ECLI:NL:TGZRSGR:2013:YG2539 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2011-219b

ECLI: ECLI:NL:TGZRSGR:2013:YG2539
Datum uitspraak: 08-01-2013
Datum publicatie: 08-01-2013
Zaaknummer(s): 2011-219b
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Klagers verwijten de kinderarts dat deze heeft nagelaten de baby 48 uur na zijn geboorte te (laten) observeren, symptomen van een mogelijke infectie heeft miskend en zonder voorafgaand nader lichamelijk onderzoek en zonder dat kweken waren afgenomen heeft ontslagen. Klacht afgewezen.    

Datum uitspraak: 8 januari 2013

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te ’s-Gravenhage heeft de navolgende beslissing gegeven inzake de klacht van:

A ,

en

B ,

beiden wonende te C,

klagers,

tegen:

D,

kinderarts,

de persoon over wie geklaagd wordt,

hierna te noemen: de arts.

1.  Het verloop van het geding

Het klaagschrift is ontvangen op 27 oktober 2011. De arts heeft op de klacht gereageerd, waarna is gerepliceerd en gedupliceerd. Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om in het vooronderzoek mondeling te worden gehoord. De mondelinge behandeling door het College heeft plaatsgevonden ter openbare zitting van 13 november 2012. Partijen zijn verschenen en hebben ieder hun standpunt mondeling toegelicht. Klagers werden bijgestaan door mr. W.J. Boer, advocaat te  Rotterdam. De arts werd bijgestaan door mr. A.C. de Bie, advocaat te Amsterdam.

2.  De feiten

De onderhavige klacht betreft de behandeling van de zoon van klagers na zijn geboorte.

Klaagster, is op 22 april 2004 in het E (hierna: het ziekenhuis) bevallen van een zoon, F. F woog bij de geboorte 4590 gram. Tijdens de zwangerschap werd bij klaagster enkele maanden voor de bevalling vastgesteld dat zij besmet was met een streptokokken bacterie (hierna: GBS-infectie). Voor deze besmetting werd zij behandeld. Aan klaagster werden voor de bevalling profylactisch geen antibiotica gegeven.

Klaagster gebruikte thyrax.

F werd om 7.11 uur geboren. Omstreeks 18.30 uur werd de dienstdoende arts in opleiding, G, (kindergeneeskunde, 5e jaars) geconsulteerd in verband met het medicijngebruik van klaagster en het (hoge) geboortegewicht van F. De arts is als kinderarts/neonatoloog werkzaam in het ziekenhuis en fungeerde op 23 april 2004 als supervisor van G.

G heeft F onderzocht. Klaagsters medicatiegebruik vormden naar haar oordeel  geen contra-indicatie voor borstvoeding. F’s geboortegewicht gaf aanleiding tot controle van de bloedsuikers. Vanwege klaagsters medicijngebruik adviseerde G haar met F op een termijn van 2 à 3 weken ter controle terug te komen.

G was op dat moment niet bekend met de door klaagster doorgemaakte GBS-infectie.

Later die dag, rond 15.30 uur, is G opnieuw geconsulteerd. F lag iets te kreunen en hield zijn voeding niet binnen. Zij heeft F rond 16.30 uur onderzocht. Kort daarvoor had de bij de bevalling betrokken arts-assistent gynaecologie haar geïnformeerd dat klaagster tijdens de zwangerschap een GBS-infectie had doorgemaakt. G heeft F lichamelijk onderzocht. Zij zag een gezonde baby met een temperatuur van 36.8°C, een ademhaling van 40/min en een pols van 140/min. De baby had een roze kleur. De arts achtte, afgezien van de reeds afgesproken bloedsuikercontroles, nader bloedonderzoek niet geïndiceerd. Afgesproken werd dat de verpleging de dienstdoende kinderarts zou bellen, als F weer zou gaan kreunen of neusvleugelen. G is hierna die dag niet meer geconsulteerd. Om 21.00 uur nam klaagster een licht kreunen van F waar.

Op 23 april 2004 is om 8.45 uur het besluit genomen F uit het ziekenhuis te ontslaan. De verpleging zag een roze baby met een regelmatige ademhaling, die krachtig huilde.

Aan dit ontslag ging overleg met G vooraf, omdat het zusje van F beginnende waterpokken had en de vraag was of dit voor de baby kwaad kon. F werd uit het ziekenhuis ontslagen met het advies aan de kraamzorg de temperatuur goed in de gaten te houden.

In de avond van die dag, rond 20.40 uur, is F met de ambulance naar het ziekenhuis teruggebracht. Hij had toen een temperatuur van 38.0°C en was convulsief en cyanotisch. Bij hem werd een meningitis en sepsis als gevolg van een streptokokkeninfectie vastgesteld.

3.  De klacht

Zoals onweersproken in het verweerschrift samengevat, beklagen klagers zich erover dat:

1.             nagelaten is F gedurende 48 uur na de geboorte te observeren;

2.             nagelaten is bij hem kweken af te nemen van het oor en de nasopharynx;

3.             symptomen van een mogelijke infectie zijn miskend;

4.             F zonder volledig lichamelijk onderzoek uit het ziekenhuis is ontslagen.

Klagers hebben hun klacht aldus toegelicht dat F vanwege de door klaagster doorgemaakte GBS-infectie een high risk baby was voor het ontwikkelen van een streptokokkeninfectie. Bovendien werd bij hem 7 uur na de geboorte een kreunende ademhaling waargenomen. Dat had op een beginnend of voortschrijdend infectieus proces kunnen duiden. Daarom had F gedurende 48 uur in het ziekenhuis geobserveerd moeten worden.

In ieder geval had hij niet zonder een volledig lichamelijk onderzoek door een kinderarts uit het ziekenhuis mogen worden ontslagen. De destijds toepasselijke richtlijn van de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (hierna: NVOG) schrijft voor dat F 48 uur geobserveerd had moeten worden en bij hem kweken hadden moeten worden afgenomen. Nagelaten is althans met een sneltest een indruk te krijgen van de mate van kolonisatie met de streptokokkenbacterie. Nagelaten is voorts klagers te informeren omtrent de risico’s van een streptokokkeninfectie.

4. Het standpunt van de arts

De arts heeft – samengevat – het volgende aangevoerd.

De arts heeft geen feitelijke bemoeienis gehad met de behandeling van F op 22 en 23 april 2004. Niettemin voelt zij zich daarvoor – als supervisor – wel verantwoordelijk. Het gevoerde beleid is in overeenstemming met de NVOG Richtlijn preventie van perinatale groep-B-streptokokkenziekte van 12 oktober 1998, en waar van die richtlijn is afgeweken, was dit in overeenstemming met de destijds verkregen inzichten.

5. De beoordeling

Omtrent de klachtonderdelen overweegt het College als volgt.

Vooropgesteld wordt dat de arts, naar zij onweersproken heeft gesteld, feitelijk niet betrokken is geweest bij de behandeling van F. Niettemin is zij als supervisor in beginsel aan te spreken voor hetgeen onder haar verantwoordelijkheid door G is gedaan of nagelaten.

Ad 1

De NVOG Richtlijn preventie van perinatale groep-B-streptokokkenziekte – zowel die van oktober 1998 als de herziene versie van september 2006 – schrijft voor een geval als het onderhavige voor dat de baby tenminste 48 uur moet worden geobserveerd, waarvan tenminste 24 uur in een ziekenhuis. Aan dat voorschrift is in dit geval voldaan. F had ten tijde van het ontslag ruim 24 uur in het ziekenhuis verbleven en is in die periode adequaat geobserveerd. Gelet op de bevindingen ten tijde van het ontslag en de aanwezigheid van kraamzorg, kon in redelijkheid worden besloten de observatie thuis voort te zetten. Dit onderdeel van de klacht is ongegrond.

Ad 2

G heeft in redelijkheid kunnen afzien van het nemen van oppervlaktekweken. Ten tijde van de geboorte van F waren de inzichten op dit punt gewijzigd. Onderkend werd toen reeds dat de uitslagen van zodanige kweken weinig voorspellende waarde hebben. Indien de kweken enkele uren na de geboorte worden afgenomen, is de kans op een positieve uitslag groot. Dat de uitslag positief is, betekent bovendien niet dat een kind een infectie ontwikkelt. De kans daarop is minder dan 0,2%. Dat de onderhavige richtlijn eerst later is gewijzigd, doet daaraan niet af.

Bovendien zouden de uitslagen, indien wel oppervlaktekweken zouden zijn afgenomen, niet vóór het ontslag van F beschikbaar zijn gekomen. Anders dan klagers stellen, is een adequate “sneltest” niet beschikbaar.

Dit onderdeel van de klacht is derhalve eveneens ongegrond.

Ad 3

De bij F gemeten waarden, in het bijzonder de ademhaling en het bloedsuikergehalte, vielen alle binnen de normaalwaarden. F heeft geen koorts gehad. Ook overigens heeft F tijdens zijn verblijf in het ziekenhuis geen symptomen vertoond die op (het begin van) een infectie duidden.

Dit onderdeel van de klacht is daarom ook ongegrond.

Ad 4

Gelet op de bevindingen van de verpleging op 23 april 2004 valt niet in te zien wat een lichamelijk onderzoek door G nog zou hebben toegevoegd. De bevindingen van de verpleging waren zodanig dat het verantwoord was om F uit het ziekenhuis te ontslaan met de instructie aan de kraamzorg op de temperatuur te letten. Zo het al aan G was klagers te wijzen op het risico van een eventuele infectie, hoefde zij klagers daarop niet uitdrukkelijk te wijzen, gelet op de hiervoor omschreven incidentie van een dergelijke infectie.

Dit onderdeel is ten slotte ook ongegrond.

Derhalve dient de klacht, nu deze in al haar onderdelen ongegrond is, te worden afgewezen.

6. De beslissing

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te ’s-Gravenhage beslist als volgt:

wijst de klacht af.

Deze beslissing is gegeven door: mr. J.S.W. Holtrop, voorzitter, mr. H. Uhlenbroek, lid-jurist, prof. dr. J.H. van Bockel,  P.R.H. Vermeulen, en  F.G.A.J. Hakvoort-Cammel, leden-arts, bijgestaan door mr. A.F. de Kok, secretaris en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 januari 2013.

voorzitter                                                                                                      secretaris

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezond­heidszorg door:

a.         de klager en/of klaagster;

b.         degene over wie is geklaagd;

c.         de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat.

Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroep­schrift wordt ingezon­den bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcolle­ge voor de Gezondheidszorg te 's-Gravenhage, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.