ECLI:NL:TGZRSGR:2013:YG2579 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2011-253a
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSGR:2013:YG2579 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 22-01-2013 |
| Datum publicatie: | 22-01-2013 |
| Zaaknummer(s): | 2011-253a |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Klaagster verwijt de gynaecoloog dat deze de bevalling heeft toevertrouwd aan een niet competente arts en onvoldoende toezicht heeft gehouden op de – risicovolle – bevalling van klaagster. Ook wordt de arts verweten dat de geldende procedureregels en/of protocollen niet goed zijn gevolgd en dat niet de mogelijkheid van een sectio aan klaagster is aangeboden. Klacht afgewezen. |
Datum uitspraak: 22 januari 2013
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te 's-Gravenhage heeft de navolgende beslissing gegeven inzake de klacht van:
A,
wonende te B,
klaagster,
tegen:
C, gynaecoloog,
wonende te B,
de persoon over wie geklaagd wordt,
hierna te noemen de arts.
1. Het verloop van het geding
Het klaagschrift (met bijlagen) van mr. R.M. van der Zwan, advocaat te ’s-Gravenhage, is ontvangen op 8 december 2011. Op 19 december 2011 heeft het College het medisch dossier ontvangen, ingestuurd door mr. Van der Zwan. De arts heeft via zijn gemachtigde mr. M.C. Hoorweg-de Boer, werkzaam bij VvAA rechtsbijstand te Utrecht, bij verweerschrift (met bijlagen) verweer gevoerd. Daarop volgden een repliek (met bijlage) en een dupliek (met bijlagen). Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om in het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.
De mondelinge behandeling door het College heeft plaatsgevonden ter openbare zitting van 27 november 2012. Klaagster is niet ter zitting verschenen. Wel is ter zitting verschenen haar advocaat mr. Van der Zwan voornoemd. De arts is ter zitting verschenen en werd bijgestaan door mr. S.M. Steegmans, werkzaam bij VvAA rechtsbijstand te Utrecht. Partijen hebben hun standpunten mondeling toegelicht.
2. De feiten
2.1 De klacht betreft de bevalling van klaagster van haar derde kind, een dochter D (geboortegewicht 4490 gram), in december 2010 in het G Ziekenhuis te
B.
2.2 Klaagster was opgenomen in het ziekenhuis voor haar bevalling onder begeleiding van een eerstelijns verloskundige, daar de ongeboren baby naar verwachting groter was dan een gemiddeld geschat kind. Ook bij haar eerste kind bleek klaagster in verwachting te zijn van een groter dan gemiddeld geschat kind. Bij deze eerste bevalling, onder begeleiding van de verloskundige, was sprake geweest van ‘een moeizame schouderontwikkeling’. Bij de tweede bevalling van klaagster was sprake van een kleiner kind. Deze bevalling was ongecompliceerd verlopen.
2.3 Toen op de dag van de bevalling op een zeker moment sprake was van 6 cm ontsluiting is de bevalling van klaagster overgedragen aan de 2e lijn in verband met meconiumhoudend vruchtwater. Na overleg is besloten dat de bevalling verder onder leiding van de arts-assistent gynaecologie E zou plaatsvinden.
Na een vlotte ontsluiting stagneerde de bevalling na de geboorte van het hoofd. De bevalling werd gecompliceerd door een schouderdystocie. Via de noodbel is om assistentie gevraagd, waarna is overgegaan tot toepassing van het in het ziekenhuis geldende protocol schouderdystocie. De arts-assistent E heeft tweemaal de McRoberts-manoeuvre verricht. Toen het niet lukte om hiermee de schouders te ontwikkelen is vervolgens inwendige rotatie van de voorste schouder geprobeerd. Toen dit ook niet lukte heeft de arts-assistent tevergeefs geprobeerd het achterste armpje af te halen. Vervolgens hebben de klinisch verloskundige, die inmiddels de verloskamer was binnengekomen, en de arts-assistent klaagster gedraaid in de all-fours positie. De arts, die op die dag als supervisor op de verloskamers in het ziekenhuis aanwezig was, kwam op dit moment ook binnen. Het lukte in voornoemde positie om de voorliggende arm af te halen, waarna D is geboren. D is verder opgevangen door de kinderarts.
2.4 D is overgeplaatst naar het F ziekenhuis in verband met een gebroken humerus rechts en een Erbse parese links. De bevalling van klaagster is ook gecompliceerd door een fluxus post partum en een totaal ruptuur.
2.5 Klaagster heeft een klacht ingediend bij de Klachtencommissie van het G Ziekenhuis en heeft haar medisch adviseur om advies gevraagd. Deze heeft op 2 augustus 2011 schriftelijk gereageerd.
De Klachtencommissie heeft op 20 september 2011 uitspraak gedaan en de klachten ongegrond verklaard, waarna klaagster een klacht bij het Tuchtcollege heeft ingediend.
2.6 D is inmiddels een aantal keer geopereerd. Waarschijnlijk volgt er nog een operatie. Het ziet er thans naar uit dat er sprake is van blijvend letsel bij D. Klaagster zelf ondervindt sinds de bevalling ook nog steeds lichamelijke en geestelijke klachten.
3. De klacht
Klaagster verwijt de arts dat hij de bevalling heeft toevertrouwd aan een niet competente arts en dat hij - als supervisor - onvoldoende toezicht heeft gehouden op de (risicovolle) bevalling van klaagster. Daarnaast wordt de arts verweten dat de geldende procedureregels en/of protocollen niet goed zijn gevolgd.
Ter zitting heeft de advocaat van klaagster namens haar ook als verwijt aangevoerd dat niet de mogelijkheid van een sectio aan klaagster is aangeboden.
4. Het standpunt van de arts
De arts heeft gemotiveerd verweer gevoerd, waarop hierna zo nodig nader zal worden ingegaan.
5. De beoordeling
5.1 De arts wordt allereerst verweten dat hij de bevalling van klaagster heeft toevertrouwd aan een niet competente arts.
Gelet op de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, oordeelt het College dat de arts-assistent E niet alleen bevoegd maar ook bekwaam was om de bevalling van klaagster te begeleiden. Hier wordt overgenomen en verwezen naar de beoordeling in de zaak 2011-253b tegen de arts-assistent, welke heden eveneens wordt uitgesproken.
5.2 Voorts wordt de arts verweten dat hij - als supervisor - onvoldoende toezicht heeft gehouden op de (risicovolle) bevalling van klaagster.
Als supervisor was de arts eindverantwoordelijk voor de bevalling van klaagster. De arts heeft aangevoerd dat hij voldoende toezicht heeft gehouden op de bevalling. Hij was middels de overdracht op de hoogte van de bevalling en de geschatte grootte van de ongeboren baby en hij heeft met de arts-assistent E overleg gehad over de opname. De voorgeschiedenis van klaagster, zoals genoteerd op de verloskundigenkaart, vermeldde bij haar eerste partus ‘moeizame schouderontwikkeling’. Dit gaf voor de arts geen aanleiding om de gehele uitdrijvingsfase op de verloskamer aanwezig te zijn. De arts had toegezegd, zoals onweersproken is gesteld, wel stand-by te zijn zodra de uitdrijving begon.
Het College acht het verdedigbaar dat de arts niet vanaf het begin van de bevalling ter ondersteuning in de verloskamer aanwezig was. De eerste bevalling van klaagster, waarbij genoteerd was ‘moeizame schouderontwikkeling’, heeft geheel onder begeleiding van de verloskundige plaatsgevonden. Het feit dat bij deze eerste bevalling verder geen melding is gemaakt van bijzondere complicaties of restverschijnselen dan wel dat bepaalde bijzondere handelingen zijn verricht, wijst er op dat bij deze bevalling van klaagster geen sprake is geweest van een ‘schouderdystocie’. De arts kon dus de bevalling in redelijkheid overlaten aan de door hem terecht als bekwaam gekwalificeerde arts-assistent.
Het was wellicht beter geweest als nog extra zekerheid omtrent de omstandigheden waaronder de eerste bevalling was verlopen was verkregen via klaagster zelf dan wel via de verloskundige, maar het feit dat dit niet is gebeurd valt de arts niet (tuchtrechtelijk) te verwijten.
Vaststaat dat op het moment dat via de noodbel om assistentie was gevraagd, de arts direct naar de verloskamer is gegaan. Hij heeft als supervisor verder niet hoeven in te grijpen. Kort na zijn binnenkomst in de verloskamer werd D geboren.
5.3 Als derde klachtonderdeel wordt de arts verweten dat de geldende procedureregels en/of protocollen niet goed zijn gevolgd.
Ook ten aanzien van dit verwijt wordt verwezen naar, en overgenomen de beoordeling in de zaak 2011-253b: Nu het College in deze zaak concludeert dat de arts-assistent de geldende procedureregels en/of protocollen omtrent ‘schouderdystocie’ correct heeft gevolgd, valt reeds daarom de arts als supervisor hieromtrent geen (tuchtrechtelijk) verwijt te maken.
Gelet op hetgeen hierboven is overwogen, dienen de verwijten zoals vermeld onder 5.1, 5.2 en 5.3 ongegrond te worden verklaard.
5.4 Ter zitting is namens klaagster ook als verwijt aangevoerd dat niet de mogelijkheid van een sectio aan haar is aangeboden.
Namens de arts is door mr. Steegmans bezwaar gemaakt tegen het late stadium van indienen van dit nieuwe klachtonderdeel. Het College verwerpt dit bezwaar nu de arts ter zitting in staat is geweest zich daartegen naar behoren te verweren.
Nu de bevalling in eerste instantie werd begeleid door de verloskundige, moet dit klachtonderdeel betrekking hebben op het laatste deel van de bevalling van klaagster. Bij 6 cm ontsluiting is de bevalling overgedragen aan de 2e lijn. In Nederland is men binnen het vakgebied gynaecologie en verloskunde van mening dat bij een gewone bevalling niet standaard een sectio moet worden gedaan. Dat dus bij de overdracht aan de 2e lijn niet onmiddellijk aan klaagster de mogelijkheid van een sectio is aangeboden, valt de arts - als supervisor - dan ook niet (tuchtrechtelijk) te verwijten. Er was ook geen bijzondere reden om in deze zaak een andere lijn te volgen. De eerdere bevallingen van klaagster hebben geen (noemenswaardige) problemen gekend. Bij deze derde bevalling is na een verdere vlotte ontsluiting - waarbij opnieuw geen sprake was van een complicatie - het hoofdje van de baby al gauw geboren. Vanaf dat moment was een sectio al helemaal niet meer aan de orde. Ook dit klachtonderdeel dient derhalve te worden afgewezen.
5.5 Gelet op het bovenstaande komt het College tot de slotsom dat de klacht in haar geheel ongegrond dient te worden verklaard.
6. De beslissing
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te ’s-Gravenhage beslist als volgt:
wijst de klacht af.
Deze beslissing is gegeven door: mr. J.S.W. Holtrop, voorzitter; mr. E.B. Schaafsma-van Campen, lid-jurist; prof. dr. M.E. Vierhout, R.H.P. van Beest en M. Keus, leden-artsen, bijgestaan door mr. S.R.M.I. Roos-Bollen, secretaris, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 januari 2013.
voorzitter secretaris
Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door:
a. klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover zij niet-ontvankelijk is verklaard;
b. degene over wie is geklaagd;
c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat.
Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te
's-Gravenhage, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.