ECLI:NL:TGZRSGR:2013:YG2580 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2012-080

ECLI: ECLI:NL:TGZRSGR:2013:YG2580
Datum uitspraak: 22-01-2013
Datum publicatie: 22-01-2013
Zaaknummer(s): 2012-080
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Klager verwijt de bedrijfsarts dat hij zich partijdig ten opzichte van de werkgever van klager heeft opgesteld en klager onprofessioneel heeft begeleid omdat hij heeft nagelaten medische informatie op te vragen bij de behandelende sector, tijdig de benodigde documenten op te stellen en klager op te roepen voor een consult voorafgaande aan het opstellen van de documenten. Waarschuwing.    

Datum uitspraak: 22 januari 2013

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te 's-Gravenhage heeft de navolgende beslissing gegeven inzake de klacht van:

A,

wonende te B,

klager,

tegen:

C, bedrijfsarts,

wonende te D,

de persoon over wie geklaagd wordt,

hierna te noemen de arts.

1. Het verloop van het geding

Het klaagschrift d.d. 6 maart 2012 evenals het aanvullend klaagschrift d.d. 28 maart 2012 zijn ontvangen. De arts heeft op de klacht verweer gevoerd. Klager heeft bij brief van 26 juni 2012 nadere stukken ingediend.  Vervolgens hebben partijen achtereenvolgens gerepliceerd en gedupliceerd. Partijen zijn op 16 oktober 2012 in het kader van het vooronderzoek mondeling gehoord. Nadien is nog binnengekomen een brief van klager d.d. 25 oktober 2012. De mondelinge behandeling door het College heeft plaatsgevonden ter openbare zitting van 27 november 2012. Partijen zijn verschenen en hebben hun standpunten mondeling toegelicht. De arts werd bijgestaan door mr. V.C.A.A.V. Daniëls die als advocaat is verbonden aan de Stichting VvAA rechtsbijstand te Utrecht. Klager heeft een pleitnotitie overgelegd.

2. De feiten

2.1. Klager heeft zich met ingang van 4 mei 2009 bij zijn werkgever ziek gemeld wegens werkgerelateerde psychische klachten. Deze zijn begonnen nadat klager telefonisch met de dood was bedreigd. Voor de daaruit voortgekomen psychische klachten heeft vanaf eind 2009 tot begin 2010 een klinische opname plaatsgevonden, gevolgd door (dag)behandeling.  Klager is in eerste instantie begeleid door een andere arbodienst (E) en hij is met ingang van 16 november 2010 begonnen met re-integratiewerkzaamheden bij zijn werkgever. De begeleiding door E is voorts overgenomen door F, de dienst waar de arts werkzaam is.

2.2. Op 6 januari 2011 vindt een eerste consult plaats met de arts. De psychische klachten en de medicamenteuze behandeling van klager worden besproken, evenals de dagbehandeling die klager enkele dagen per week ondergaat.  De arts geeft te kennen een actueel oordeel en medische informatie op te zullen stellen in verband met het feit dat een WIA-keuring in zicht komt. Van klager verneemt de arts dat overwogen wordt om een uitstel van de WIA-keuring aan te vragen. De arts neemt daarover per mail contact op met de werkgever van klager maar krijgt vervolgens geen reactie.

2.3. Een tweede consult vindt plaats op 3 februari 2011. Klager wil de re-integratie uitbouwen. De arts adviseert om voorzichtig om te gaan met het verhogen van de

re-integratiewerkzaamheden.

2.4. Op 15 februari 2011 stelt de arts op basis van de twee eerder plaatsgevonden consulten een Functie Mogelijkheden Lijst (hierna: FML) op.  De arts heeft deze FML niet opgesteld in overleg of in samenspraak met klager. Klager laat vervolgens per mail weten aan de arts het niet eens te zijn met de FML.

2.5. Op 31 maart 2011 vindt een derde consult plaats met de arts waarin de arts adviseert het schema voor de re-integratiewerkzaamheden te evalueren en het einddoel van de re-integratie vast te stellen. Klager vermeldt door de werkgever niet ziek te zijn gemeld bij het UWV. De arts neemt vervolgens per mail contact op met de werkgever van klager teneinde overleg te hebben met de werkgever over hun plan met betrekking tot de re-integratie. De werkgever reageert niet.

2.6. Een laatste consult met klager vindt plaats op 5 mei 2011. Klager geeft te kennen dat hij oplopende spanningen ervaart vanwege de aard van de re-integratiewerkzaamheden. De arts vermeldt in zijn rapportage aan de werkgever deze oplopende spanningen bij klager en vraagt nogmaals om opheldering over het einddoel van de re-integratie.

2.7. Vanwege het feit dat een WIA-uitkering was aangevraagd maar daarvoor nog stukken dienden te worden aangeleverd, stelt de arts op 28 juli 2011 een actueel oordeel en een medisch resumé op voor de WIA-keuring. Klager geeft daarop  te kennen  het daarmee niet eens te zijn.

Tussen klager en de arts vindt voorts een briefwisseling plaats over de gang van zaken en er vindt (in het bijzijn van de directeur van de werkgever van de arts) op 6 januari 2012 een gesprek plaats tussen klager en de arts.

De arts heeft in de periode dat hij klager begeleidde niet de beschikking gehad over het medisch dossier van klager zoals dat door de eerdere bedrijfsarts moet zijn aangelegd.

De arts was bij de werkgever van klager werkzaam op basis van een contract op verrichtingenbasis hetgeen inhoudt dat de arts alleen werkzaamheden verrichtte (zoals het doen van een consult) wanneer die door de werkgever waren aangevraagd.

Op verzoek van de werkgever van klager is de arbeidsovereenkomst met klager uiteindelijk door de kantonrechter ontbonden.

 3. De klacht

De klachtonderdelen van klager laten zich als volgt samenvatten. Klager verwijt de arts dat hij:

1. zich partijdig ten opzichte van de werkgever van klager heeft opgesteld,

2. klager onprofessioneel heeft begeleid omdat hij heeft nagelaten

(a) medische informatie over klager bij de behandelend sector op te vragen,

(b) tijdig de benodigde documenten op te stellen en heeft nagelaten klager op te roepen voor een consult voorafgaande aan het opstellen van de documenten.

4. Het standpunt van de arts

De arts heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen grotendeels betwist. De arts heeft evenwel niet het verwijt weersproken dat hij in een eerder stadium en pas na overleg met en toestemming van klager de FML en het actueel oordeel had moeten opstellen. Voor zover voor de beoordeling van belang zal hierna worden ingegaan op hetgeen de arts als verweer heeft aangevoerd.

5. De beoordeling

De arts heeft zich partijdig ten opzichte van de werkgever van klager opgesteld

5.1. Voor zover klager met dit verwijt beoogt te stellen dat de documenten die door de arts zijn opgesteld een voor klager nadelige rol hebben gespeeld in de rechtszaak van klager tegen zijn werkgever over het beëindigen van het diensverband, kan dit verwijt niet worden aanvaard. De arts kan niet verantwoordelijk gehouden worden voor de omstandigheid dat, noch voor de wijze waarop, de door hem opgestelde documenten door de werkgever in een juridisch kader zijn aangewend. De arts heeft bovendien in de documenten steeds vermeld dat volledig herstel van klager te verwachten was welk standpunt in de procedure uiteindelijk niet is gevolgd.

Uit de uitdraai van het medisch dossier van klager evenals uit de rapportages van de spreekuren blijkt voorts niet van partijdigheid van de zijde van de arts  ten opzichte van klagers werkgever. Door de arts wordt het verwijt dat hij ‘onder één hoedje’ heeft gespeeld met de werkgever van klager ten stelligste ontkend. Ook anderszins zijn geen aanwijzingen gebleken die de conclusie van partijdigheid van de arts kunnen rechtvaardigen. De conclusie is dat dit verwijt ongegrond is en moet worden afgewezen.

De arts heeft klager onprofessioneel begeleid omdat hij heeft nagelaten medische informatie over klager bij de behandelend sector op te vragen

5.2. Vooropgesteld wordt dat in zijn algemeenheid niet gesteld kan worden dat een arts onder alle omstandigheden gehouden is informatie bij de behandelend sector op te vragen. Een arts kan aan de hand van eigen waarneming en het stellen van een eigen diagnose voldoende op de hoogte geraken van de toestand van een patiënt, waardoor het opvragen van informatie bij de behandelend sector achterwege kan blijven.

In de onderhavige zaak heeft de arts zich een beeld gevormd van de medische/psychische toestand waarin klager zich bevond op grond van hetgeen klager tijdens consulten aan de arts heeft verteld over zijn voorgeschiedenis, de opname, de behandelingen en over de hem voorgeschreven medicatie.

Gelet evenwel op het ontbreken van het medisch dossier over klager van de bedrijfsarts die klager had begeleid vóórdat de arts deze rol overnam en gelet op de lange duur dat klager niet werkzaam is geweest, in samenhang bezien met de ernst van de psychiatrische aandoening waar klager aan leed en de klinische opname die daarvoor heeft plaatsgevonden, had het in dit geval voor de hand gelegen dat de arts wél contact had gezocht met behandelaars van klager. Dit had de arts meer inzicht kunnen verschaffen in de aard en de ernst van het (de) psychiatrisch(e) beeld(en) en aan de hand van deze informatie had de arts eventuele arbeidsbelemmeringen beter vast kunnen stellen.

De arts heeft klager onprofessioneel begeleid omdat hij heeft nagelaten tijdig de benodigde documenten op te stellen en heeft nagelaten klager op te roepen voor een consult voorafgaande aan het opstellen van de documenten

5.3. De arts had niet een FML moeten opstellen zonder klager te hebben gezien en te hebben gesproken over de inhoud van de op te stellen FML. Hetzelfde geldt voor het opstellen van het actueel oordeel. De arts had zich bovendien bij het opstellen van een actueel oordeel niet mogen baseren op informatie van drie maanden daarvoor, maar hij had daarentegen klager moeten oproepen en het in te vullen actueel oordeel met klager dienen te bespreken. Dat de arts dit heeft nagelaten is verwijtbaar.

Het verweer, dan wel de uitleg van de arts, dat hij in een tijdsklem is komen te zitten, passeert het College. Het is aan de arts er voor zorg te dragen dat hij dusdanig de regie neemt in het te bewandelen traject dat hij niet nodeloos in een tijdsklem wordt gemanoeuvreerd zodat hij zijn werkzaamheden naar behoren volgens de geldende professionele standaard kan uitvoeren.

Conclusie

5.4. Uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting is besproken, rijst het beeld dat de arts onvoldoende proactief heeft gehandeld bij de begeleiding van klager. Dit geldt zowel met betrekking tot het consulteren van de behandelend sector (zoals overwogen onder 5.2) als met betrekking tot het zoeken van contact met de werkgever van klager om zich te laten informeren over de bedoelingen van de re-integratiewerkzaamheden, als ook met betrekking tot het opstellen van de benodigde documenten (zoals overwogen onder 5.3). Dit nalaten heeft geleid tot te weinig regie in het contact met de werkgever van klager omtrent het einddoel van de re-integratie, voorts tot het versloffen van de procedure van de WIA-aanvraag en ten slotte tot onvoldoende diepgang in anamnese en onderzoek in de bij klager ontstane problematiek (bij zijn re-integratiewerkzaamheden). De omstandigheid dat de arts toentertijd werkzaam was op basis van een contract op verrichtingenbasis (waarbij de opdrachtgever de regie heeft over de werkzaamheden van de arts), doet aan het hiervoor vermelde niet af. Het is aan de arts er voor zorg te dragen dat hij werkzaam is in een kader dat hem voldoende de mogelijkheid geeft om zijn werkzaamheden uit te voeren op een wijze die in overeenstemming is met de aan hem gestelde professionele vereisten.

5.5. De als passief aan te merken houding van de arts die er toe heeft geleid dat geen nadere informatie van de behandelend sector is opgevraagd, en dat documenten (FML en actueel oordeel) zijn ingevuld terwijl klager daar niet bij betrokken is geweest, is dus verwijtbaar. Nu de arts er blijk van heeft gegeven zelf ook in te zien dat meer daadkracht van zijn zijde op zijn plaats was geweest en hij heeft aangegeven het juridisch kader waarin hij zijn werkzaamheden uitvoert (het contract op verrichtingenbasis) inmiddels te hebben aangepast zodat er meer ruimte is voor eigen initiatief en regie van zijn zijde, volstaat het College met de onderstaande maatregel.

6. De beslissing

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te ’s-Gravenhage beslist als volgt:

legt de maatregel van WAARSCHUWING op.

Deze beslissing is gegeven door: mr. J.S.W. Holtrop, voorzitter; mr. E.B. Schaafsma-van Campen, lid-jurist; R.H.P. van Beest, M. Keus, en prof. dr. M.E. Vierhout, leden-artsen, bijgestaan door mr. S.R.M.I. Roos-Bollen, secretaris en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 januari 2013.

voorzitter                                                                                          secretaris

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezond­heidszorg door:

a.         de klager en/of klaagster, voorzover de klacht is afgewezen, of voorzover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;

b.         degene over wie is geklaagd;

c.         de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat.

Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroep­schrift wordt ingezon­den bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcolle­ge voor de Gezondheidszorg te

's-Gravenhage, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.