ECLI:NL:TGZRSGR:2021:148 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag D2021/2441
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSGR:2021:148 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 14-12-2021 |
| Datum publicatie: | 14-12-2021 |
| Zaaknummer(s): | D2021/2441 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen een arts. Klager is gezien door de arts voor een medische keuring in verband met de verlenging van zijn rijbewijs na zijn 75ste verjaardag. Niet kan worden gezegd dat de arts het cognitief vermogen van klager onjuist of lichtvaardig heeft beoordeeld. Het is voorts niet aan een keuringsarts om een inschatting te maken van de gevolgen die het CBR aan de beoordeling door de keuringsarts verbindt. Het is niet aan de keuringsarts om daar uitspraken over te doen tegenover een cliënt. De arts heeft juist contact opgenomen met het CBR om te bezien welke mogelijkheden er waren voor een heroverweging. Zij heeft hem, waar zij kon, geholpen. De arts is niet te kort geschoten in haar informatieplicht aan klager. Klacht kennelijk ongegrond verklaard. |
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:
A ,
wonende in B,
klager,
tegen:
C , basisarts,
werkzaam in D ,
verweerster, hierna: de arts,
gemachtigde: mr. V.C.A.A.V. Daniels, werkzaam in Utrecht.
1. Het verloop van de procedure
1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met bijlage, ontvangen op 9 maart 2021;
- het verweerschrift met bijlagen.
1.2 De partijen hebben afgezien van de mogelijkheid om in het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.
1.3 Het College heeft de klacht op 2 november 2021 in raadkamer behandeld.
2. De klacht
2.1 Klager is op 9 januari 2021 door de arts gezien voor een medische keuring in verband met de verlenging van zijn rijbewijs na zijn 75ste verjaardag. Klager heeft klachten over deze keuring en het handelen van de arts. Klager verwijt de arts – kort gezegd – dat zij:
- lichtvaardig en onjuist zijn cognitieve functioneren heeft beoordeeld;
- niet wil weten welke verstrekkende gevolgen het CBR aan haar bevindingen kan verbinden, waardoor zij niet zorgvuldig kan oordelen als dit extra nodig is;
- aan het einde van de keuring geen informatie heeft gegeven over de mogelijke gevolgen die het CBR aan haar bevindingen (oogmeting en beoordeling psychische toestand) kon verbinden; daardoor heeft zij klager de mogelijkheid ontnomen om gebruik te maken van zijn recht om het insturen van het keuringsrapport te blokkeren.
3. Het standpunt van de arts
De arts heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen weersproken. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.
4. De beoordeling
5.1 Het College is van oordeel dat de arts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De klacht wordt daarom kennelijk ongegrond verklaard. Het College licht deze beslissing hieronder toe. Daarbij merkt het College op dat het alleen de klachten kan beoordelen die tegen de arts persoonlijk zijn gericht.
Klachtonderdeel 1: de beoordeling van het cognitieve functioneren
5.2 Onderdeel van de medische keuring voor de verlenging van een rijbewijs van iemand van 75 jaar of ouder, is het beoordelen van het cognitief functioneren van de kandidaat. Daarbij wordt de zogenaamde OPS-observatiemethode toegepast. Dit is geen uitgebreid, diepgaand onderzoek. De OPS-observatiemethode is een screeningsinstrument, waarmee de arts het cognitief functioneren globaal beoordeelt op basis van hoe de kandidaat tijdens de keuring op de arts overkomt. De kandidaat wordt beoordeeld op drie gedragsdomeinen die vaak als eerste zijn aangedaan bij beginnende dementie:
1) Oriëntatie en geheugen, 2) Praktische vaardigheden en aandacht en 3) Sociaal en persoonlijk functioneren. Op elk van deze domeinen kan een score van maximaal 9 worden ingevuld. De arts heeft bij klager op het gedragsdomein Praktische vaardigheden en aandacht 7 punten gescoord. Klager vraagt zich af hoe de arts op deze score is gekomen. Hij vindt deze score niet geloofwaardig. Klager heeft de arts dan ook om een toelichting gevraagd, die zij niet heeft kunnen geven, anders dan dat zij de score heeft gebaseerd op haar indruk van klager op het moment van de keuring. Hij verwijt haar dat zij zich geen rekenschap heeft gegeven van de bedoeling van de OPS-score, te weten het signaleren van beginnende dementie.
5.3 Het College onderschrijft niet dat dit betekent dat de arts het cognitief vermogen van klager lichtvaardig en onjuist heeft beoordeeld. Zoals hierboven beschreven gaat het hier om een screeningsinstrument waarmee de arts binnen korte tijd (enkele minuten) en globaal het cognitief functioneren beoordeelt. Blijkens de ‘Toelichting op de OPS-methode’ hebben de daarin aan de keuringsarts gerichte vragen betrekking op de indruk die de kandidaat tijdens de keuring op de arts maakt. Dit gaat dus om een momentopname en de gegeven score hoeft niet te worden toegelicht. De arts heeft op basis van haar interactie met klager en de indruk die hij haar gaf tijdens de keuring de score gegeven.
5.4 De arts kon een maand na de keuring, toen klager haar belde, niet concreet toelichten waarom zij niet de maximale score van 9 heeft gegeven. Dat is – gelet op de beperkte omvang en vereisten van deze screeningstest – niet verwonderlijk. Eén van de sets aan de keuringsarts gerichte vragen luidt: “Duurt het voor uw gevoel lang voor de kandidaat antwoord geeft? Praat de kandidaat erg langzaam? Is de kandidaat traag in zijn handelen?” Klager heeft toegelicht dat hij weloverwogen en daardoor wat langzamer spreekt. Dit zou een goede verklaring kunnen zijn voor de relatief lage score van de arts op dit onderdeel. De arts stelt tijdens de keuring naar eer en geweten te hebben gehandeld en de keuring zorgvuldig te hebben verricht. Het College heeft geen aanleiding om eraan te twijfelen dat zij op basis van haar waarnemingen en objectief de OPS-score heeft ingevuld. Haar antwoord op de vraag “Hoe is de psychische toestand?” in het keuringsverslag is bovendien “GOED”. Dit betekent dat niet kan worden gezegd dat de arts het cognitief vermogen van klager onjuist of lichtvaardig heeft beoordeeld.
5.5 Klachtonderdeel 1 is daarom ongegrond.
Klachtonderdeel 2: niet willen weten welke gevolgen het CBR aan de bevindingen van de arts verbindt
5.6 Tijdens het telefoongesprek dat klager en de arts hebben gevoerd, heeft klager gezegd van mening te zijn dat de arts op de hoogte zou moeten zijn van de gevolgen die het CBR verbindt aan haar bevindingen in het keuringsverslag. Volgens klager heeft de arts daarop geantwoord dat zij deze gevolgen bewust niet wilde weten. De arts stelt dat zij heeft geantwoord dat keuringsartsen door het CBR niet van de beoordelingsrichtlijnen van het CBR op de hoogte worden gebracht om hun onafhankelijkheid te waarborgen. De functie van de keuringsarts is om (onder andere) de gedragsdomeinen te scoren, maar niet om te bepalen of een kandidaat een rijtest moet ondergaan. Dat beoordeelt het CBR. Het CBR verzoekt de keuringsartsen ook om het CBR alleen informatie en geen advies te geven. Verder vraagt het CBR de keuringsartsen nadrukkelijk om tegenover de cliënten geen uitspraak te doen over de rij(on)geschiktheid, omdat die beslissing bij het CBR ligt, aldus de arts.
5.7 Welke woorden er precies zijn gebruikt tijdens het bedoelde telefoongesprek kan het College niet vaststellen. Voor de beoordeling van dit klachtonderdeel is dit ook niet van belang, omdat het – gelet op de werkwijze van het CBR – niet aan een keuringsarts is om een inschatting te maken van de gevolgen die het CBR aan een OPS-score verbindt. Dat betekent dat het ook niet aan de keuringsarts is om daar uitspraken over te doen tegenover een cliënt. Het CBR maakt een eigen beoordeling op basis van alle beschikbare informatie, waaronder het keuringsrapport, maar ook op basis van andere informatie. Het verwijt dat de arts, door geen rekening te houden met de gevolgen van haar bevindingen voor de beoordeling door het CBR, een naïeve en kortzichtige werkwijze heeft, waardoor zij bepaalde onderdelen van de keuring niet zorgvuldig kan beoordelen, is dan ook niet op zijn plaats. De arts moet onafhankelijk en objectief haar medisch oordeel geven.
5.8 Daar komt bij dat de arts, na het telefoongesprek met klager, voor hem contact heeft opgenomen met het CBR om te bezien welke mogelijkheden er waren voor een heroverweging van de OPS-score. Het CBR heeft de arts toegelicht dat één van de opties was dat een behandelend arts, zoals de eigen huisarts, een positief advies over het cognitief functioneren aan het CBR geeft. De arts heeft dit aan klager gemeld. Hieruit volgt dat de arts zich de situatie van klager heeft aangetrokken en dat zij hem, waar zij kon, heeft geholpen. Zij heeft hiermee betrokken en zorgvuldig gehandeld. Gebleken is dat klager daadwerkelijk een positief advies van zijn huisarts aan het CBR heeft overgelegd en dat het CBR hierna zonder verdere rijtest een ‘Verklaring van geschiktheid’ heeft afgegeven.
5.9 Klachtonderdeel 2 is daarom ongegrond.
Klachtonderdeel 3: aan het einde van de keuring geen informatie over gevolgen die het CBR aan de bevindingen kon verbinden
5.1 Klager stelt dat de arts hem aan het einde van de keuring geen informatie heeft gegeven over de gevolgen die het CBR aan de bevindingen van de arts in het keuringsverslag – zoals de oogmeting en de OPS-score – zou kunnen verbinden.
5.11 Zoals het College bij klachtonderdeel 2 al heeft geoordeeld, geeft de arts onafhankelijk en objectief haar medisch oordeel en is zij dan ook in zoverre niet betrokken bij de – mogelijke – vervolgstappen die het CBR nodig vindt voordat de benodigde ‘Verklaring van geschiktheid’ wordt afgegeven. Het College heeft na bestudering van het klaag- en verweerschrift geen aanleiding om te oordelen dat de arts tekort is geschoten in haar informatieplicht naar klager. Bovendien heeft de arts klager na de keuring nog driemaal telefonisch te woord gestaan om zijn vragen te beantwoorden en – waar zij kon – een nadere toelichting te geven over zaken waar klager klachten over had.
5.12 Voor zover klager ook heeft willen klagen over de door de arts uitgevoerde oogmeting overweegt het College nog het volgende. Klager heeft hierover aangevoerd dat de arts een gezichtsscherpte van 0,65 (met eigen correctie) heeft vastgesteld, als gevolg waarvan hij een aanvullend onderzoek bij een oogarts heeft moeten ondergaan. De oogarts kwam tot een gezichtsscherpte van 0,9 met eigen correctie. De arts heeft in haar verweerschrift toegelicht hoe zij de betreffende oogmeting heeft verricht. Zij heeft verder aangevoerd dat een oogarts met gespecialiseerde apparatuur werkt en daarmee optimaal kan corrigeren, terwijl ook verschillende andere factoren de meting kunnen beïnvloeden (zoals vermoeidheid, droge ogen en gespannenheid). Dat betekent dat verschillen in de meting door een keuringsarts en een oogarts kunnen ontstaan, zo brengt de arts naar voren. Het College volgt dit verweer. Het kan niet vaststellen dat de arts in dit opzicht onjuist of onzorgvuldig zou hebben gehandeld.
5.13 Ook klachtonderdeel 3 is daarom ongegrond.
5. De beslissing
De klacht is kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 14 december 2021 door N.B. Verkleij, voorzitter,
K.M. Volker, lid-jurist, J. Dogger, M. Keus en R.P. van Straaten, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan door R. van der Vaart als secretaris.