaam is.

2.2 Op 27 juli 2017 is klaagster op het korte inloopspreekuur verschenen. Beklaagde nam dat inloopspreekuur af ter vervanging van een zieke verpleegkundig specialist die normaliter dit spreekuur draait.

2.3 Tijdens het inloopspreekuur heeft klaagster verzocht om een SOA-test en heeft ter toelichting daarop aan beklaagde verteld dat zij een seksuele relatie had met de collega.

3. De klacht

Klaagster verwijt beklaagde, zakelijk weergegeven, dat zij haar zorgplicht als huisarts verzaakt heeft. Beklaagde heeft klaagster, nadat zij had verteld over de seksuele relatie met de collega huisarts, tijdens het spreekuur én daarna geen enige vorm van hulp verleend, haar collega niet aangesproken op de seksuele relatie met een patiënte en geen melding hiervan gemaakt bij de werkgever.

4. Het standpunt van beklaagde

Beklaagde heeft de klachten en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Zij heeft aangevoerd dat zij weldegelijk hulp heeft verleend aan klaagster. Zo heeft zij klaagster tijdens het spreekuur gezegd dat zij melding moest maken van de seksuele relatie, maar dat wilde klaagster niet, aldus beklaagde. Op verzoek van klaagster is ‘privé’ als term opgenomen in het medisch journaal. Voorts zegt beklaagde dat zij heeft voorgesteld dat de praktijkmanager of directeur met haar contact op kon nemen en heeft zij de contactgegevens van de klachtenfunctionaris ter plekke opgezocht. Ook is besproken dat klaagster naar een andere huisarts kon overstappen.

5. De beoordeling

5.1 Het College dient te beoordelen of de beklaagde door haar handelen is tekort geschoten in de in acht te nemen zorgvuldigheid ten opzichte van klaagster, dan wel dat zij heeft gehandeld in strijd met hetgeen een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt. Het College stelt vast dat de lezing van klaagster en beklaagde over hetgeen er besproken is tijdens het inloopspreekuur uiteenlopen op diverse punten. Zo zegt klaagster dat beklaagde niet heeft gezegd dat zij melding moest maken van de seksuele relatie; slechts het opperen van een andere huisarts is volgens klaagster aan de orde geweest. Beklaagde bestrijdt dit, zoals hierboven vermeld.

5.2 Het College is niet bij het inloopspreekuur aanwezig geweest en kan dan ook niet vaststellen wat precies over en weer is gezegd, wat de bedoeling van het gezegde is geweest en hoe dit is opgevat. Dat brengt mee dat niet kan worden vastgesteld dat beklaagde  klachtwaardig heeft gehandeld. Dit oordeel berust niet op het uitgangspunt dat het woord van klaagster minder geloof verdient dan dat van beklaagde, maar op de omstandigheid dat voor het oordeel of een bepaalde verweten gedraging tuchtrechtelijk verwijtbaar is, eerst moet worden vastgesteld welke feiten daaraan ten grondslag gelegd kunnen worden. Deze feiten kan het College dus, ook als aan het woord van klaagster en beklaagde evenveel geloof wordt gehecht, hier niet vaststellen.

5.3 Het College overweegt met betrekking tot de vraag of beklaagde zich heeft gedragen zoals een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt, dat zij ter zitting heeft aangegeven dat zij de collega huisarts na diens vakantie van drie weken wilde aanspreken op hetgeen haar door klaagster was verteld. Daags na het gesprek met klaagster heeft zij de KNMG gebeld om advies te krijgen over hoe zij diende te handelen in dit geval. Beklaagde zat in tweestrijd met de door klaagster gegeven informatie: zij had een beroepsgeheim met betrekking tot hetgeen haar tijdens het spreekuur was verteld door klaagster, maar voelde ook een zorgplicht gelet op het door klaagster meegedeelde grensoverschrijdend gedrag van een collega. Vanwege drukte bij de KNMG heeft zij een terugbelverzoek gedaan. Ter zitting heeft beklaagde gesteld dat zij niet is teruggebeld en ook in de daaropvolgende weken voor terugkomst van de collega huisarts, niet opnieuw contact heeft gezocht met het KNMG.

5.4 Hoewel het College vindt dat beklaagde voortvarender had kunnen handelen, is zij van oordeel dat haar tuchtrechtelijk geen verwijt gemaakt kan worden. Beklaagde heeft, zo is gebleken, hetgeen haar is verteld niet zomaar naast haar neergelegd, maar heeft nagedacht over de acties die zij moest en kon ondernemen. De beslissing om met de collega in kwestie de informatie te bespreken, is een goede. Het is evenwel invoelbaar dat zij de collega huisarts niet tijdens zijn vakantie hierover heeft gebeld. Het bellen van de KNMG is ook een juiste beslissing geweest. Voorstelbaar was echter geweest dat zij de KNMG nadat zij niet teruggebeld was, nogmaals had gebeld. Zoals gezegd maakt dit het handelen van beklaagde niet tuchtrechtelijk verwijtbaar.

5.5 De conclusie is dat beklaagde met betrekking tot de klacht geen verwijt kan worden gemaakt zoals bedoeld in artikel 47, eerste lid onder a, en/of onder b van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg.

5.6 De klacht zal ongegrond worden verklaard.


6.         De beslissing


Het College:
 

  • verklaart de klacht ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door Y.J. Wijnnobel-van Erp, voorzitter, I.K. Spros, lid-jurist,

M. Bezemer, B. van Ek en V.M. Schijf, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door B. Dekker, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 22 december 2021.