ECLI:NL:TGZRSGR:2021:120 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag D2021/2226-2021-043b

ECLI: ECLI:NL:TGZRSGR:2021:120
Datum uitspraak: 16-11-2021
Datum publicatie: 18-11-2021
Zaaknummer(s): D2021/2226-2021-043b
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Ongegronde klacht tegen een chirurg. Beklaagde heeft zelf geen onderzoeken gedaan, daarvoor bestond ook geen aanleiding. Beklaagde mocht uitgaan van de gegevens die door de radioloog werden gepresenteerd. Overige klachtonderdelen ook ongegrond.

Kenmerk: D2021/2226-2021-043b


Datum uitspraak: 16 november 2021


Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:


A,
wonende te B,
klaagster,
tegen:


C, chirurg,
werkzaam te D,
beklaagde,
gemachtigde: M.C. Hazenberg, werkzaam te Utrecht.


1. Het verloop van de procedure


1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met bijlagen;
- het verweerschrift;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op d.d. 15 juli 2021.


1.2 De mondelinge behandeling door het college heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 5 oktober 2021. Klaagster bijgestaan door haar zus, E en beklaagde bijgestaan door mr. M.C. Hazenberg, zijn verschenen en hebben hun standpunten toegelicht.


1.2 De klacht is behandeld tezamen met een andere, met de klacht samenhangende zaak zoals bedoeld in artikel 57, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG).


1.3 Die zaak is bekend onder dossiernummer D2021/2223-2021-043a.

2. De feiten


2.1 Op 23 april 2015 is klaagster, destijds 31 jaar, van haar tweede zoon bevallen. Na enkele weken borstvoeding te hebben gegeven heeft klaagster last van een ontsteking van haar linker borst, een mastitis. Deze mastitis geneest zonder gebruik van medicijnen. Wanneer klaagster enige tijd later een knobbeltje voelt in dezelfde borst verwijst de huisarts haar – op haar verzoek – naar de mammapoli van F in D. Daar wordt klaagster op 29 juni 2015 gezien door een verpleegkundig specialist en een radioloog. Klaagster gaf op dat moment nog borstvoeding. De radioloog doet lichamelijk onderzoek en maakt een echografie. De resultaten heeft de radioloog met klaagster besproken. De afwijking wordt door de radioloog als BI-RADS 3 geclassificeerd. De radioloog heeft met klaagster verschillende behandelmogelijkheden besproken. Op grond van de uitleg door de radioloog kiest klaagster niet voor een biopt maar voor een controle op termijn.


2.2 Tijdens het Multi Disciplinair Overleg (MDO) van 29 juni 2015, waar ook beklaagde aanwezig was, heeft de radioloog het ziektebeeld van klaagster besproken en het behandelplan zoals met klaagster overeengekomen voorgelegd. Het MDO heeft het behandelplan geaccordeerd.


2.3 In oktober 2015 heeft klaagster het ziekenhuis gebeld, omdat zij zich zorgen maakte over de knobbel in haar borst. Het is gekomen tot een afspraak op 14 december 2015 voor een nader onderzoek. De radioloog heeft op 14 december 2015 een mammografie en een echografie gemaakt en een biopsie verricht. De radioloog heeft het beeldvormende onderzoek als BIRADS 5 geclassificeerd en het onderzoek van de biopten toonde een mammacarcinoom.


3. De klacht


De klacht luidt – zakelijk weergegeven – als volgt:
a. Beklaagde heeft geen zorg op maat geboden. Er is geen mogelijkheid geboden om een follow up afspraak na 3 maanden te maken, terwijl de klachten niet verminderden. In ieder geval had de mogelijkheid moeten worden geboden om ruim vóór december 2015 een afspraak voor nader onderzoek te maken.
b. Beklaagde heeft bij het aanvullende onderzoek slechts vergrote klieren gevonden en volgens het resultaat van de punctie zou er geen sprake zijn van uitzaaiingen. Dit terwijl tijdens een aanvullend onderzoek in G de uitzaaiingen wel zijn gevonden. Beklaagde is tekortgeschoten bij het aanvullende onderzoek en heeft dus mogelijk ook een verkeerde behandeling ingezet.
c. Beklaagde heeft door onvoldoende tijdig nader onderzoek te verrichten tijd verloren in klaagsters behandeling waardoor klaagsters gezondheid onnodig in gevaar is gebracht en haar levenskansen zijn beperkt.


4. Het standpunt van beklaagde


Beklaagde heeft de klachten en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Beklaagde heeft erop gewezen dat zij slechts zeer beperkt bij de beoordeling en behandeling van klaagster betrokken is geweest.


5. De beoordeling


Aan welke criteria toetst het college?


5.1 De vraag die het college moet beantwoorden is of beklaagde de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een ‘redelijk bekwame en redelijk handelende’ chirurg. Het college houdt bij de beoordeling rekening met de wetenschappelijke inzichten op het moment van de zorgverlening en met de toen voor de chirurg geldende beroepsnormen. Verder neemt het college bij de beoordeling van de verschillende onderdelen van de klacht het medische dossier tot uitgangspunt. Dat is de meest betrouwbare bron voor wat er is gebeurd en besproken.
Klachtonderdeel 1: Tekort geschoten in het verlenen van zorg op maat


5.2 Zoals in vele ziekenhuizen gold in 2015 ook in F het beleid dat een patiënt zelf naar de desbetreffende afdeling in het ziekenhuis moest bellen om een vervolgafspraak te maken. Dat is tussen partijen niet in geding. De medisch specialist is niet degene die de agenda voor de afspraken beheert. Het maken van vervolgafspraken vindt plaats volgens een systeem dat geheel buiten de medisch specialist omgaat. Het niet tot stand komen van de controle-afspraak eerder dan 14 december 2015 is beklaagde dan ook niet aan te rekenen.


Klachtonderdeel 2: Mogelijk verkeerde behandeling als gevolg van tekort schieten bij aanvullend onderzoek


5.3 Beklaagde is niet betrokken geweest bij het lichamelijk onderzoek en de echografie van 29 juni 2015, noch bij de echografie van 14 december 2015, noch bij het nemen van puncties. Tijdens het bespreken van het behandelplan in het MDO van 29 juni 2015 heeft beklaagde voor het eerst kennisgenomen van klaagsters medisch dossier. Beklaagde is in dat overleg uitgegaan van de gegevens zoals de radioloog deze heeft gepresenteerd tijdens het MDO. Beklaagde heeft zelf geen onderzoeken gedaan. Daarvoor bestond ook geen aanleiding. Uit het medisch dossier valt niet af te leiden dat beklaagde betrokken is geweest, dan wel had moeten zijn, bij de besprekingen tussen de radioloog en klaagster of betrokken is geweest of had moeten zijn bij nadere onderzoeken.


5.4 Het college is van oordeel dat beklaagde niet verwijtbaar heeft gehandeld. Beklaagde was niet eerder dan 29 juni 2015 op de hoogte van klaagsters medische situatie en hoefde dit ook niet te zijn. Tijdens het MDO waren chirurgie, interne geneeskunde, radiologie en radiotherapie vertegenwoordigd naast een oncologieverpleegkundige en een verpleegkundig specialist. Het onderzoek dat werd besproken was het onderzoek van de radioloog. Beklaagde is bij de bespreking uitgegaan van de gegevens die door de radioloog werden gepresenteerd. Het college is van oordeel dat beklaagde van de gepresenteerde gegevens uit heeft mogen gaan. Radiologie is geen expertise van beklaagde en beklaagde heeft geen reden tot twijfel hoeven te hebben over de gegevens die werden gepresenteerd. Naar het oordeel van het college treft beklaagde dan ook geen verwijt.


Klachtonderdeel 3: Tijd verlies ten aanzien van de behandeling


5.5 De huidige gezondheidssituatie van klaagster had volgens klaagster voorkomen kunnen worden wanneer het nadere onderzoek eerder dan 14 december 2015 had plaatsgevonden. F is door klaagster gekozen omdat het ziekenhuis bekend stond om het snel stellen van de diagnose zodat patiënten wisten waar zij aan toe waren. Klaagster is van mening dat in haar geval niet is voldaan aan het snel stellen van de diagnose, met tot gevolg
dat behandeltijd verloren is gegaan en haar leven onnodig in gevaar is gebracht. Door de late diagnose zijn haar levenskansen beperkt. Dit zou anders zijn geweest wanneer de radioloog direct de afwijking goed had beoordeeld, aldus klaagster.


5.6 Het college begrijpt dat klaagster door haar huidige gezondheidssituatie terugkijkt en antwoord wil op de vraag of haar huidige situatie voorkomen had kunnen worden. Het college kan echter alleen beoordelen of beklaagde in dit geval in strijd heeft gehandeld met de zorg die van haar in de gegeven omstandigheden mocht worden verwacht. De onderzoeken en ook de behandeling zijn niet door beklaagde verricht. Beklaagde kan niet persoonlijk tuchtrechtelijk aansprakelijk worden gehouden voor handelingen die door een andere zorgverlener zijn verricht. Dit klachtonderdeel treft derhalve geen doel.


Conclusie


5.7 De conclusie is dat beklaagde met betrekking tot de klacht geen verwijt kan worden gemaakt zoals bedoeld in artikel 47, eerste lid onder a, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg.


5.8 De klacht zal ongegrond worden verklaard.


6. De beslissing


Het college:


verklaart de klacht ongegrond.


Deze beslissing is gegeven door J. Brand, voorzitter, B.S. Abdoelkariem, lid-jurist,
G.A. Hoffland (radioloog), E.P. van Heuzen (radioloog), J.W.D. de Waard (chirurg), leden-beroepsgenoten, bijgestaan door R.C. Kruit, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op
16 november 2021.