ECLI:NL:TGZRSGR:2013:YG2590 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2012-024b

ECLI: ECLI:NL:TGZRSGR:2013:YG2590
Datum uitspraak: 29-01-2013
Datum publicatie: 29-01-2013
Zaaknummer(s): 2012-024b
Onderwerp: Schending beroepsgeheim
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Klager verwijt de verpleegkundige dat zij zonder hem te hebben geïnformeerd over het doel van haar aanwezigheid tijdens het huisbezoek van de politie en zonder zijn toestemming een rapport heeft opgesteld en onjuistheden in het rapport heeft vermeld. Klager verwijt de verpleegkundige voorts dat zij in strijd met haar geheimhoudingsplicht medische informatie heeft doorgegeven aan politieambtenaren en ondanks verzoek daartoe het door haar opgestelde rapport niet aan de huisartsen van klager heeft toegezonden. Waarschuwing.  

Datum uitspraak: 29 januari 2013

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te 's-Gravenhage heeft de navolgende beslissing gegeven inzake de klacht van:

A,

wonende te B,

klager,

tegen:

C, verpleegkundige,

de persoon over wie geklaagd wordt,

hierna te noemen de verpleegkundige.

1. Het verloop van het geding

Het klaagschrift is ontvangen op 2 februari 2012 en door klager bij brief van 21 februari 2012 nader gespecificeerd . De verpleegkundige heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Partijen hebben daarna achtereenvolgens respectievelijk gerepliceerd en gedupliceerd. Op 17 juli 2012 heeft een mondeling vooronderzoek plaatsgevonden waarbij klager is gehoord. De verpleegkundige is niet verschenen.  De mondelinge behandeling door het College heeft plaatsgevonden ter openbare zitting van 4 december 2012.

Partijen zijn verschenen en hebben hun standpunten mondeling toegelicht. Klager werd bijgestaan door mr. G.V. van der Bom , advocaat te Den Haag. De verpleegkundige werd bijgestaan door mr. J. Goudswaard, advocaat te Den Haag, die zich bediende van een pleitnota.

2. De feiten

 Klager heeft op 6 april 2011 contact opgenomen met het politiebureau D te B naar aanleiding van een incident dat zich op die dag had afgespeeld in de flat waar klager woonachtig is en waar hij aangifte over wilde doen. Mede naar aanleiding hiervan heeft de wijkagent klager gevraagd of hij samen met een collega klager kon bezoeken op

19 april 2011 om 13.00 uur. Klager stemde met dit bezoek in. Na het binnentreden van de woning heeft de collega van de wijkagent zich voorgesteld als C, verpleegkundige bij E. Zij is sinds lange tijd werkzaam als psychiatrisch verpleegkundige. De verpleegkundige is meegegaan op huisbezoek op verzoek van de wijkagent in het kader van een samenwerkingsverband tussen de politie en de GGZ in F. Doel van de aanwezigheid van de verpleegkundige bij het gesprek tussen de wijkagent en klager was volgens de verpleegkundige om te bezien of er aanleiding was hulp te bieden aan klager met betrekking tot zijn geestelijke welzijn. Bij het binnentreden van de woning heeft de verpleegkundige dit niet aan klager medegedeeld. Aan het einde van het gesprek heeft de verpleegkundige, die niet actief aan het gesprek had deelgenomen, klager medegedeeld dat zij naar aanleiding van het bezoek een verslag zou opmaken dat verstuurd zou worden naar de huisarts. Het – aan het proces-verbaal van voormeld verhoor op 17 juli 2012 gehecht - verslag van de verpleegkundige  vermeldt voor zover hier van belang het volgende:

“Reden verwijzing: Beoordeling toestandsbeeld

Informatie verwijzing: Patiënt heeft een steeds groter wordend conflict met een flatbewoner, er zijn heen en weer vreselijke dingen gezegd. Patiënt staat bekend als iemand die altijd zijn gelijk wil halen, hij haalt bijvoorbeeld de rijdende rechter erbij. De wijkagent heeft hem nu meermaals gesproken en maakt zich zorgen over zijn geestelijk welzijn.”

Het verslag vermeldt geen noodzaak tot hulpverlening en concludeert tot “afwachten”. Het verslag is niet verstuurd naar de huisarts van klager. Het rapport is naderhand, na een daartoe strekkende schriftelijke verzoek van klager gericht aan de Geneesheer-directeur van E, aan klager verzonden. Klager heeft mede naar aanleiding van dit huisbezoek een klacht ingediend tegen de wijkagent bij de bevoegde Korpsbeheerder van de politie F en tegen de verpleegkundige bij het College.  

3. De klacht

Klager verwijt de verpleegkundige, kort samengevat en zakelijk weergegeven, dat:

- de verpleegkundige zonder zijn toestemming een medisch rapport heeft opgemaakt; de verpleegkundige is onder valse voorwendselen zijn huis binnengetreden nu zij niet als een collega van de wijkagent kan worden aangemerkt en heeft onvoldoende bekend gemaakt wat haar rol was en het doel van haar aanwezigheid bij het gesprek;

- de verpleegkundige in strijd met haar geheimhoudingsplicht medische informatie heeft doorgegeven aan politieambtenaren van politie F;

- het rapport van de verpleegkundige ondanks verzoek daartoe niet aan de huisartsen van klager is verzonden;

- het rapport  onjuistheden bevat.

4. Het standpunt van de verpleegkundige

De verpleegkundige heeft tegen  de klacht verweer gevoerd. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5. De beoordeling

5.1 Voorzover de klacht zich richt tegen het binnentreden van de woning door de verpleegkundige en de onduidelijkheid omtrent haar functie, rol en doel van de aanwezigheid bij het gesprek overweegt het College als volgt. Vastgesteld wordt dat de verpleegkundige niet als een collega van de wijkagent kan worden aangemerkt. De verpleegkundige is niet werkzaam bij de politie, maar bij E, een instelling voor geestelijke gezondheidszorg. Dat tussen deze twee instanties een samenwerkingsverband bestaat (vastgelegd in een convenant) maakt dat niet anders. De aanwezigheid van de verpleegkundige bij het gesprek van de wijkagent met klager was hiermee niet gelegitimeerd. De verpleegkundige heeft in haar verweer aangegeven dat zij zich in verband met de privacy van de cliënten die zij bezoekt niet op een galerij van een flat aan de voordeur voorstelt, maar zodra zij binnen is bij een cliënt. Volgens haar heeft zij haar naam genoemd en vermeld dat zij verpleegkundige is bij E. Aan het einde van het gesprek heeft zij aan klager medegedeeld dat zij een verslag zou opmaken. Het College is van oordeel dat de voorstellingswijze van de verpleegkundige c.q. de summiere informatie verstrekt aan klager onvoldoende was, nu bepaald niet voor klager vanzelfsprekend behoefde te zijn waarom een verpleegkundige de wijkagent begeleidde bij zijn bezoek. Hieruit kon klager– ongeacht of hij wel of niet er van op de hoogte was van de aard van de instelling met de naam E – redelijkerwijs niet opmaken wat het doel van het bezoek van de verpleegkundige was en haar rol tijdens het gesprek. Op het voorgaande is niet van invloed, of de verpleegkundige er niet mee bekend was, hoe zij eerder door de wijkagent bij klager was geïntroduceerd.

Het ligt gelet op haar functie op haar weg om geen enkel misverstand te laten bestaan, wat zij bij klager kwam doen.

Het College is van oordeel dat de norm behoort te zijn dat een hulpverlener bij het binnentreden van een woning in de gegeven omstandigheden niet alleen zijn/haar naam en functie dient te vermelden, maar ook wat de aanleiding van diens bezoek is en de rol die deze tijdens het gesprek zal innemen alsmede het uiteindelijke doel van diens aanwezigheid. Uit het feit dat klager na het horen van de functie van de verpleegkundige geen bezwaar heeft gemaakt tegen haar aanwezigheid, vloeit niet voort - zoals door de verpleegkundige in haar verweer impliciet is gesteld - dat klager toestemming heeft verleend om zijn huis binnen te treden met als doel klager medisch te onderzoeken. Evenmin kon klager uit de verstrekte informatie afleiden dat door de verpleegkundige een verslag zou worden opgemaakt betreffende zijn geestelijke toestand.

Het eerste klachtonderdeel slaagt derhalve.

5.2  Met het tweede klachtonderdeel richt klager zich tegen de handelwijze van de verpleegkundige die informatie uit het verslag heeft verstrekt aan een andere, niet bij het bezoek aan klager aanwezig zijnde, politieambtenaar. De verpleegkundige heeft toegegeven dat zij aan de  inspecteur bij de politie, die de klacht van klager tegen de wijkagent behandelde, informatie over het gevoerde gesprek met klager en over haar bevindingen uit het verslag heeft verstrekt.

Het College is van oordeel dat deze handelwijze ongeoorloofd is.

Het tweede klachtonderdeel treft eveneens doel.

5.3.  In zijn derde klachtonderdeel verwijt klager de verpleegkundige dat het verslag niet is verzonden naar de huisartsen van klager. Het College overweegt dat uit het dossier niet blijkt dat de huisartsen van klager om een afschrift van het verslag hebben verzocht. De verpleegkundige heeft in haar verweer aangegeven dat haar geen verzoek van de huisartsen van klager om toezending van het verslag heeft bereikt en dat overigens ook uit contacten tussen haar leidinggevende en deze huisartsen is gebleken dat niet kon worden achterhaald of een dergelijk verzoek, schriftelijk of mondeling, is gedaan.

De verpleegkundige heeft wel opgemerkt dat het verslag van een dergelijk bezoek standaard naar de huisarts van een bezochte cliënt wordt verzonden, wat in dit geval abusievelijk niet is gebeurd. Het College is van oordeel dat, nu niet is komen vast te staan dat door de huisartsen van klager om verzending van het verslag is verzocht – in het midden gelaten wat de relevantie van het niet voldoen aan dat verzoek voor de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid van de verpleegkundige zou zijn geweest - dit klachtonderdeel feitelijke grondslag mist. De klacht is op dit punt dan ook ongegrond.

5.4  Met betrekking tot het vierde klachtonderdeel overweegt het College als volgt. In het verslag heeft de verpleegkundige in de rubriek “Informatie verwijzing” informatie opgenomen die zij volgens haar stelling heeft verkregen van de wijkagent en die aanleiding is geweest voor haar betrokkenheid bij dit bezoek. In deze informatie, hiervoor onder 2 van deze uitspraak geciteerd, staat volgens haar stellingen dus ook de visie van de wijkagent op alsmede diens kwalificatie van het gedrag van klager in het algemeen. Het College is van oordeel dat deze informatie - voorzover deze verder strekt dan de zuivere feiten die tot de verwijzing hebben geleid - niet in het verslag van de verpleegkundige had behoren te worden opgenomen. De verpleegkundige had in haar verslag in eigen neutralere bewoordingen moeten opschrijven wat de aanleiding van haar bezoek was en wat haar bevindingen waren. Zij had zich dienen te onthouden van vermeldingen omtrent de persoon van klager, anders dan haar professionele indrukken die door haar eigen waarneming en op grond van eigen deskundigheid, tijdens het gesprek waren opgedaan.

Dit klachtonderdeel slaagt derhalve.

5.5. Uit het bovenstaande volgt dat de verpleegkundige verwijtbaar heeft gehandeld. Oplegging van de hieronder te vermelden maatregel is passend. Voorzover klager heeft verzocht om te bevelen dat het verslag van de verpleegkundige wordt vernietigd, wordt overwogen dat een dergelijk bevel niet tot de bevoegdheid van het College behoort.

6. De beslissing

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te ’s-Gravenhage beslist als volgt:

legt de verpleegkundige de maatregel van WAARSCHUWING op.

Deze beslissing is gegeven door: mr. J.S.W. Holtrop, voorzitter, mr. H.A.B. van Dorst-Tatomir, lid-jurist, drs.W.J. van der Meer, R.P. Veltman en drs. A.J.M. Koeter leden-verpleegkundigen, bijgestaan door mr. C.G Versteeg, secretaris en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 januari 2013.

voorzitter                                                                                          secretaris

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezond­heidszorg door:

a.         de klager en/of klaagster, voorzover de klacht is afgewezen, of voorzover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;

b.         degene over wie is geklaagd;

c.         de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat.

Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroep­schrift wordt ingezon­den bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcolle­ge voor de Gezondheidszorg te

's-Gravenhage, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.