ECLI:NL:TGZRGRO:2021:48 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Groningen Z2021/0034
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRGRO:2021:48 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 24-12-2021 |
| Datum publicatie: | 24-12-2021 |
| Zaaknummer(s): | Z2021/0034 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | Gegrond, berisping |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een psychotherapeut, deels gegrond. De psychotherapeut heeft een verklaring verstrekt aan de (ex-) partner van klager op grond van enkel een mondeling verzoek. Hij heeft zich daarbij niet beperkt tot de weergave van feiten maar een -niet onderbouwd- waardeoordeel gegeven over het persoonlijk functioneren van de (ex-) partner van klager. Hij heeft daarmee in strijd gehandeld met de beroepscode van de Nederlands Vereniging voor Psychotherapie. De psychotherapeut heeft ten onrechte jarenlang de titel van GZ-psycholoog gebruikt terwijl hij niet als zodanig in het BIG-register stond ingeschreven. De klacht is in zoverre gegrond en het college legt de maatregel van berisping op.Voor zover de klacht ziet op de directe behandelrelatie tussen de (ex-) partner van klager en de psychotherapeut is de klacht niet ontvankelijk. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG GRONINGEN
Beslissing d.d. 24 december 2021 naar aanleiding van de op 5 februari 2021 bij het Regionaal Tuchtcollege te Groningen ingekomen klacht van
A , wonende te B,
k l a g e r
-tegen-
C , psychotherapeut, (destijds) werkzaam te D,
bijgestaan door mr. M.M.E. Bowmer, advocaat te Dordrecht,
b e k l a a g d e
1. HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE
Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:
- het klaagschrift met de bijlagen;
- de brief aan klager d.d. 25 februari 2021;
- het aanvullende klaagschrift;
- het tweede aanvullende klaagschrift;
- het verweerschrift met de bijlagen.
Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid om te worden gehoord in het kader van het vooronderzoek.
De zaak is behandeld ter openbare zitting van 12 november 2021, waar zijn verschenen klager en beklaagde, de laatste bijgestaan door zijn gemachtigde.
2. DE FEITEN
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.
Beklaagde was in december 2020 de behandelaar van de ex-echtgenote van klager, hierna te noemen cliënte. De Raad voor de Kinderbescherming was bij klager en cliënte betrokken in verband met de uithuisplaatsing van hun twee kinderen. De Raad voor de Kinderbescherming had cliënte verzocht -als voorwaarde om haar kinderen te zien- een psychotherapeutische behandeling te ondergaan. Cliënte had aan beklaagde gevraagd om met een verklaring te bevestigen dat zij zich onder behandeling had gesteld.
Op 12 januari 2021 heeft beklaagde een verklaring aan de advocaat van zijn cliënte verzonden met als onderwerp “informatie [cliënte]”. De inhoud was als volgt:
“LS.
Onlangs heeft uw [cliënte] zich bij ons centrum aangemeld, met klachten van somberheid, angst en emotionele vermoeidheid.
Deze klachten zijn geluxeerd door een zeer ingewikkeld verlopen echtscheiding. Gevolgd door een tot op de dag van vandaag uiterst moeizame en voor mevrouw stresserende omgang met haar ex-echtgenote inzake hun gemeenschappelijke kinderen. Ten tijde van de aanmelding zijn haar twee oudste kinderen, die ze samen met haar ex-echtgenoot heeft, tijdelijk uit huis geplaatst.
Samenvattend is er sprake van een chronische PTSS.
Er is geen sprake van een persoonlijkheidsstoornis in welk spectrum dan ook.
Na de intakeprocedure werd er een tailormade trauma retreat met intensieve therapie en coaching geïndiceerd. Deze heeft in december van 2020 van dit jaar plaatsgevonden. Momenteel is mevrouw nog in behandeling middels een online en telefonisch nazorg traject. Het resultaat is op dit moment positief. Cliënte kan beter omgaan met de bovenbeschreven traumatiserende situatie, ze ervaart meer stabiliteit en een significante afname van de aanmeldingsklachten.
De voor mevrouw zeer traumatische uithuisplaatsing van de kinderen, laat onverlet dat cliënte volledig in staat is voor haar kinderen te zorgen. Ouderschapsvaardigheden zijn in voldoende mate aanwezig, en het moederschap vervult cliënte met toewijding, betrokkenheid en een goede emotionele binding.
Hopende u aldus voldoende te hebben geïnformeerd.
Met vriendelijke groet,
[beklaagde]
psycholoog-psychotherapeut.
[beklaagde]
Psychotherapeut
Gezondheidszorgpsycholoog
[…].”
Op 15 januari 2021 heeft de advocaat van cliënte de verklaring ingebracht als gerechtelijk bewijs in het kader van de procedure over de machtiging uithuisplaatsing betreffende de kinderen.
3. HET STANDPUNT VAN KLAGER EN DE KLACHT
Klager verwijt beklaagde - zakelijk weergegeven – dat hij:
NaN. verregaande uitspraken heeft gedaan over de ouderschapsvaardigheden van cliënte, zonder hetero-anamnestische informatie te hebben verkregen en zonder haar te hebben gezien in het contact met de kinderen;
NaN. zich liet lenen om een rapportage te schrijven om deze aan de raadsvrouw van cliënte te sturen, terwijl hij kon weten dat de rapportage zou worden gebruikt in een complexe familierechtelijke procedure;
NaN. uitspraken heeft gedaan over de vermeende psychopathologie van cliënte, zonder gedegen psychodiagnostisch onderzoek gedaan te hebben;
NaN. geen behandeling aan cliënte heeft geboden conform de GGZ-richtlijnen voor zover er sprake zou zijn van chronische PTSS;
NaN. zowel in zijn brief als op zijn LinkedIn-pagina en zijn website de titel GZ-psycholoog hanteert, terwijl hij volgens het BIG-register geen geregistreerd GZ-psycholoog is;
NaN. niet zijn BIG-nummer(s) vermeldt in zijn gerechtelijk schrijven of op zijn website.
4. HET STANDPUNT VAN BEKLAAGDE
Beklaagde voert - zakelijk weergegeven - aan dat de Raad voor de Kinderbescherming als voorwaarde had gesteld dat zijn cliënte zich onder psychotherapeutische behandeling zou stellen voor het zien van haar kinderen. Hij heeft dit door middel van een verklaring bevestigd aan de advocaat van cliënte en hij zag geen bezwaren tegen een dergelijke verklaring. Het is geenszins zijn bedoeling geweest om uitspraken te doen over omgangsregelingen of de vraag bij wie de kinderen zouden kunnen wonen. Hij heeft zo summier mogelijk verslag gedaan van de behandeling mede om de privacy en belangen van alle betrokkenen zo optimaal mogelijk te respecteren en te waarborgen. Bij zijn opmerkingen over de betrokkenheid en binding van zijn cliënte aan haar kinderen en dat zij in staat was voor hen te zorgen, is geenszins bedoeld om te treden in het besluit van de uithuisplaatsing. Vanuit zijn jarenlange ervaring en expertise als psychotherapeut en systeemtherapeut was het de inschatting van beklaagde dat cliënte ten tijde van het schrijven van de verklaring in staat was een rol als moeder, in welke vorm dan ook, te vervullen. In het kader van de diagnostiek, indicatiestelling en psychotherapie heeft hij de afweging gemaakt te vermelden dat cliënte als moeder contact met haar kinderen zou kunnen hebben. Over in welke vorm en mate heeft hij, met het uitdrukkelijk belang van het welzijn van de kinderen voorop, zich niet uitgelaten. Hij heeft hierbij artikel III.3.1.1 van de beroepscode NVP 2018 in acht genomen. Dat de psychotherapeutische behandeling niet volgens de daartoe geldende richtlijnen is verlopen, is niet onderbouwd. Klager is op geen enkele wijze betrokken geweest bij de behandeling van cliënte en hij heeft geen weet van de inhoud van de diagnostiek, indicatiestelling of psychotherapeutische behandeling. Hij is geen belanghebbende en niet gemachtigd door zijn cliënte. Beklaagde is sinds 1988 BIG-geregistreerd als psychotherapeut en GZ-psycholoog. Bij de gezamenlijke herregistratie is er een fout gemaakt waarover hij contact heeft opgenomen met het BIG-register om te achterhalen hoe dit heeft kunnen plaatsvinden.
5. DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE
5.1
In de onderhavige zaak dient het college primair te beoordelen of klager ontvankelijk is in zijn klacht. Gezien klagers uitdrukkelijke stellingname dat hij de klacht namens zichzelf en niet namens cliënte heeft ingediend, gaat het derhalve in dit geval om de vraag of klager zelf kan worden aangemerkt als rechtstreeks belanghebbende in de zin van artikel 65, eerste lid, onder a van de Wet op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (Wet BIG).
Ingevolge de Wet BIG is als rechtstreeks belanghebbende in ieder geval aan te merken een cliënt van de betrokken hulpverlener. Ook naaste betrekkingen van een cliënt kunnen rechtstreeks belanghebbende zijn. Het college is van oordeel dat klager geen rechtstreeks belanghebbende is voor wat betreft het derde en vierde klachtonderdeel. Deze klachtonderdelen zien op de directe behandelrelatie tussen cliënte en beklaagde. Niet duidelijk is geworden in welk concreet eigen belang klager zou zijn geraakt. Klager was niet bij de behandeling van cliënte betrokken en zij heeft geen toestemming gegeven voor het indienen van een klacht. Ten aanzien van het derde en vierde klachtonderdeel verklaart het college de klacht dan ook niet-ontvankelijk.
5.2
Naar het oordeel van het college heeft klager bij het indienen van de overige klachtonderdelen wel een rechtstreeks belang, nu hij voldoende duidelijk heeft gemaakt dat hij als gezaghebbende vader van zijn minderjarige kinderen in zijn belang is geraakt door het handelen van beklaagde. Beklaagde heeft als psychotherapeut en GZ-psycholoog een verklaring afgegeven die in een gerechtelijke procedure is ingebracht en die daardoor nadelige gevolgen voor klager zou kunnen hebben (gehad).
Verder geldt dat de tuchtnormen, zoals neergelegd in artikel 47 van de Wet BIG, niet alleen betrekking hebben op handelen of nalaten in strijd met de zorg die een beroepsbeoefenaar ten opzichte van de patiënt dient te betrachten (de eerste tuchtnorm) maar ook enig ander handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt.
(de tweede tuchtnorm). Ook dit laatste handelen zou tot een tuchtrechtelijke veroordeling kunnen leiden, mits het handelen of nalaten voldoende weerslag heeft op de individuele gezondheidszorg.
Vaststaat dat tussen klager en beklaagde geen behandelrelatie heeft bestaan. Dat betekent kort gezegd dat de eerste tuchtnorm (artikel 47 lid 1 sub a Wet BIG) hier niet van toepassing is. Wel kunnen h et afleggen van die verklaring, de inhoud daarvan, de hoedanigheid waarin beklaagde die verklaring heeft afgelegd en het gebruik van een beschermde titel worden getoetst aan de tweede tuchtnorm.
5.3
Ten aanzien van de inhoudelijke beoordeling wijst het college er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.
5.4
Klachtonderdeel 1 en 2
Het college zal de eerste twee klachtonderdelen gezamenlijk behandelen vanwege hun onderlinge samenhang.
Beklaagde heeft ter zitting verklaard dat hij informatie aan de advocaat van zijn cliënte heeft verstrekt vanuit zijn hoedanigheid van professional. Volgens beklaagde diende hij alleen de vraag te beantwoorden of cliënte zich onder psychotherapeutische behandeling had gesteld omdat zij anders van de Raad voor de Kinderbescherming haar kinderen niet mocht zien. Het college stelt vast dat het verzoek om informatie niet schriftelijk heeft plaatsgevonden voorzien van een handtekening van cliënte maar dat beklaagde informatie heeft verstrekt op grond van enkel een mondeling verzoek van cliënte en haar advocaat. Daarbij heeft beklaagde niet alleen de vraag beantwoord of cliënte zich onder zijn behandeling heeft gesteld, maar ook uitlatingen gedaan waarmee hij meer informatie verschaft dan gevraagd. Hij had zich ervan bewust moeten zijn dat zijn uitlatingen in een gerechtelijke procedure zwaar zouden kunnen wegen, vanwege het feit dat zijn informatie als een geneeskundige verklaring zou kunnen worden opgevat. De uitlatingen omtrent de echtscheiding en de omgang met klager en hun gemeenschappelijke kinderen zijn, zo blijkt ook uit de eigen toelichting van beklaagde, enkel en alleen gebaseerd op informatie die cliënte aan beklaagde heeft verstrekt, welke informatie niet kan worden beschouwd als feitelijke gegevens of bevindingen omtrent de gezondheid van een cliënt. Voor het college staat vast dat beklaagde zich niet heeft beperkt tot het weergeven van feiten, maar een -niet onderbouwd- waardeoordeel heeft gegeven over het persoonlijk functioneren van cliënte waarbij hij met betrekking tot haar kwaliteiten als moeder heeft verklaard: “[…] cliënte volledig in staat is voor haar kinderen te zorgen. Ouderschapsvaardigheden zijn in voldoende mate aanwezig, en het moederschap vervult cliënte met toewijding, betrokkenheid en een goede emotionele binding.”
Beklaagde heeft daarmee in strijd gehandeld met artikel III.3.1.1 van de voor hem geldende beroepscode van de Nederlandse Vereniging voor Psychotherapie (NVP 2018) dat bepaalt dat de behandelaar op verzoek of met toestemming van de cliënt uitsluitend schriftelijke informatie zonder conclusies of waardeoordeel aan derden mag verschaffen. Bovendien had beklaagde bij het afgeven van een verklaring zich dienen te beperken tot het vermelden van die gegevens en beoordelingen die voor het doel van de rapportage noodzakelijk zijn (art. III.5.2 van de Beroepscode).
Het college is van oordeel dat het op de weg van beklaagde had gelegen om, alvorens enige informatie te verstrekken, zich eerst nader schriftelijk te (laten) informeren over het verzoek van zijn cliënte. Dat beklaagde klakkeloos aan het mondelinge verzoek van (de advocaat van) cliënte heeft voldaan, en daarbij de Beroepscode heeft geschonden valt hem zwaar aan te rekenen.
Daarnaast rekent het college beklaagde aan dat hij een verklaring heeft verstrekt terwijl hij ervan op de hoogte was dat cliënte in een gerechtelijke procedure verwikkeld was. Het moet voor beklaagde dus redelijkerwijs voorzienbaar zijn geweest dat zijn verklaring een rol zou kunnen gaan spelen in de procedure inzake de machtiging uithuisplaatsing van de kinderen. Volgens vaste jurisprudentie dient een behandelaar zich bij een verzoek om een verklaring zeer terughoudend op te stellen en al helemaal als het gaat om een verklaring die beoogt te worden gebruikt als steun voor het standpunt van de cliënt in een juridische procedure. Naar het oordeel van het college had beklaagde er beter aan gedaan de gevraagde verklaring niet te geven. Indien hij toch een dergelijke verklaring wilde afgeven, had beklaagde zich strikt dienen te beperken tot een weergave van feitelijke gegevens. Het eerste en tweede klachtonderdeel zijn gegrond.
5.5
Klachtonderdeel 5
Het vijfde klachtonderdeel ziet op het ten onrechte voeren van de beschermde beroepstitel GZ-psycholoog.
De Wet BIG behelst een stelsel van titelbescherming voor de daarvoor in aanmerking komende beroepen, waaronder de GZ-psycholoog. Het voeren van een wettelijk beschermde beroepstitel wordt voorbehouden aan bepaalde groepen van deskundigen. Met deze titel kan men zich kenbaar maken als deskundige op het desbetreffende vakgebied. Het recht op het voeren van de titel ontstaat door inschrijving in het desbetreffende register. Degene die de titel voert, onderscheidt zich van andere niet-ingeschrevenen en maakt zich aan het publiek kenbaar als een door de overheid erkende deskundige op het gebied waarop die titel betrekking heeft. Degene die hulp zoekt, wordt door middel van de beschermde titels in staat gesteld de deskundige te onderkennen. Het mogen voeren van een beschermde beroepstitel, waarmee de betrokkene zich aandient als gekwalificeerde op zijn gebied, is aan de ingeschrevenen in het voor het betrokken vakgebied ingestelde register voorbehouden.
Het college stelt vast dat beklaagde sinds 6 januari 2017 niet meer als GZ-psycholoog in het BIG-register, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet BIG is ingeschreven. Beklaagde heeft ter zitting aangevoerd dat hij altijd in de veronderstelling is geweest dat zijn BIG-registratie op orde was en dat hij niet weet hoe deze vergissing tot stand is gekomen. Pas na het lezen van de klachtbrief kwam hij tot de ontdekking dat hij alleen als psychotherapeut is ingeschreven en dat er kennelijk een fout is gemaakt bij de herregistratie. Het college vindt het onbegrijpelijk dat beklaagde, toen hij ontdekte dat hij niet als GZ-psycholoog geregistreerd stond, niet meer actie heeft ondernomen en desalniettemin tot de dag van de hoorzitting bij het Regionaal Tuchtcollege -ten onrechte- de titel van
GZ-psycholoog heeft gebruikt. Beklaagde heeft op vragen van het college aangevoerd dat hij ongeveer zes keer telefonisch contact heeft opgenomen met het CIBG, maar dat is in het licht van de omstandigheid dat beklaagde gebruik bleef maken van de titel GZ-psycholoog onvoldoende. Dit klemt te meer nu beklaagde bijna vijf jaar de titel van GZ-psycholoog heeft gevoerd terwijl hij niet als zodanig stond ingeschreven in het BIG-register en er sprake is van een overtreding als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de wet BIG. Het college acht het ten onrechte voeren van de titel van GZ-psycholoog bovendien in strijd met hetgeen een behoorlijk BIG geregistreerd psychotherapeut betaamt.
Het vijfde klachtonderdeel is gegrond.
5.6
Klachtonderdeel zes
In het laatste klachtonderdeel verwijt klager beklaagde dat hij zijn BIG-nummers niet op de website of in zijn brief heeft vermeld. Het college oordeelt als volgt.
Op 2 april 2020 is het aangepaste besluit met de regels voor de verplichting het BIG-nummer te vermelden officieel bekend gemaakt. Hierin staat dat de verplichting om het BIG-nummer te vermelden in werking treedt per 1 januari 2021. Zorgverleners moeten cliënten over hun BIG-nummer informeren wanneer zij daar om vragen, het nummer vermelden bij het gebruik van hun naam op hun website en in de e-mail- ondertekening van e-mailberichten die zij beroepsmatig verzenden.
De handhaving op de verplichting is in verband met de maatregelen rondom COVID-19 echter uitgesteld. Officieel gaat de regelgeving in op 1 januari 2021, maar in april 2020 besloot de minister al de handhaving uit te stellen. Dit besluit is op dit moment nog steeds van toepassing: “door de coronacrisis hebben BIG-geregistreerde zorgverleners en hun werkgevers misschien niet voldoende tijd om op 1 januari 2021 aan de verplichting te voldoen. Daar wordt rekening mee gehouden: zij hoeven voorlopig nog niets te doen”. Naar het oordeel van het college voert het dan ook te ver om dit klachtonderdeel gegrond te verklaren.
5.7
Nu het college het eerste, tweede en vijfde klachtonderdeel gegrond heeft verklaard zal zij zich uitspreken over de op te leggen maatregel. Bij het bepalen van een passende maatregel houdt het college er rekening mee dat beklaagde ter zitting niet de indruk heeft gewekt dat hij zich erop heeft georiënteerd welke regels er golden toen hij de verklaring heeft geschreven, noch voorafgaand daaraan noch achteraf. Hoewel beklaagde ter zitting heeft aangegeven dat hij anders had kunnen en moeten optreden, overtuigt dit het college niet. Het college heeft niet de indruk gekregen dat beklaagde op de hoogte is van de voor hem geldende richtlijnen en dat hij inziet wat het belang hiervan is voor zijn handelen. Dit geldt ook voor het onjuiste gebruik van zijn verlopen BIG-registratie.
Gelet op de ernst van de tekortkomingen, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de houding van beklaagde nadien, zal het college ditmaal volstaan met het opleggen van de maatregel van berisping.
5.8
Om redenen, aan het algemeen belang ontleend, zal deze beslissing geanonimiseerd worden gepubliceerd.
Gelet op het voorgaande dient als volgt te worden beslist.
NaN. DE BESLISSING
Het college:
-verklaart klager niet ontvankelijk in het derde en vierde klachtonderdeel;
-verklaart het eerste, tweede en vijfde klachtonderdeel gegrond en bepaalt dat terzake daarvan de maatregel van berisping wordt opgelegd;
-verklaart het zesde klachtonderdeel ongegrond;
-bepaalt dat deze beslissing nadat deze onherroepelijk is geworden in geanonimiseerde vorm in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter publicatie zal worden aangeboden aan de tijdschriften ‘Tijdschrift voor Gezondheidsrecht’, ‘Gezondheidszorg Jurisprudentie’, ‘Medisch Contact’, ‘De Psycholoog’, en het Tijdschrift voor Psychotherapie’.
Aldus gegeven door S.B. Boorsma, voorzitter, W.R. Kastelein, lid-jurist, G.G.A. Schuitemaker, S.M. Pol en Th.A.M. Deenen, leden-beroepsgenoten, in tegenwoordigheid van G.E. Bart, secretaris.
voorzitter
secretaris
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
- Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
- Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
- Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg,
maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u
is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege
voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk
in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.