ECLI:NL:TGZRSGR:2013:YG2578 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2011-253b
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSGR:2013:YG2578 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 22-01-2013 |
| Datum publicatie: | 22-01-2013 |
| Zaaknummer(s): | 2011-253b |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Klaagster verwijt de arts dat zij onvoldoende competent/ervaren was om een bevalling zoals die zich bij klaagster liet aanzien uit te voeren en voorts dat zij de geldende procedures/protocollen niet goed heeft gevolgd. Ook werd de arts verweten dat niet de mogelijkheid van een sectio aan klaagster is aangeboden. Klacht afgewezen. |
Datum uitspraak: 22 januari 2013
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te 's-Gravenhage heeft de navolgende beslissing gegeven inzake de klacht van:
A,
wonende te B,
klaagster,
tegen:
C, arts,
wonende te D,
de persoon over wie geklaagd wordt,
hierna te noemen de arts.
1. Het verloop van het geding
Het klaagschrift (met bijlagen) van mr. R.M. van der Zwan, advocaat te ’s-Gravenhage, is ontvangen op 8 december 2011. Op 19 december 2011 heeft het College het medisch dossier ontvangen, ingestuurd door mr. Van der Zwan. De arts heeft via haar gemachtigde mr. M.C. Hoorweg-de Boer, werkzaam bij VvAA rechtsbijstand te Utrecht, bij verweerschrift (met bijlagen) verweer gevoerd. Daarop volgden een repliek (met bijlage) en een dupliek. Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om in het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.
De mondelinge behandeling door het College heeft plaatsgevonden ter openbare zitting van 27 november 2012. Klaagster is niet ter zitting verschenen. Wel is ter zitting verschenen haar advocaat mr. Van der Zwan voornoemd. De arts is ter zitting verschenen en werd bijgestaan door mr. S.M. Steegmans, werkzaam bij VvAA rechtsbijstand te Utrecht. Partijen hebben hun standpunten mondeling toegelicht.
2. De feiten
2.1 De klacht betreft de bevalling van klaagster van haar derde kind, een dochter E (geboortegewicht 4490 gram), in december 2010 in het F Ziekenhuis te
B.
2.2 Klaagster was opgenomen in het ziekenhuis voor haar bevalling onder begeleiding van een eerstelijns verloskundige, daar de ongeboren baby naar verwachting groter was dan een gemiddeld geschat kind. Ook bij haar eerste kind bleek klaagster in verwachting te zijn van een groter dan gemiddeld geschat kind. Bij deze eerste bevalling, onder begeleiding van de verloskundige, was sprake geweest van ‘een moeizame schouderontwikkeling’. Bij de tweede bevalling van klaagster was sprake van een kleiner kind. Deze bevalling was geheel ongecompliceerd verlopen.
2.3 De arts was toen als arts-assistent gynaecologie op de afdeling werkzaam. Thans is zij in haar 1e jaar in opleiding tot gynaecoloog.
2.4 Toen op de dag van de bevalling op een zeker moment sprake was van 6 cm ontsluiting is de bevalling van klaagster overgedragen aan de 2e lijn in verband met meconiumhoudend vruchtwater. De arts heeft hierop overleg gehad met haar supervisor, gynaecoloog G. Besloten werd dat de arts de bevalling zelf zou begeleiden, waarbij afgesproken was dat haar supervisor te allen tijde bereikbaar was indien assistentie nodig mocht zijn.
Na een vlotte ontsluiting stagneerde de bevalling na de geboorte van het hoofd. De bevalling werd gecompliceerd door een schouderdystocie. Er is via de noodbel om assistentie gevraagd, waarna is overgegaan tot toepassing van het in het ziekenhuis geldende protocol schouderdystocie. De arts heeft tweemaal de McRoberts-manoeuvre verricht. Toen het niet lukte om hiermee de schouders te ontwikkelen is vervolgens inwendige rotatie van de voorste schouder geprobeerd. Toen dit ook niet lukte heeft de arts tevergeefs nog geprobeerd het achterste armpje af te halen. Vervolgens hebben de klinisch verloskundige, die inmiddels de verloskamer was binnengekomen, en de arts klaagster gedraaid in de all-fours positie. Op dat moment kwam ook de gynaecoloog G, die op die dag als supervisor op de verloskamers in het ziekenhuis aanwezig was, binnen. Het lukte in voornoemde positie om de voorliggende arm af te halen, waarna E is geboren. E is hierna verder opgevangen door de kinderarts.
2.5 E is overgeplaatst naar het H ziekenhuis in verband met een gebroken humerus rechts en een Erbse parese links. De bevalling van klaagster is ook gecompliceerd door een fluxus post partum en een totaal ruptuur.
2.6 Klaagster heeft een klacht ingediend bij de Klachtencommissie van het F Ziekenhuis en heeft haar medisch adviseur om advies gevraagd. Deze heeft op 2 augustus 2011 schriftelijk gereageerd.
De Klachtencommissie heeft op 20 september 2011 uitspraak gedaan en de klachten ongegrond verklaard, waarna klaagster een klacht bij het Tuchtcollege heeft ingediend.
2.7 E is inmiddels een aantal keer geopereerd. Waarschijnlijk volgt er nog een operatie. Het ziet er thans naar uit dat er sprake is van blijvend letsel bij E. Klaagster zelf ondervindt sinds de bevalling ook nog steeds lichamelijke en geestelijke klachten.
3. De klacht
Klaagster verwijt de arts dat zij onvoldoende competent/ervaren was om een bevalling zoals die zich bij klaagster liet aanzien uit te voeren. Daarnaast wordt de arts verweten dat de geldende procedureregels en/of protocollen niet goed zijn gevolgd.
Ter zitting heeft de advocaat van klaagster namens haar ook als verwijt aangevoerd dat niet de mogelijkheid van een sectio aan klaagster is aangeboden.
4. Het standpunt van de arts
De arts heeft gemotiveerd verweer gevoerd, waarop hierna zo nodig nader zal worden ingegaan.
5. De beoordeling
5.1 De arts wordt allereerst verweten dat zij onvoldoende competent/ervaren was om een bevalling zoals die zich bij klaagster liet aanzien uit te voeren.
Gelet op de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, oordeelt het College dat de arts niet alleen bevoegd maar ook bekwaam was om de bevalling van klaagster te begeleiden. Ten tijde van de bevalling van klaagster werkte de arts sinds 17 maanden (vanaf augustus 2009) op de afdeling gynaecologie en verloskunde als arts-assistent niet in opleiding. In die periode heeft de arts volgens haar schatting een 100-tal bevallingen begeleid, waarbij zij zeker drie keer ook een schouderdystocie heeft meegemaakt. Ook in het rapport van de hiervoor bedoelde medisch adviseur wordt vermeld dat de scholing en de ervaring van de arts voldoende waren om de bevalling van klaagster zelfstandig te begeleiden, mits na overleg met de dienstdoende gynaecoloog en het verzoek aan de dienstdoende gynaecoloog om stand-by te zijn zodra de uitdrijving begon. Er heeft van te voren overleg plaatsgevonden tussen de arts en de dienstdoende gynaecoloog, haar supervisor. De supervisor had besloten dat de arts de bevalling van klaagster kon verrichten en had toegezegd om stand-by te zijn zodra de uitdrijving begon.
Het eerste klachtonderdeel dient gelet op het bovenstaande te worden afgewezen.
5.2 De arts wordt voorts verweten dat de geldende procedureregels en/of protocollen niet goed zijn gevolgd.
Na bestudering van alle overgelegde stukken en gelet op hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, beschikt het College niet over een aanwijzing dat de arts tijdens de bevalling van klaagster niet conform de geldende procedureregels en/of protocollen heeft gehandeld.
In bedoeld rapport van de medisch adviseur wordt ten aanzien van het handelen in aansluiting op het optreden van de schouderdystocie een enkel kritiekpunt genoemd. Anders dan de medisch adviseur kennelijk meent oordeelt het College niet over een aanwijzing te beschikken dat de door de arts uitgevoerde handelingen niet op een juiste (medische) wijze zijn uitgevoerd.
Ten aanzien van het geuite verwijt dat de arts geen episiotomie heeft gezet, overweegt het College dat deze handeling wellicht voor meer ruimte zorgt voor de benodigde handeling(en), waaronder die bij een eventuele dystocie, maar dat daarmee niet de schouderdystocie kan worden voorkomen. Het is daarom verdedigbaar dat een arts niet routinematig bij voorbaat een episiotomie zet. In de onderhavige zaak was bovendien sprake van een snelle vordering van de bevalling. Na de geboorte van het hoofd van de baby kan het zetten van een episiotomie niet alleen lastig maar ook gevaarlijk zijn wegens het risico op beschadiging van moeder of kind. Het College acht het nalaten van een episiotomie op dat moment in dit geval derhalve weloverwogen, verdedigbaar en niet (tuchtrechtelijk) verwijtbaar. Bij klaagster was er bovendien sprake van een totaalruptuur. Gelet op die complicatie had het zetten van een episiotomie geen enkele zin meer.
Tot slot overweegt het College nog dat, mocht er door de arts geen suprapubische impressie zijn verricht, dit nalaten daarvan de arts niet (tuchtrechtelijk) valt te verwijten, daar bekend is dat er binnen het vakgebied van Gynaecologie en Verloskunde vaak kritiek wordt geuit op die handeling. De suprapubische impressie valt in de praktijk namelijk niet altijd goed uit te voeren en het (gunstige) effect ervan staat ter discussie.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dient ook het tweede klachtonderdeel te worden afgewezen.
5.3 Ter zitting is namens klaagster ook als verwijt aangevoerd dat niet de mogelijkheid van een sectio aan haar is aangeboden.
Namens de arts is door mr. Steegmans bezwaar gemaakt tegen het late stadium van indienen van dit nieuwe klachtonderdeel. Het College verwerpt dit bezwaar nu de arts ter zitting in staat is geweest zich daartegen naar behoren te verweren.
Nu de bevalling in eerste instantie werd begeleid door de verloskundige, moet dit klachtonderdeel betrekking hebben op het laatste deel van de bevalling van klaagster. Bij 6 cm ontsluiting is de bevalling overgedragen aan de 2e lijn. In Nederland is men binnen het vakgebied Gynaecologie en Verloskunde van mening dat bij een gewone bevalling niet standaard een sectio moet worden gedaan. Dat dus bij de overdracht aan de 2e lijn niet onmiddellijk aan klaagster de mogelijkheid van een sectio is aangeboden, valt de arts dan ook niet (tuchtrechtelijk) te verwijten. Er was ook geen bijzondere reden om in deze zaak een andere lijn te volgen. De eerdere bevallingen van klaagster hebben geen (noemenswaardige) problemen gekend. Bij deze derde bevalling is na een verdere vlotte ontsluiting - waarbij opnieuw geen sprake was van een complicatie - het hoofdje van de baby al gauw geboren. Vanaf dat moment was een sectio al helemaal niet meer aan de orde. Ook dit klachtonderdeel dient derhalve te worden afgewezen.
5.4 Gelet op het bovenstaande komt het College tot de slotsom dat de klacht in haar geheel ongegrond dient te worden verklaard.
6. De beslissing
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te ’s-Gravenhage beslist als volgt:
wijst de klacht af.
Deze beslissing is gegeven door: mr. J.S.W. Holtrop, voorzitter; mr. E.B. Schaafsma-van Campen, lid-jurist; prof. dr. M.E. Vierhout, R.H.P. van Beest en M. Keus, leden-artsen, bijgestaan door mr. S.R.M.I. Roos-Bollen, secretaris, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 januari 2013.
voorzitter secretaris
Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door:
a. klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover zij niet-ontvankelijk is verklaard;
b. degene over wie is geklaagd;
c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat.
Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te
's-Gravenhage, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.