ECLI:NL:TGZRGRO:2022:7 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Groningen G2020/44

ECLI: ECLI:NL:TGZRGRO:2022:7
Datum uitspraak: 11-02-2022
Datum publicatie: 17-02-2022
Zaaknummer(s): G2020/44
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Klacht tegen psychiater. Klager verblijft in een tbs-kliniek. Hij verwijt de psychiater dat deze ten aanzien van klager zou hebben geadviseerd hem dwangmedicatie te geven en over te plaatsen naar een zwaarbeveiligde afdeling. Het college is van oordeel dat de psychiater niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en verklaart de klacht kennelijk ongegrond. 

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE GRONINGEN

Beslissing in raadkamer d.d. 11 februari 2022 naar aanleiding van de op 17 augustus 2020 bij het Regionaal Tuchtcollege te Groningen ingekomen klacht van

A , te B,

k l a g e r

-tegen-

C, psychiater,

bijgestaan door mr. R.J. Peet, verbonden aan de VvAA te Utrecht,

b e k l a a g d e

1. HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:

- het klaagschrift met bijlagen;

- het verweerschrift;

- de repliek van klager;

- het proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek.

2. DE FEITEN

Op grond van de stukken dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.

Klager werd in zijn jeugd veroordeeld tot jeugddetentie en Plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (PIJ-maatregel). In 2006 onttrok klager zich tijdens een verlof aan zijn begeleider en pleegde een poging tot moord, tweemaal poging tot doodslag en bedreiging. Klager werd veroordeeld tot detentie en tbs met dwangverpleging. De tbs-behandeling startte in april 2010 in D. Klager weigerde de behandeling, diende honderden klachten in en kwam in conflict met medepatiënten. Ook deed klager dreigende uitspraken en werd hij gesepareerd. In april 2011 werd klager opgenomen in E. De impasse in de tbs-behandeling zette zich hier voort, alsook het gedrag van klager. In juni 2011 mishandelde klager een medewerker.

Vanaf november 2014 verbleef klager opnieuw in D. In 2015 werd klager vervolgens overgeplaatst naar F. Hier begon klager mee te werken aan de behandeling. In januari 2016 startte klager met begeleid verlof. Klager werd in datzelfde jaar echter veroordeeld voor bedreiging – per brief – met verkrachting en enig misdrijf op het leven gericht tegen een vrouwelijke medewerker van F. Zijn verlof werd hierdoor ingetrokken. In augustus 2017 was F opnieuw gemachtigd tot het verlenen van begeleid verlof. De behandeling stagneerde echter opnieuw en de samenwerkingsrelatie tussen klager en behandelaren verslechterde sterk. In 2018 stal klager levensmiddelen uit de winkel van het F. Klager wilde vervolgens niet meewerken aan een onderzoek door een onafhankelijk psychiater om te kijken naar hoe de behandelimpasse kon worden doorbroken. In juni 2018 werd klager tijdelijk voor een observatie in G geplaatst. Klager werkte niet mee aan de observatie, mogelijk door de aanwezigheid van een andere patiënt met wie klager conflicten had gehad in het verleden. Klager is van november 2018 tot januari 2019 ook nog opgenomen geweest in het H.

In september 2019 is klager overgeplaatst naar I (hierna: de kliniek) te J. Het lukte niet om een behandeling op te starten en/of een samenwerkingsrelatie met klager tot stand te laten komen. De kliniek wilde daarom graag onderzoeken of het instellen met medicatie zou kunnen helpen om met klager tot een samenwerking te komen. Voor klager is dat onbespreekbaar. Gezien alle mislukte behandelpogingen en het groot ingeschatte recidivegevaar dreigt LFPZ-plaatsing (Langdurig Forensisch Psychiatrische Zorg, voorheen ‘longstay’). Om dit beeld te toetsen werd er op 16 juni 2020 een zorgconferentie georganiseerd. Voor deze zorgconferentie werden – naast klagers advocaat en behandelaren – meerdere deskundigen uitgenodigd. Een van hen was beklaagde, in zijn hoedanigheid van psychiatrisch adviseur bij de Dienst Justitiële Inrichting (DJI) van het Ministerie van Veiligheid en Justitie.

Tijdens de zorgconferentie die via Skype plaatsvond, en waar klager voor een deel ook bij aanwezig was, is onder andere gesproken over het feit dat klager door zijn gedrag de behandeling belemmert en de vraag of antipsychotische medicatie nodig of nuttig zou zijn. Eveneens kwam aan de orde of hiervoor een dwangprocedure zou kunnen worden gestart, mocht klager de medicatie niet willen innemen. Beklaagde heeft hierover het volgende gezegd blijkens het verslag:

“…dat het perspectief van anti psychotische medicatie overwogen dient te worden. Patiënten als klager kunnen door medicatie milder en minderachterdochtig worden waardoor er ruimte komt iets met elkaar op te bouwen. Er zou gekozen kunnen worden voor anti psychotische medicatie die ook in depotvorm beschikbaar is. Wanneer orale medicatie wordt gegeven zou spiegelbepaling kunnen geschieden. Als dwangmedicatie nodig is, is een depot het beste. Het is haalbaar wanneer het op een veilige manier uitvoerbaar is. In de huidige situatie met een gebrek aan samenwerking lijkt dit niet haalbaar.”

Ook is tijdens de zorgconferentie besproken dat klager bij overplaatsing naar een andere kliniek aanvankelijk mogelijk op een zwaarbeveiligde afdeling geplaatst zou moeten worden. Dit om te garanderen dat er voldoende personeel kan worden ingezet om klager te behandelen.

Klager werd vervolgens in augustus 2020 overgeplaatst naar D. In het kader van deze overplaatsing en met het oog op de toepassing van dwangmedicatie heeft D een extreem vlucht- en beheersgevaarlijk (EVBG)-status voor klager aangevraagd. Dit voornemen is eerst ter advisering aan beklaagde voorgelegd. Beklaagde heeft positief geadviseerd, met dien verstande dat hij zich kon vinden in EVBG-status voor drie maanden om dan te evalueren of verlenging nodig is. Beklaagde heeft zijn advies per e-mail als volgt gemotiveerd:

“Voor zover ik heb kunnen lezen gaat het bij [naam klager] met name om klaaggedrag en ondermijnend gedrag. Hij heeft met name in het begin van de overplaatsing zeer intensieve begeleiding nodig. Ik zou mij kunnen vinden in een tijdelijke EVBG status. Na drie maanden kunnen we dan herbeoordelen of EVBG status nog nodig is.”

3. HET STANDPUNT VAN KLAGER EN DE KLACHT

Klager verwijt beklaagde:

1. dat hij tijdens de zorgconferentie heeft gezegd dat klager dwangmedicatie zou moeten krijgen en

2. dat beklaagde heeft gezegd dat klager op een zwaarbeveiligde afdeling moet worden geplaatst, omdat verwacht werd dat hij voor problemen zou gaan zorgen. Klager is al jarenlang niet betrokken geweest bij fysieke incidenten of verward gedrag.

4. HET STANDPUNT VAN BEKLAAGDE

Ten aanzien van klachtonderdeel 1

Beklaagde heeft klager voor het eerst gezien tijdens de zorgconferentie op 16 juni 2020. Besproken werd toen of de stagnatie van de behandeling van klager, voor zover er überhaupt een behandeling op gang is gekomen, kon worden doorbroken. Hoewel eerder dwangmedicatie bij klager nog niet geïndiceerd werd geacht, kwam dat nu opnieuw aan de orde in het licht van de langdurige behandelimpasse. Om een LFPZ-plaatsing voor klager te voorkomen, vond beklaagde dat anti-psychotische medicatie geïndiceerd was, eventueel via een dwangprocedure. Beklaagde heeft in deze echter alleen een advies uitgebracht. De daadwerkelijke beslissing hiertoe is niet door beklaagde genomen.

Ten aanzien van klachtonderdeel 2

Beklaagde heeft positief geadviseerd op een aanvraag van D om aan klager een tijdelijke EVBG-status te verlenen. De aanvraag was gedaan vanwege het gehele dossier van klager en het feit dat hij op anti-psychotische medicatie werd ingesteld. Mogelijk kon dit laatste opnieuw tot spanningen of problemen bij klager gaan leiden. De directeur van D wilde klager plaatsen op een afdeling met extra personeel en dus intensievere zorgverlening. Beklaagde vond dat klager aan de criteria voldeed om een tijdelijke EVBG-status te krijgen dus keurde hij het verzoek goed. Zodra het dan beter zou gaan, zou de zorgintensiteit kunnen worden afgebouwd en klager worden overgeplaatst naar een andere afdeling.

5. DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE

5.1 

Het college wijst er in algemene zin op dat het er bij het beoordelen van een tuchtklacht niet om gaat of het handelen waarop de klacht betrekking heeft beter had gekund. Het gaat om het beantwoorden van de vraag of de aangeklaagde bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de stand van wetenschap ten tijde van het handelen waarop de klacht betrekking heeft en met wat op dat moment in de betreffende beroepsgroep als norm of standaard werd aanvaard.

5.2 Klachtonderdeel 1

Voor zover klager beklaagde verwijt dat hij tot dwangmedicatie heeft geadviseerd terwijl dat eerder door andere zorgverleners niet geïndiceerd werd geacht, geldt het volgende. Zoals beklaagde in het verweerschrift voldoende heeft toegelicht, was ten tijde van de zorgconferentie in 2020 sprake van voortschrijdend inzicht na verschillende mislukte behandelpogingen. Dit maakte dat beklaagde op dat moment anders oordeelde over de optie van dwangmedicatie dan andere zorgverleners op eerdere momenten deden. Het college kan de redenering van beklaagde volgen en ziet hierin geen aanknopingspunt voor een tuchtrechtelijk verwijt. Bovendien geldt dat (de feitelijke) toediening van dwangmedicatie een besluit van de geneesheer-directeur is. Beklaagde was hierbij alleen in de hoedanigheid van adviseur betrokken. In de zorgconferentie werden geen besluiten genomen, maar overwegingen gedeeld. Klachtonderdeel 1 is kennelijk ongegrond.

5.3 Klachtonderdeel 2

Dit klachtonderdeel betreft de goedkeuring die beklaagde heeft verleend aan het verzoek om aan klager een EVBG-status te verlenen. Klager stelt zich op het standpunt dat dit niet terecht was, omdat hij al jaren niet meer bij fysieke incidenten was betrokken of verward gedrag heeft vertoond.

Uit het dossier blijkt dat klager tijdens zijn verblijf in de verschillende tbs-klinieken vaak bij diverse (ernstige) incidenten betrokken is geweest. Ten tijde van de zorgconferentie in 2020 uitte hij in de kliniek waar hij verbleef geregeld ernstige beschuldigingen richting het personeel, ging hij voortdurend in beklag, vertoonde afdelings-ontwrichtend gedrag en beïnvloedde medecliënten negatief door hun af te raden zich in te zetten voor hun behandeling. Klager was erg achterdochtig en wilde geen gesprekken aangaan. Het instellen op medicatie was op dat moment nog onbespreekbaar en zou naar verwachting tot problemen gaan leiden. Tijdens de zorgconferentie werd alles overziend erkend door alle deelnemers dat de belasting voor een kliniek heel groot is wanneer klager op dwangmedicatie zou worden ingesteld. Dit laatste is voor beklaagde reden geweest om op 7 juli 2020 akkoord te gaan met het verlenen van een EVBG-status voor drie maanden aan klager, zodat hij gedurende die periode zeer intensieve begeleiding zou krijgen. Het verlenen van een EVBG-status werd door D als voorwaarde gesteld om akkoord te gaan met klagers overplaatsing.

Het college is – alles overziend – van oordeel dat beklaagde met het geven van zijn toestemming niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Weliswaar dateerde het laatste incident waarbij klager in ieder geval had gedreigd met ernstig fysiek geweld uit 2016, dat betekent niet dat er geen reëel risico bestond op het opnieuw plaatsvinden van een incident nadat klager op dwangmedicatie zou worden ingesteld. Dat laatste zou naar alle waarschijnlijkheid tot nieuwe spanningen gaan leiden bij klager en zijn gedrag negatief beïnvloeden. Dit terwijl er zonder de instelling op dwangmedicatie al sprake was bij klager van ondermijnend gedrag, extreem klachtgedrag en een negatieve beïnvloeding van medecliënten. Onder deze omstandigheden mocht beklaagde ermee instemmen dat er een tijdelijke EVBG-status aan klager zou worden verleend.   

Gezien het voorgaande is ook klachtonderdeel 2 kennelijk ongegrond.

6.    DE BESLISSING

Het college verklaart de klacht kennelijk ongegrond.

Aldus gegeven door P.A.H. Lemaire, voorzitter, H.J. Kolthof en A.J.K. Hondius, leden-beroepsgenoten, in tegenwoordigheid van L.C. Commandeur, secretaris.

                                                                                                                 voorzitter

                                                                                                                 secretaris

Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

a.         Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als

- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard of

- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

b.         Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.

c.         Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.

U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.