ECLI:NL:TGZRSGR:2012:YG2397 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2011-091
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSGR:2012:YG2397 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 06-11-2012 |
| Datum publicatie: | 06-11-2012 |
| Zaaknummer(s): | 2011-091 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Klager verwijt de specialist ouderengeneeskunde dat zij meermaals heeft geweigerd medische zorg te verlenen aan patiënte terwijl deze in een medisch bedreigende situatie verkeerde en voorts dat zij heeft geweigerd om klager te woord te staan ondanks zijn dringende verzoek daartoe gezien de uitermate slechte gezondheidssituatie van patiënte. Klacht afgewezen. |
Datum uitspraak: 6 november 2012
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te 's-Gravenhage heeft de navolgende beslissing gegeven inzake de klacht van:
A,
wonende te B,
klager,
tegen:
C, specialist ouderengeneeskunde,
wonende te D,
de persoon over wie geklaagd wordt,
hierna te noemen de arts.
1. Het verloop van het geding
Het klaagschrift is ontvangen op 18 mei 2011. Namens de arts heeft mr. E.L. Pasma, advocaat te Utrecht, op de klacht gereageerd, waarna repliek en dupliek hebben plaatsgevonden. Het College heeft op 5 september 2012 nadere stukken ontvangen van klager (het rapport van de Inspectie voor de Gezondheidszorg, verder te noemen IGZ, inzake het incident op verpleegunit E te B) en op 24 juli, 4 en 10 september 2012 van mr. Pasma voornoemd. Mr. Pasma heeft op 7 september 2012 op basis van art. 16 van het Reglement van de Regionale Tuchtcolleges voor de Gezondheidszorg bezwaar gemaakt tegen opname van voornoemd IGZ rapport in het procesdossier. Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om in het vooronderzoek mondeling te worden gehoord. De mondelinge behandeling door het College heeft plaatsgevonden ter openbare zitting van 11 september 2012. Partijen zijn verschenen en hebben hun standpunten mondeling toegelicht. De arts werd bijgestaan door mr. Pasma voornoemd. Mr. Pasma heeft een pleitnotitie overgelegd.
2. De feiten
2.1 Klager is de zoon en wettelijk vertegenwoordiger van F, verder te noemen patiënte, die enkele weken voor de zitting is overleden.
2.2 Patiënte verbleef in verband met een psychogeriatrische aandoening met cognitieve beperkingen in mei 2011 op de verpleegunit E in verzorgingshuis G te B, verder te noemen de verpleegunit. De medische anamnese van patiënte vermeldde voorts diabetes mellitus type 2, obesitas en hypothyreoïdie. Vanaf 9 mei 2011 was er bij patiënte sprake van verhoogde bloeddruk en ontregelde bloedsuikerwaarden.
2.3 De arts is als specialist ouderengeneeskunde verbonden aan de H en normaliter verantwoordelijk voor de patiëntenzorg op de locaties I en J te D. Op vrijdag 13 mei 2011 had de arts de verantwoordelijkheid over drie locaties van voornoemde stichting te weten I en J en de E te B.
2.4 Patiënte werd in de middag van 13 mei 2011 buiten tijdens een wandeling met klager plotseling erg benauwd en onwel, waarna klager haar direct weer naar de verpleegunit heeft terug gebracht.
2.5 De arts die op die bewuste middag werkzaam was op de locatie I heeft na herhaaldelijk telefonisch contact met zowel de arts-assistent als de dagoudste van het verzorgende personeel en op aandringen van klager, geen visite gebracht aan patiënte.
2.6 Door persoonlijk ingrijpen van klager - die zelf het alarmnummer 112 heeft gebeld - is patiënte diezelfde middag met spoed naar het K te D gebracht waar zij via de spoedeisende hulp op de afdeling hartbewaking werd opgenomen wegens multiple longembolieën die mogelijk veroorzaakt werden door een ventrikeltachycardie.
3. De klacht
Zakelijk weergegeven verwijt klager de arts dat zij op 13 mei 2011 tot driemaal toe geweigerd heeft om medische zorg te verlenen aan patiënte terwijl patiënte in een medisch bedreigende situatie verkeerde. Tevens verwijt klager de arts dat zij op voornoemde datum heeft geweigerd hem te woord te staan ondanks zijn dringende verzoek daartoe ingegeven door de slechte gezondheidssituatie van patiënte.
4. Het standpunt van de arts
De arts heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.
5. De beoordeling
Het College stelt voorop dat met betrekking tot het bezwaar van mr. Pasma voornoemd, inzake de toelaatbaarheid van het rapport van de IGZ, er geen sprake is van enige strijd met art. 16 van het Reglement van de Regionale Tuchtcolleges voor de Gezondheidzorg. Met name op basis van artikel 16 sub b van voornoemd Reglement acht het College het rapport van de IGZ, dat al vanaf maart 2012 kenbaar was bij partijen, toelaatbaar ook al werd het minder dan 14 dagen voor de openbare terechtzitting door klager ingediend.
De arts is - voor zover relevant voor de klacht – eerder bij de behandeling van patiënte betrokken geweest, te weten op 9 mei 2011 toen zij tijdens de waarneming van de vaste verpleeghuisarts een algemeen lichamelijk onderzoek heeft verricht bij patiënte in het bijzijn van L, een verzorgende met het niveau 3 IG, verder te noemen de verzorgende. Patiënte maakte volgens de arts geen zieke indruk tijdens dit consult. Eerder gestarte antibiotica vanwege een mogelijk infectie met koorts werd gestaakt. Wel sprak de arts af dagelijks twee uur na de maaltijd de bloedsuiker te meten en haar de uitslagen te berichten. Ook werden bloeddrukcontroles afgesproken (meting tijdens het consult 180/104 mm Hg) met het verzoek aan het verzorgend personeel de arts op de hoogte te houden van een aanhoudende hoge bloeddruk.
Uit de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht door zowel klager als de arts blijkt dat de arts op vrijdag 13 mei 2011 in eerste instantie door de arts-assistent - die gebeld was door de verzorgende tevens dagoudste van de verpleegunit met betrekking tot het incident van patiënte -, werd verzocht om de behandeling van patiënte over te nemen aangezien zij zelf bezig was met stervensbegeleiding van een patiënt en zijn familie. Bij de overdracht door de arts-assistent werd de arts duidelijk dat de controles van patiënte goed waren.
De arts, die op dat moment werd geconfronteerd met het feit dat de praktijkverpleegkundige die dag niet aanwezig was in G in verband met een cursus en die zelf op I bezig was met drie andere patiënten die acute zorg behoefden, heeft contact opgenomen met de verzorgende en navraag gedaan naar de toestand van patiënte om de urgentie van de situatie in te schatten. Aan de orde kwamen eigen bevindingen van de verzorgende, observaties en feitelijke medische gegevens zoals pols (76), bloeddruk (113/87 mm Hg), bloedsuikergehalte (12,5mmol/l) en beoordeling met betrekking tot transpiratie, pijn, onrust en kortademigheid. Ook vernam zij van de verzorgende dat deze vond dat er geen sprake was van een afwijkend beeld bij patiënte ten opzichte van het consult van 9 mei 2011. De arts verzocht de verzorgende nog de temperatuur van patiënte te meten, na meting bleek deze 38 graden Celsius te zijn, en beloofde na behandeling van de urgente patiënten direct langs te komen.
Kort daarop werd de arts wederom gebeld door de verzorgende met de mededeling dat klager toch wilde dat de arts zo snel mogelijk kwam. De arts vroeg of er sprake was van verslechtering van de situatie hetgeen de verzorgende ontkennend beantwoordde. Ook werd door de arts navraag gedaan naar voornoemde items zoals transpiratie, kortademigheid, aanspreekbaarheid en pijn. Opnieuw merkte de verzorgende op dat patiënte hetzelfde was als tijdens het consult op 9 mei 2011. De arts berichtte de verzorgende dat zij zo snel als mogelijk zou komen.
Al snel werd de arts opnieuw gebeld door de verzorgende met de mededeling dat klager de arts direct telefonisch wilde spreken. Een verklaring daarvoor werd door de verzorgende niet gegeven. Volgens de verzorgende was de situatie van patiënte niet verslechterd, was zij niet kortademig, transpireerde zij niet en was zij aanspreekbaar en helder, maar wel wat bleek bij het draaien in bed. Ook de vraag van de arts of de verzorgende zelf vond dat de arts direct moest komen of dat dit ook binnen 30 á 40 minuten mogelijk was in verband met de behandeling van urgente patiënten elders werd door de verzorgende in die zin beantwoord dat de arts niet direct behoefde te komen.
Het volgende telefoontje van de verzorgende maakte de arts duidelijk dat 112 was gebeld door klager en het ambulancepersoneel was gearriveerd.
Het College stelt vast dat de arts gedetailleerd en zorgvuldig heeft aangegeven wat haar afwegingen zijn geweest die bewuste vrijdagmiddag 13 mei 2011.
Daar er de desbetreffende dag niet kon worden teruggevallen op een praktijkverpleegkundige moest de arts op basis van de informatie van de verzorgende, waarmee de arts elders had samen gewerkt, die zij als zeer bekwaam en betrouwbaar inschatte en die bovendien op 9 mei 2011 nog uitgebreid visite had gelopen met de arts bij patiënte, haar prioritering van de door haar te verlenen zorg maken.
In tegenstelling tot hetgeen klager de arts verwijt is het College van oordeel dat de arts niet tot driemaal toe medische zorg heeft geweigerd maar op basis van urgentie, ingegeven door een minimale personeelsbezetting, de ernst van de andere spoedgevallen en de naar achteraf bleek onvolledige en dus onjuiste berichten van de verzorgende omtrent de situatie van
patiënte, een keuze in de zorg jegens patiënte heeft gemaakt. Zij heeft met andere woorden haar komst naar de verpleegunit enigszins uitgesteld, een keuze die achteraf gezien niet juist is gebleken, maar die haar in het licht van alle voornoemde aspecten niet tuchtrechtelijk kan worden verweten.
Het College sluit niet uit dat de arts, zoals zij zelf stelt, mocht zij op de hoogte zijn geweest van het braken van patiënte en de cyanose aan de oorschelpen en onderbenen van patiënte, informatie die naar achteraf bleek door andere collega’s was kenbaar gemaakt aan de verzorgende maar die om onduidelijke redenen niet werd doorgegeven door de verzorgende aan de arts, wellicht een andere prioritering van de patiëntenzorg op die bewuste dag had gemaakt. Er is overigens geen aanwijzing dat de arts kan worden verweten dat laatstbedoelde informatie indertijd niet aan haar is verstrekt.
Met betrekking tot het tweede klachtonderdeel waarin de arts wordt verweten dat zij klager niet te woord heeft willen staan heeft de arts naar voren gebracht dat zij de middag van 13 mei 2011 aan het verzoek van klager, overgebracht via de verzorgende, wellicht wel had moeten voldoen. De hectische situatie maakte evenwel dat zij dit verzoek als druk heeft ervaren terwijl zij bij het maken van keuzes tussen urgente patiënten met nadruk is afgegaan op het oordeel van de verzorgende binnen de organisatie, dit temeer omdat zij het volste vertrouwen had in het oordeel van de verzorgende. Het College komt tot de conclusie dat het handelen van de arts in de gegeven situatie verdedigbaar was, maar dat het beter was geweest als de arts wel op het verzoek van klager was ingegaan los van de wetenschap achteraf.
Met betrekking tot het tweede klachtonderdeel oordeelt het College dat het handelen van de arts jegens klager geen tuchtrechtelijk verwijt oplevert waarvoor een maatregel zou moeten worden opgelegd.
De slotsom van het voorgaande is dat de klacht in al haar onderdelen wordt afgewezen.
6. De beslissing
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te ’s-Gravenhage beslist als volgt:
wijst de klacht af.
Deze beslissing is gegeven door: mr. M.A.F. Tan-de Sonnaville, voorzitter, mr. M.W. Koek, lid-jurist, J. Edwards van Muijen, dr. G.J. Dogterom en R.H.P. van Beest, leden-artsen, bijgestaan door mr. G.G.M.L. Huntjens, secretaris en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 november 2012.
voorzitter secretaris
Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door:
a. de klager en/of klaagster, voorzover de klacht is afgewezen, of voorzover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;
b. degene over wie is geklaagd;
c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat.
Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te
's-Gravenhage, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.