ECLI:NL:TGZRSGR:2013:YG2552 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2011-203
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSGR:2013:YG2552 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 15-01-2013 |
| Datum publicatie: | 15-01-2013 |
| Zaaknummer(s): | 2011-203 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Klaagster verwijt de tandarts dat hij gedurende 35 jaar nalatig is geweest bij de tandheelkundige behandeling van haar gebit. Berisping. |
Datum uitspraak: 15 januari 2013
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te 's-Gravenhage heeft de navolgende beslissing gegeven inzake de klacht van:
A,
wonende te B,
klaagster,
tegen:
C, tandarts,
wonende te D,
de persoon over wie geklaagd wordt,
hierna te noemen de tandarts.
1. Het verloop van het geding
Het klaagschrift is ontvangen op 4 oktober 2011. De tandarts heeft tegen de klacht verweer gevoerd, waarna partijen hebben gerepliceerd, respectievelijk gedupliceerd. Voorts zijn foto’s overgelegd. Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om in het vooronderzoek mondeling te worden gehoord. De mondelinge behandeling door het College heeft plaatsgevonden ter openbare zitting van 20 november 2012. Partijen zijn verschenen en hebben hun standpunten mondeling toegelicht.
2. De feiten
2.1 Klaagster heeft vanaf 1976 bij de tandarts tandheelkundige behandelingen ondergaan. Tot aan 2004 bestonden de behandelingen onder meer uit controles, het vullen van elementen en een wortelkanaalbehandeling ter plaatse van element 46.
2.2 In verband met parodontale problemen heeft de tandarts klaagster in 2004 verwezen naar een mondhygiëniste. De mondhygiëniste is zelfstandig gevestigd. Er vond geen overleg tussen de tandarts en de mondhygiëniste plaats. Evenmin werd door de mondhygiëniste aan de tandarts gerapporteerd. De tandarts is de (half)jaarlijkse controles van klaagsters gebit blijven verrichten.
2.3 In 2005 was een situatie ontstaan met een aantal zwaar gevulde elementen en nog maar weinig eigen tandmateriaal. De tandarts heeft getracht deze elementen te behouden met kroon- en brugwerk. Voorts zijn in de periode vanaf 2005 twee wortelkanaalbehandelingen verricht; één in april 2005 ter plaatse van element 26 en één in november 2007 ter plaatse van element 16. Klaagster had in diezelfde periode vaak last van ontstekingen, waarvoor de tandarts een aantal keren een antibioticum heeft voorgeschreven.
2.4 In verband met de ontstekingsklachten die niet leken te verdwijnen, heeft klaagster zich begin 2011 tot een andere tandarts gewend. Deze heeft van het gebit van klaagster twee bitewing-foto’s en een overzichtsfoto (OPT) gemaakt. Uit deze foto’s is van een aantal gebitsproblemen gebleken, waarvan klaagster niet op de hoogte was. De problemen zijn van dien aard dat klaagster is geadviseerd verschillende herstellende (waaronder ook chirurgische) behandelingen te ondergaan.
3. De klacht
Klaagster verwijt de tandarts dat hij gedurende 35 jaar nalatig is geweest bij de tandheelkundige behandeling van haar gebit.
4. Het standpunt van de tandarts
De tandarts heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.
5. De beoordeling
5.1 Ter toetsing staat of de tandarts bij het beroepsmatig handelen buiten de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is getreden, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard. Het College is van oordeel dat de tandarts in vorenbedoelde zin tekortgeschoten is. Dit wordt als volgt gemotiveerd.
5.2 Uit de bestudering van de aan het College overgelegde foto’s - gemaakt door de nieuwe tandarts van klaagster - is gebleken van een aantal langer bestaande gebitsproblemen. Het betreft parodontale problemen (van tandvlees en kaakbot) en endodontische problemen (van wortelkanaalbehandelingen). Voor de parodontale problemen heeft de tandarts klaagster op goede gronden verwezen naar de mondhygiëniste. Dit is echter niet voldoende, nu er geen sprake was van enige afstemming tussen tandarts en mondhygiëniste en nu de tandarts bovendien zelf in het geheel geen (half)jaarlijkse controles van het tandvlees verrichtte. Het behoort tot de taak van de tandarts bij de (reguliere) controles ook het tandvlees te beoordelen. De tandarts kan zich met een verwijzing naar de mondhygiëniste niet aan deze verantwoordelijkheid onttrekken. Dit geldt des te sterker, nu – zoals gezegd – er geen enkele terugkoppeling van de mondhygiëniste was en ook overigens de ernst van de klachten en de toestand van het tandvlees het uitblijven van controles niet toeliet.
5.3 Wat de wortelkanaalproblemen betreft wordt opgemerkt dat de tandarts ter zitting heeft verklaard niets met de wortelpuntontstekingen te hebben gedaan, anders dan het voorschrijven van een antibioticumkuur, hetgeen slechts symptoombestrijding is. Het gevolg is dat er kronen zijn geplaatst op elementen die (nog steeds) een apicaal probleem vertoonden. Wat de tandarts had moeten doen, was het endodontisch herbehandelen van de elementen met een wortelpuntontsteking . Was endodontische herbehandeling niet mogelijk of had dit niet tot het gewenste resultaat geleid, dan had de tandarts moeten kiezen voor een verwijzing voor een endodontische herbehandeling door een gespecialiseerde tandarts, of chirurgische apicale endodontie of extractie. Waarom de tandarts voor geen van deze opties heeft gekozen, is onduidelijk gebleven.
5.4 De conclusie van het voorgaande is dat de klacht gegrond is. De tandarts heeft gehandeld in strijd met de zorg die hij ingevolge artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg jegens klaagster had behoren te betrachten. Gezien de ernst van de feiten en de stelselmatige aard van de nalatigheden, acht het College de oplegging van na te melden maatregel passend.
6. De beslissing
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te ’s-Gravenhage beslist als volgt:
legt de maatregel van een BERISPING op.
Deze beslissing is gegeven door: mr. M.A.F Tan-de Sonnaville, voorzitter, mr. R.P. Wijne, lid-jurist, H.C. Teune, M.M.L.F. Smulders en J.M.W. Croes, leden-tandartsen, bijgestaan door mr. I.C.M. Spitters, secretaris en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 januari 2013.
voorzitter secretaris
Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door:
a. de klager en/of klaagster, voorzover de klacht is afgewezen, of voorzover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;
b. degene over wie is geklaagd;
c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat.
Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te
's-Gravenhage, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.