ECLI:NL:TGZRGRO:2022:5 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Groningen GP2020/09

ECLI: ECLI:NL:TGZRGRO:2022:5
Datum uitspraak: 28-01-2022
Datum publicatie: 31-01-2022
Zaaknummer(s): GP2020/09
Onderwerp: Onvoldoende informatie
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Klacht tegen GZ-psycholoog. Klagers dochter (destijds 15 jaar) werd behandeld i.v.m. anorexia. Beklaagde was gedurende een deel van de behandeling regiebehandelaar. Klager verwijt beklaagde een gebrek aan communicatie tussen de behandelaren en klager. Er werd te veel geluisterd naar moeder en dochter. Beklaagde heeft bovendien niet gereageerd op de wens van klager zijn dochter op de wachtlijst te zetten voor opname in een anorexia-kliniek. Het college overweegt dat vader regelmatig werd geïnformeerd over en betrokken bij het beleid. Niet vastgesteld kan worden op welke grondslag beklaagde gehouden was om - in weerwil van de wensen van moeder en dochter of van haar eigen professionele opvattingen - volledig in de wensen van klager mee te gaan. Bovendien diende beklaagde rekening te houden met de leeftijd van de dochter, die ingevolge artikel 7:450 BW moest instemmen met de behandeling. Voor opname in een kliniek bestond nog geen aanleiding. Moeder en dochter stemden daar ook niet mee in. Klacht ongegrond.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE GRONINGEN

Beslissing d.d. 28 januari 2022 naar aanleiding van de op 24 augustus 2020 bij het Regionaal Tuchtcollege te Groningen 24 augustus 2020 ingekomen klacht van

A , wonende te B,

k l a g e r

-tegen-

C , Gz-psycholoog, (destijds) werkzaam te D,

bijgestaan door mr. H. Vorsselman, advocaat te Groningen,

b e k l a a g d e

1. HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:

- het klaagschrift;

- het verweerschrift;

- het proces-verbaal van het op 4 maart 2021 gehouden mondeling vooronderzoek;

- de e-mail van klager van 10 maart 2021;

- het aanvullend verweerschrift met bijlage.

De zaak is behandeld ter openbare zitting van 21 december 2021. Klager was door middel van een videoverbinding aanwezig. Beklaagde is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat, voornoemd.

2. DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.

Klager is vader van E, geboren in 2005 (hierna: de dochter). Samen met zijn ex-echtgenote (hierna: de moeder) heeft klager het ouderlijk gezag over de dochter.

De dochter was wegens een eetstoornis (ambulant) in behandeling bij F. Beklaagde is met ingang van juni 2020 als regiebehandelaar bij de behandeling van de dochter betrokken. Naast beklaagde was G als basis orthopedagoog (hierna ook: de orthopedagoog) bij de behandeling van de dochter betrokken.

De informatievoorziening richting klager verliep per e-mail, telefonisch, per post en/of online via “Jouw Omgeving” dat kon worden ingezien door de betrokkenen, waaronder beide ouders.

Een eerste telefonisch contact tussen klager en beklaagde was er op 2 juni 2020. Op

4 juni 2020 was de dochter samen met haar ouders uitgenodigd voor een evaluatie met beklaagde op 18 juni 2020.

Op 4 juni 2020 plaatste de orthopedagoog een bericht in “Jouw Omgeving” waarin zij onder meer vermeldde dat de financiering van de zorgboerderij rond werd gemaakt. Tevens werd de ouders een toestemmingsformulier gezonden. Klager reageerde nog op dezelfde dag. Hij gaf aan dat het fijn was dat de zorgboerderij toch leek te gaan lukken  en gaf aan dat hij de volgende dag een krabbel kon zetten op het toestemmingsformulier. 

Op 12 juni 2020 liet klager een bericht achter in “Jouw Omgeving” waarin hij aangaf dat het met de dochter niet goed ging en dat zij achteruitging. Ook vroeg hij naar de mogelijkheden voor opname in een kliniek. Daarnaast liet hij weten bij gebrek aan vooruitgang het traject bij F niet langer te zullen goedkeuren. In de dagen daarna liet klager meerdere berichten achter, waarin hij zich kritisch toonde over de behandeling en de rol van moeder. De dochter antwoordde op deze berichten. Op 16 juni 2020 liet de orthopedagoog weten dat de berichtenwisseling niet in het belang was van de dochter en dat – om de dochter te beschermen – de evaluatie alleen met de ouders door zou gaan.

Op 18 juni 2020 vond de evaluatie plaats via beeldbellen, waarbij beklaagde eerst dertig minuten met moeder sprak en daarna dertig minuten met klager. Tijdens dit gesprek werd het behandelplan besproken. In “Jouw Omgeving” werd genoteerd:

“Beide ouders akk met behandelplan. Vader verwoordt zijn neg kijk op behandeling bij F tot nu toe en geeft aan dat als hij dit voorstel niet zag zitten hij uit het leven van E zou verdwijnen, niet aan kunnen zien hoe E zz vernietigt. Nu toch contact met E willen blijven houden. Lijkt het te verdragen dat E voorl met SV etc bij moeder is, al heeft hij geen vertrouwen in aanpak en draagkracht van moeder. Vader benoemt positief over dit behandelvoorstel te zijn.”

Op 23 juni 2020 e-mailde klager dat hij niets meer van zijn dochter of de moeder hoorde en dat hem gezegd was zelf contact op te nemen met de kinderarts. Hij verzocht in zijn e-mail alles betreffende de lichamelijke status van zijn dochter ook met hem te delen. Ook schreef klager van mening te zijn dat zijn dochter op een wachtlijst moest worden gezet voor opname in een kliniek. Verder sprak hij zijn zorg uit over het gewicht van zijn dochter.

Toegezegd werd dat beklaagde klager op 2 juli 2020 zou bellen.

Op 27 juni 2020 liet klager per e-mail weten dat hij - kort gezegd - zijn dochter niet meer kon zien omdat zij dacht beter af te zijn bij moeder en hij niet achter de huidige behandeling stond, waardoor moeder het samen met F voor hem onmogelijk maakte zijn dochter nog verder te steunen.  

Volgens afspraak was er op 2 juli 2020 telefonisch contact tussen klager en beklaagde. Beklaagde noteerde van dit contact onder meer:

“-Vader staat niet meer achter behandeling F. Gevoel zegt dat E het zo met dit traject niet gaat redden. Vader wil plan B als dit niet werkt.

- Hij wil wel graag op de hoogte gehouden worden. Genoemd dat we gaan overleggen hoe dat te doen en wat F daarin kan doen.”

Klager liet in een e-mail aan de orthopedagoog weten op de hoogte te willen worden gehouden van hoe het met zijn dochter ging, waarbij hij aangaf dat de laatste communicatie volgens hem van 6 juni 2020 was. De orthopedagoog schreef hierop onder meer terug dat er voor gekozen was iedereen via “Jouw Omgeving” op de hoogte te houden zodat iedereen daarin de veranderingen en belangrijke informatie kon vermelden.

Op 16 juli 2020 werd er vanuit F een bericht voor de ouders geplaatst met een beschrijving van de stand van zaken van dat moment. Op 23 juli 2020 werd nog een bericht aan de ouders geplaatst met een voorstel voor een zorgoverleg op 16 september 2020 en, ook nu weer, een beschrijving van de stand van zaken, waaronder de mededeling dat de dochter de volgende week voor twee dagdelen zou starten bij de zorgboerderij.

Klager plaatste op 23 juli 2020 een bericht waarin hij bedankte voor de terugkoppeling.

Op 21 augustus 2020 plaatste klager een bericht waarin hij aangaf op kortere termijn dan op 16 september 2020 een aantal belangrijke zaken te willen bespreken.

Op 15 september 2020 vond in aanwezigheid van onder meer beide ouders en beklaagde een evaluatie van de behandeling plaats. In het verslag staat onder meer:

“Vader wil graag een plan B voor als het niet goed gaat en vraagt zich af of ze niet alvast op een wachtlijst moet voor de kliniek. Uitleg gegeven dat een kliniek voor nu niet wenselijk lijkt, daarnaast een kliniek ook nadelen met zich mee draagt, waarbij invloed van elkaar juist een negatief effect heeft.

Hoe verder: Vader geeft in woorden aan waar hij ontevreden over is en geeft aan op welke vragen hij antwoord wil. G geeft aan dat zij en vader van visie verschillen. Hierdoor lijkt het onmogelijke om antwoord te geven op de vragen. Vader vraagt naar slagingspercentage van dit behandeltraject en de eerdere behandeltrajecten bij eetstoornissen. Uitleg gegeven dat er geen gelijk traject is en hier dus geen antwoord op is. […]”

3. HET STANDPUNT VAN KLAGER EN DE KLACHT

Tijdens het mondeling vooronderzoek op 4 maart 2021 is de klacht vastgesteld zoals in het verweerschrift samengevat onder paragraaf 15 sub d, e en f. Klager heeft desgevraagd de andere klachtonderdelen ter zitting ingetrokken. Dit komt neer op de volgende (resterende) verwijten aan beklaagde:

  • dat zij klager niet heeft betrokken bij het overleg tussen F en zijn ex-echtgenote. Meer algemeen verwijt klager beklaagde een gebrek aan (juiste) communicatie tussen de behandelaren van F en klager;
  • dat niet is gereageerd op de wens van klager zijn dochter op de wachtlijst te (laten) zetten voor opname in een anorexia-kliniek;
  • dat zij klager niet serieus heeft genomen door vragen niet of niet adequaat te beantwoorden.

4. HET STANDPUNT VAN BEKLAAGDE

Beklaagde voert – zakelijk weergegeven – aan dat zij heeft gehandeld in overeenstemming met wat van haar als regiebehandelaar redelijkerwijs mocht worden verwacht. De meeste communicatie verliep, na afstemming met beklaagde, via de orthopedagoog. Beklaagde heeft in de periode dat zij als regiebehandelaar bij de zorg betrokken is geweest voortdurend contact gehad met alle bij de behandeling betrokken behandelaren, waaronder artsen. Uit die contacten is niet gebleken dat het plaatsen op een wachtlijst van een anorexiakliniek nodig of noodzakelijk werd geacht. Tijdens het zorgoverleg op 15 september 2020 is de wens van klager besproken en is hem uitgelegd waarom dat volgens de behandelaren niet geïndiceerd was. Daarbij blijkt uit de stukken dat de dochter en haar moeder geen andere behandeling wilden, het plaatsen op een wachtlijst van een kliniek was alleen al daarom niet mogelijk. Beklaagde erkent verder dat het is voorgekomen dat zij niet direct een antwoord kon geven op een van de vele vragen die klager aan haar heeft gesteld. Beklaagde acht het echter zorgvuldig om op vragen waarop zij niet direct een antwoord heeft, aan te geven dat zij het antwoord op dat moment niet heeft. Eén van deze vragen betrof de vraag waarom de dochter niet eerder naar het ziekenhuis was gestuurd omdat de kinderarts niet zou hebben begrepen waarom dit niet gebeurd was. Beklaagde heeft daarop aangegeven dit te willen uitzoeken, maar klager gaf aan dat dat niet meer hoefde. Dat klager eerder dan op 15 september 2020 de vraag heeft gesteld hoeveel kinderen door F met deze problematiek waren behandeld en redelijk genezen verder konden, kan beklaagde zich niet herinneren.

5. DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE

Algemeen

NaN.  

Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

Klachtonderdeel d.

5.2

Uit het dossier blijkt dat klager in de periode waarin beklaagde betrokken was bij de casus, op regelmatige wijze werd betrokken bij de casus van zijn dochter. Zijn toestemming werd op verschillende momenten gevraagd en ook verkregen. Bij de behandeling ter zitting heeft klager dat ook bevestigd. De contacten verliepen echter naar zijn mening onbevredigend, omdat hij het gevoel had steeds als laatste te worden geïnformeerd. Een beslissing was dan al vaak genomen of er werd gezegd dat zijn dochter zelf zeggenschap over de behandeling had, dit terwijl de dochter nog een kind is. Beklaagde erkent dat de contacten met klager niet altijd naar diens wens zijn verlopen, maar meent dat dit nog niet betekent dat beklaagde hiervan een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

5.3

Het tuchtcollege benadrukt allereerst dat het klagers zorgen over zijn dochter kan invoelen, nu de behandeling onvoldoende effect leek te sorteren. Uit zijn standpunten leidt het college af dat hij de behandeling wilde bijsturen in een richting die volgens hem effectiever zou zijn, hetgeen hem niet lukte. De situatie rond de dochter was echter niet eenvoudig. Klager zelf geeft aan dat de afstemming met zijn ex-echtgenote een probleem was, omdat zij volgens hem alleen vanuit zichzelf zou denken en niet vanuit de rol van beide ouders. Om de communicatie tussen de beide ouders te verbeteren is systeemtherapie aangeboden. Klager heeft daar in eerste instantie van afgezien, later was hij alsnog bereid daaraan mee te werken, maar is dit door omstandigheden niet meer doorgegaan. Ook de communicatie tussen klager en zijn dochter verliep moeizaam, omdat de spanningen zich ook in dat opzicht lieten voelen. Het is te betreuren dat klager enerzijds en moeder en dochter anderzijds niet op één lijn zaten. Het college kan echter niet vaststellen op welke professionele grondslag beklaagde als regiebehandelaar zich gehouden had moeten zien - in weerwil van de wensen van moeder en dochter of van haar eigen professionele opvattingen - volledig in de wensen van klager mee te gaan. Het enkele feit dat klager het graag anders had gewild, is daarvoor nog niet voldoende. Klager had bovendien moeite met het feit dat F rekening hield met de wensen van de dochter. Daar staat tegenover dat beklaagde rekening diende te houden met de leeftijd van de dochter, die ingevolge artikel 7:450 van het Burgerlijk Wetboek met zich bracht dat ook zij moest instemmen met de behandeling. Beklaagde kreeg te maken met twee gezagdragende ouders die niet steeds eensluidende standpunten innamen en de dochter met wier mening ook in juridische zin rekening moest worden gehouden. De onvrede die klager ervoer omdat volgens hem in onvoldoende mate rekening werd gehouden met zijn standpunten kan het college op basis van de feiten in deze zaak niet objectiveren dan wel terugvoeren op verwijtbaar handelen van beklaagde. Dat beklaagde professionele standaarden heeft overtreden dan wel anderszins naar objectiveerbare maatstaven in onvoldoende mate rekening heeft gehouden met de zienswijzen of belangen van klager en klager onvoldoende heeft betrokken bij de zorg voor zijn dochter, kan niet worden vastgesteld. Het klachtonderdeel is derhalve ongegrond.

Klachtonderdeel e.

5.4

Het enkele feit dat beklaagde niet is meegegaan in de wens van klager zijn dochter op de wachtlijst voor een kliniek te plaatsen, levert als zodanig geen tuchtrechtelijk verwijt op. Beklaagde heeft met het gespreksverslag van 15 september 2020 aangetoond dat deze wens met de ouders is besproken en dat gemotiveerd is aangegeven waarom plaatsing in een kliniek op dat moment niet wenselijk leek. Ook op formele grond lijkt daarvoor geen mogelijkheid te zijn geweest, nu moeder en dochter niet met plaatsing hadden ingestemd. Het klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel f.

5.5

Klager heeft aangevoerd dat beklaagde zijn vragen onvoldoende heeft beantwoord dan wel daar niets mee heeft gedaan. Klager had beklaagde voorgehouden dat de kinderarts zich had afgevraagd waarom zijn dochter niet eerder naar het ziekenhuis was gestuurd. Beklaagde heeft aangegeven dit te moeten navragen. Volgens haar heeft klager toen gezegd dat dat niet meer hoefde. Beklaagde kan zich niet herinneren dat klager aan haar ook heeft gevraagd hoeveel kinderen bij F voor anorexia worden behandeld en redelijk genezen verder kunnen en hoeveel patiënten een collega van beklaagde al voor anorexia had behandeld. Het college overweegt dat de feiten waarop dit klachtonderdeel ziet, niet objectief kunnen worden vastgesteld. De herinneringen van partijen komen niet geheel overeen en objectieve bewijsbronnen ontbreken. Wat daarvan zij, het niet direct kunnen beantwoorden van vragen levert op zichzelf nog geen gegrond tuchtrechtelijk verwijt op. Dat beklaagde hier steken heeft laten vallen, is objectief niet vast te stellen. Waar dit klachtonderdeel mede betrekking heeft op het niet-plaatsen van klagers dochter op de wachtlijst voor een kliniek, wordt verwezen naar overweging 5.5. Het klachtonderdeel is derhalve ongegrond.

6. DE BESLISSING

Het college:

  • verklaart de klacht in zijn geheel ongegrond.

Aldus gegeven door J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter, P.A.H. Lemaire, lid-jurist, Th.A.M. Deenen, G.G.A. Schuitemaker en N.J. Kroon, leden-beroepsgenoten, in tegenwoordigheid van M. Keukenmeester, secretaris.                                                                                                  

                                                                                               ��                 voorzitter

                                                                                                                 secretaris

 

Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

  • Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
    - het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard of
    - als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

  • Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
  • Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.

U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.