ECLI:NL:TGZRSGR:2014:1 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2013-253

ECLI: ECLI:NL:TGZRSGR:2014:1
Datum uitspraak: 07-01-2014
Datum publicatie: 07-01-2014
Zaaknummer(s): 2013-253
Onderwerp: Onvoldoende informatie
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: De moeder heeft als gezaghebbende ouder recht op informatie over de gezondheidstoestand en behandeling van haar kind (artikel 7: 456 BW juncto artikel 1: 245 BW). Het lag dan ook op de weg van de arts om klaagster die daarom vroeg inzage in c.q. afschrift van het medisch dossier van haar zoontje te geven. Voor zover de arts zich onvoldoende in staat achtte om te kunnen beoordelen of er – tegen de achtergrond van een ondertoezichtstelling, uithuisplaatsing en een pleeggezinverblijf – wel of niet recht op inzage c.q. afschrift was, had het op zijn weg gelegen zich daarover te laten informeren, bijvoorbeeld via de website/richtlijnen van KNMG en/of NHG.       Waarschuwing.    

Datum uitspraak: 7 januari 2014

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te 's-Gravenhage heeft de navolgende beslissing gegeven inzake de klacht van

A,

wonende te B,

klaagster,

tegen

C , huisarts,

wonende te D,

de persoon over wie geklaagd wordt,

hierna te noemen de arts.

1. Het verloop van het geding

Het klaagschrift is ontvangen op 27 december 2012. De arts heeft een verweerschrift ingediend, waarna is gerepliceerd en gedupliceerd. Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om in het vooronderzoek mondeling te worden gehoord. Het College heeft de klacht op 12 november 2013 behandeld ter openbare zitting.

2. De feiten

2.1       Klaagster is de moeder van een zoon, genaamd E, die in het kader van een ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing in een pleeggezin verblijft. Klaagster heeft het gezag over E.

2.2              De pleegouders hadden de arts als huisarts en hebben op 25 mei 2011 ook E bij de

huisarts ingeschreven. Aan de huisarts is daarbij geen medisch dossier van E overgedragen.

2.3              De huisarts heeft enkele consulten aan E gewijd.

2.4              Op enig moment heeft klaagster na speurwerk het praktijkadres van de huisarts van

E achterhaald en de arts daar opgezocht. Zij noemde zich ‘de moeder van E die als pleegkind hier ingeschreven staat’. De arts heeft bij dit onaangekondigde bezoek het verzoek van klaagster om inzage in c.q. afschrift van het medisch dossier van E geweigerd.

Ook na indiening van een klacht tegen de huisarts en nadat klaagster daarbij in het gelijk was gesteld heeft de arts in deze weigering volhard.  

3. De klacht

3.1       Klaagster verwijt de arts dat hij ondanks meerdere verzoeken (telefonisch, bij mail en in persoon bij de arts gedaan) weigert om haar inzage te geven in cq afschrift te geven van het medisch dossier van E.

4. Het standpunt van de arts

4.1       De arts heeft toegegeven dat hij het verzoek van klaagster om inzage in c.q. afschrift van het medisch dossier van E heeft geweigerd.

Daarbij heeft de arts als toelichting gegeven dat hij ook rechten heeft, het recht heeft geïnformeerd te worden en het recht heeft op een werkbare praktijkvoering. Hij voelt zich in een conflict gerommeld met een hem onbekende persoon, die onvrijwillig is ontheven van de opvoedingsplicht maar wel eisen kan stellen aan een huisarts.

5. De beoordeling

5.1              De moeder heeft als gezaghebbende ouder recht op informatie over

de gezondheidstoestand en behandeling van haar kind (artikel 7: 456 BW juncto artikel 1: 245 BW). Het lag dan ook op de weg van de arts om klaagster die daarom vroeg inzage in c.q. afschrift van het medisch dossier van E te geven.

Voorzover de arts zich onvoldoende in staat achtte om te kunnen beoordelen of er – tegen de achtergrond van een ondertoezichtstelling, uithuisplaatsing en een pleeggezinverblijf – wel of niet recht op inzage c.q. afschrift was, had het op zijn weg gelegen zich daarover te laten informeren, bijvoorbeeld via de website/richtlijnen van KNMG en/of NHG. 

Indien het zo was dat – zoals de arts heeft gesteld – klaagster een enorm schandaal maakte aan de balie en er wegens het lopende spreekuur voor hem geen gelegenheid was om voldoende tijd aan haar verzoek te besteden, was de arts gehouden om er zorg voor te dragen dat het gesprek met klaagster op enig ander moment had kunnen worden voortgezet, althans om daar serieuze pogingen toe te doen. Hiervan is geen sprake geweest.

Door dit na te laten en ook overige gelijksoortige verzoeken van klaagster te weigeren heeft klager naar het oordeel van het College tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

5.2       Een sanctie in de vorm van een maatregel is daarvoor op zijn plaats.

6. De beslissing

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te ’s-Gravenhage beslist als volgt:

Legt op de maatregel van WAARSCHUWING.

Deze beslissing is gegeven door: mr. M.A.F. Tan- de Sonnaville, voorzitter, mr. M.W. Koek, lid-jurist, dr. mr. P.H.M.T. Olde Kalter, prof. dr. J.H. van Bockel en dr. B. van Ek, leden-

artsen, bijgestaan door mr. J.P. Hoogland, secretaris en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 januari 2014.

voorzitter                                                                                          secretaris

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezond­heidszorg door:

a.         de klager en/of klaagster, voorzover de klacht is afgewezen, of voorzover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;

b.         degene over wie is geklaagd;

c.         de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat.

Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroep­schrift wordt ingezon­den bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcolle­ge voor de Gezondheidszorg te 's-Gravenhage, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.