ECLI:NL:TGZRSGR:2021:124 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag D2021/2379-2020-172

ECLI: ECLI:NL:TGZRSGR:2021:124
Datum uitspraak: 02-11-2021
Datum publicatie: 18-11-2021
Zaaknummer(s): D2021/2379-2020-172
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Ongegronde klacht tegen een tandarts. Het ligt op de weg van klager voorafgaand aan het vervaardigen en plaatsen van een frame te informeren naar de kosten daarvan indien daarover op dat moment nog geen duidelijkheid bestaat. Niet tuchtrechtelijk verwijtbaar dat de begroting per abuis te laag is vastgesteld, hoewel het handelen van de tandarts op dit punt zorgvuldiger had gekund. Overige klachtonderdelen ook ongegrond. Klacht ongegrond.

Kenmerk: D2021/2379-2020-172


Datum uitspraak: 2 november 2021


Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:


A,
wonende te B,
klager,


tegen:


C, tandarts,
werkzaam te B,
beklaagde.


1. Het verloop van de procedure


1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 25 november 2020;
- het verweerschrift met bijlagen;
- de brieven van het College aan partijen van 30 augustus 2021 en 13 september 2021 over de relatieve bevoegdheid van het College.
1.2 Partijen hebben afgezien van de mogelijkheid om in het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.
1.3 De mondelinge behandeling door het College heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 21 september 2021. Beklaagde is verschenen en heeft zijn standpunt toegelicht. Klager was met kennisgeving afwezig.

2. De feiten
2.1 In mei 2020 heeft beklaagde een frame voor de onderkaak van klager gemaakt. De kosten daarvan zijn op 21 februari 2020 begroot op € 1.365,82. Bij factuur van 5 juni 2020 is een bedrag van € 1.851,68 bij klager in rekening gebracht.
2.2 Nadat klager kenbaar maakte dat het frame niet goed paste, heeft beklaagde het frame eind juni 2020 aangepast.
2.3 In september 2020 heeft klager het frame teruggegeven aan beklaagde. Daarna heeft klager zich bij een andere tandarts laten inschrijven.


3. De klacht
De klacht luidt - zakelijk weergegeven - als volgt:
a. Klager heeft de begroting niet tijdig ontvangen, omdat deze uitsluitend per mail door beklaagde is verstuurd.
b. De begroting komt niet overeen met de definitieve (via E ontvangen) afrekening.
c. Beklaagde heeft zich op onprofessionele wijze over klager uitgelaten.
d. Het resultaat volstond niet omdat het frame niet paste.


4. Het standpunt van beklaagde
Beklaagde heeft de klachten en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.


5. De beoordeling


5.1 Het College stelt voorop dat in deze tuchtzaak moet worden beoordeeld of beklaagde binnen de grenzen van een redelijke beroepsuitoefening is gebleven. Dat is een zakelijke beoordeling. Daarbij gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund, maar of beklaagde heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam tandarts in de gegeven omstandighedenmocht worden verwacht, rekening houdend met de stand van de wetenschap op dat moment en de voor de tandarts geldende beroepsnormen. Het persoonlijk handelen van beklaagde wordt beoordeeld.


Klachtonderdeel a


5.2 Niet in geschil is dat beklaagde de begroting van 21 februari 2020 per mail aan klager heeft gestuurd. Klager stelt dat de mail bij de ongewenste mail in zijn mailbox is gekomen. Het College overweegt dat het op de weg van klager ligt voorafgaand aan het vervaardigen en plaatsen van het frame in mei 2020 te informeren naar de kosten daarvan indien daarover op dat moment nog geen duidelijkheid bij hem bestaat. Dat klager dat niet heeft gedaan dient voor zijn rekening en risico te blijven. Gesteld noch gebleken is verder dat klager heeft gevraagd de begroting uitsluitend per post aan hem te verzenden. Dit klachtonderdeel slaagt niet.


Klachtonderdeel b


5.3 Beklaagde heeft ter zitting meegedeeld dat de begroting per abuis door hem te laag is vastgesteld en daarmee afweek van de factuur, omdat in de begroting niet de kosten voor vier composietrestauraties in het onderfront zijn opgenomen. Gedurende de behandeling heeft beklaagde aan klager gemeld dat deze behandeling ook nodig was. Het College is van oordeel dat het handelen van beklaagde op dit punt zorgvuldiger had gekund maar dat geen sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Dit klachtonderdeel slaagt evenmin.


Klachtonderdeel c


5.4 Beklaagde heeft weersproken dat door hem of zijn assistente tegen de echtgenote van klager is gezegd dat vanwege zijn slechte gebit niet begrepen wordt dat zij een relatie met klager heeft en dat gehoopt wordt dat de kinderen van klager niet het gebit van hun vader hebben. Uit het dossier valt niet op te maken wat hierover is gezegd. Het is vaste rechtspraak dat in een geval als dit, waarbij sprake is van het woord van de één tegen dat van de ander, geen oordeel door het College kan worden gevormd. Immers kan aan het woord van de één niet meer waarde worden gehecht dan aan dat van de ander. Dat betekent dat ook dit klachtonderdeel faalt.

Klachtonderdeel d


5.5 Voor zover klager stelt dat het resultaat van de behandeling onvoldoende is omdat het frame niet goed paste, overweegt het College dat niet kan worden vastgesteld dat het handelen van beklaagde niet is gebleven binnen de onder 5.1 bedoelde grenzen van een redelijke beroepsuitoefening. Het dossier biedt daarvoor geen grond. Ook dit klachtonderdeel faalt.


Conclusie


5.6 De conclusie is dat beklaagde met betrekking tot de klacht geen verwijt kan worden gemaakt zoals bedoeld in artikel 47, eerste lid onder a, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg. De klacht zal ongegrond worden verklaard.


6. De beslissing


Het College verklaart de klacht ongegrond.


Deze beslissing is gegeven door I.K. Spros, voorzitter, P.M. de Keuning, lid-jurist,
E.M.J. Muller, E.C.L. Fritschy en H.W. Luk, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door
Y.M.C. Bouman, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 2 november 2021.