ECLI:NL:TGZRSGR:2013:YG2553 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2011-252

ECLI: ECLI:NL:TGZRSGR:2013:YG2553
Datum uitspraak: 15-01-2013
Datum publicatie: 15-01-2013
Zaaknummer(s): 2011-252
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Klaagster verwijt de tandarts dat zij de wortelkanaalbehandeling aan element 26 niet goed heeft uigevoerd, geen ‘cofferdam’ heeft gebruikt en tijdens de behandelingen maar één handschoen heeft gedragen. Klager verwijt de tandarts voorts dat zij ten onrechte meerdere initiële behandelkosten in rekening heeft gebracht. Berisping.  

Datum uitspraak: 15 januari 2013

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te 's-Gravenhage heeft de navolgende beslissing gegeven inzake de klacht van:

A,

wonende te B,

klaagster,

tegen:

C, tandarts,

werkzaam te B,

wonende te C,

de persoon over wie wordt geklaagd,

hierna te noemen de tandarts.             

1. Het verloop van het geding

Het klaagschrift is ontvangen op 7 december 2011. De gemachtigde van de tandarts

mr C. Velink, advocaat te Amsterdam, heeft namens de tandarts verweer gevoerd. Klaagster heeft bij brief van 2  april 2012, ingekomen op 11 april 2012, nog kopieën van foto’s (gemaakt door de tandarts in 2007 en door de huidige tandarts) alsmede van een uitdraai van de apotheek overgelegd. Hierna heeft klaagster gerepliceerd en is namens de tandarts gedupliceerd. Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om in het vooronderzoek te worden gehoord. De mondelinge behandeling door het College heeft plaatsgevonden op 20 november 2012. Klaagster is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De tandarts is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde voornoemd. Zij hebben hun standpunten mondeling toegelicht, de gemachtigde aan de hand van pleitnotities.

2. De feiten

2.1.      Klaagster is sinds medio 2008 patiënte bij de tandarts. Na een periodieke controle op 12 april 2010 heeft de tandarts op 26 april 2010 bij klaagster een drievlaksvulling aangebracht in element 26. Na pijnklachten aan de 26 heeft op 17 mei 2010 een incidenteel consult plaatsgevonden. Op 7 juni 2010 heeft de tandarts een initiële wortelkanaalbehandeling aan de 26 verricht. Op  28 juni 2010 heeft de tandarts de wortelkanaalbehandeling (driekanalig elem.) afgerond. Op 23 februari 2011 heeft de tandarts  een foto gemaakt van element 26. Eerdere behandel en (-controle) foto’s van dit element (rond voormelde behandelperiode) zijn door de tandarts niet gemaakt.

2.2       Eind 2011 heeft klaagster zich tot een andere tandarts gewend.

3. De klacht

Klaagster verwijt de tandarts (i) dat zij de wortelkanaalbehandeling aan element 26 niet goed heeft uitgevoerd, met als gevolg dat deze kies verloren is; (ii) dat de tandarts geen ‘cofferdam’ heeft gebruikt en tijdens de behandelingen maar één handschoen heeft gedragen, en (iii) (bij repliek) dat ten onrechte meerdere initiële behandelkosten in rekening zijn gebracht. 

4. Het standpunt van de tandarts

De arts heeft de klachten en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig zal daarop hieronder worden ingegaan.

5.  Beoordeling

5.1       Ten aanzien van klachtonderdeel (i).

Deze klacht is grotendeels gegrond. Uit de door klaagster overgelegde foto’s, door de opvolgend tandarts bij inschrijving in de praktijk gemaakt, blijkt duidelijk dat de wortelkanaalbehandeling aan element 26 niet goed is verricht. Met name zijn de wortelkanalen niet, dan wel ontoereikend gevuld, terwijl daarnaast ook nog ontstekingen zijn te zien. Kennelijk is de tandarts met deze behandeling niet in staat geweest de (ondermeer pijn veroorzakende) ontstekingen onder controle te krijgen.

Niet geheel duidelijk is of de tandarts in verband met aanhoudende pijnen aan dit element pijnstilling en/of antibiotica heeft voorgeschreven, aangezien inmiddels is gebleken dat de tandarts op dit punt het tandheelkundig dossier niet volledig bijhield. Hoe dan ook, deze middelen betreffen alleen symptoombestrijding en lossen de oorzaak van aanhoudende klachten niet op. Gevergd had mogen worden dat de tandarts kort na de wortelkanaalbehandeling controlefoto’s had gemaakt, zeker toen er sprake bleef van pijnklachten. Van controlefoto‘s  is echter geen sprake geweest. Voor zover de tandarts bedoeld heeft te stellen dat de pijnklachten aan element 26 waren verdwenen, heeft de tandarts dit, mede gelet op de ontoereikende dossiervoering en de stellingen van klaagster, onvoldoende onderbouwd. Hierbij wijst het College er bovendien nog op dat de tandarts niet heeft uitgelegd wat de reden was van het maken van een foto op 23 februari 2011. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, vormt deze foto een aanwijzing dat er kennelijk (nog) klachten waren aan de 26. Overigens heeft deze foto de tandarts kennelijk niet tot nadere actie gebracht, nu het tandheelkundig dossier daarover niets vermeldt.

De behandeling van element 26 is dus ontoereikend geweest. Van definitief verlies is geen sprake, nu de opvolgend tandarts dit element van een nieuwe wortelkanaalbehandeling heeft voorzien.

5.2       Ten aanzien van klachtonderdeel (ii).

De arts heeft weersproken dat zij onhygiënisch heeft gehandeld. Zij draagt naar haar zeggen altijd handschoenen en volgt de Richtlijn infectiepreventie in de tandheelkundige praktijk. Nu partijen zich op dit onderdeel tegenspreken, kan het College niet vaststellen wat precies de gang van zaken is geweest. Dit onderdeel van de klacht zal worden afgewezen.

5.3       Ten aanzien van klachtonderdeel (iii).

Dit betreft de wijze van declareren door de tandarts. Ondanks het feit dat dit klachtonderdeel pas bij repliek naar voren is gebracht, zal het College dit bespreken. De tandarts heeft zich immers ruimschoots (bij dupliek en tijdens de mondelinge behandeling) tegen dit punt kunnen verweren. Daarenboven acht het College ook ambtshalve beoordeling hiervan gewenst.

De tandarts wordt verweten dat zij teveel heeft gedeclareerd, te weten zowel de spoedbehandeling (de initiële wortelkanaalbehandeling) als de uiteindelijke wortelkanaalbehandeling.

De tandarts heeft zelf zowel de initiële wortelkanaalbehandeling op 7 juni 2010 als de voltooiing ervan op  28 juni 2010 verricht. Ditzelfde geldt

voor een latere wortelkanaalbehandeling aan element 15. In een dergelijk geval is niet toegestaan dat de tandarts beide behandelingen declareert. Aparte vergoeding van initiële wortelkanaalbehandeling is bedoeld voor de noodgevallen, namelijk wanneer een ándere tandarts spoedshalve noodmaatregelen moet treffen. Die spoed-tandarts mag dan hiervoor declareren (niet ingeval één tandarts beide behandelingen verricht), waarna de eigen tandarts de wortelkanaalbehandeling kan declareren. Ook dit klachtonderdeel is gegrond.

5.4       De slotsom van het voorgaande is dat de tandarts, zowel bij de wortelkanaalbehandeling, de (ambtshalve beoordeelde en besproken) dossiervoering als de wijze van declareren tekort is geschoten. Na te melden maatregel acht het College passend en geboden.

6. De beslissing

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te ’s-Gravenhage beslist als volgt:

legt de maatregel van een BERISPING op.

Deze beslissing is gegeven door: mr. M.A.F. Tan- de Sonnaville, voorzitter,mr. R.P. Wijne, lid-jurist, H.C. Teune, M.M.L.F. Smulders en J.M.W. Croes,  leden-tandartsen, bijgestaan door mr. I.C.M. Spitters, secretaris, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 januari 2013.

voorzitter                                                                                          secretaris

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezond­heidszorg door:

a.         de klager, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij niet-ontvankelijk is verklaard;

b.         degene over wie is geklaagd;

c.         de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van het Staatstoezicht op de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat.

Het tot het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroep­schrift wordt ingezon­den bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcolle­ge voor de Gezondheidszorg te

's-Gravenhage, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.