ECLI:NL:TGZRGRO:2021:42 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Groningen GP2020/13
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRGRO:2021:42 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 26-11-2021 |
| Datum publicatie: | 02-12-2021 |
| Zaaknummer(s): | GP2020/13 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen psycholoog. Klager verblijft in een tbs-kliniek en klaagt over de indicatie tot dwangmedicatie. Beklaagde is niet bij deze indicatie betrokken geweest. Klacht kennelijk ongegrond. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE GRONINGEN
Beslissing in raadkamer d.d. 26 november 2021 naar aanleiding van de op 17 augustus 2020 bij het Regionaal Tuchtcollege te Groningen ingekomen klacht van
A te B,
k l a g e r
-tegen-
C , GZ-psycholoog, (destijds) werkzaam te D,
bijgestaan door mr. M.C. Hazenberg, verbonden aan VvAA rechtsbijstand te Utrecht
b e k l a a g d e
- HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE
Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:
- het klaagschrift met bijlagen;
- het verweerschrift met bijlage;
- de repliek van klager.
Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om gehoord te worden in het kader van het vooronderzoek.
2. DE FEITEN
Op grond van de stukken dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.
Aan klager is een maatregel van terbeschikkingstelling (tbs) opgelegd. In verband hiermee is hij in de periode van 29 november 2018 tot en met 19 januari 2019 voor multidisciplinair onderzoek opgenomen geweest in E. Beklaagde is als GZ-psycholoog bij dat onderzoek betrokken geweest. Van het onderzoek is op 19 februari 2019 een Pro Justitia Rapport uitgebracht. Hierin is door beklaagde en de onderzoekend psychiater onder meer antwoord gegeven op de vraag of volgens hen medicatie geïndiceerd is. Samengevat is door hen geconcludeerd dat het op de langere termijn contraproductief is om klager dwangmedicatie te geven.
Na het multidisciplinaire onderzoek heeft er op 22 februari 2019 een zorgconferentie plaatsgevonden, waarbij beklaagde ook aanwezig was. Hier is onder meer gesproken over mogelijke overplaatsing naar F.
In september 2019 is klager overgeplaatst naar G (hierna: de kliniek) te H.
Op 16 juni 2020 heeft er weer een zorgconferentie plaatsgevonden. Ook hierbij was beklaagde aanwezig. Hier is geconcludeerd dat dwangmedicatie iets is wat uitgeprobeerd moest worden, met als aanbeveling vanuit I om dit binnen bijvoorbeeld J op te pakken.
3. HET STANDPUNT VAN KLAGER EN DE KLACHT
Klager heeft in zijn klaagschrift klachten geformuleerd tegen meerdere behandelaren. Ten aanzien van beklaagde heeft hij – kort samengevat – aangevoerd dat hij hem tijdens het onderzoek heeft gesproken en dat beklaagde daarbij netjes was. Uitkomst van het onderzoek was dat medicatie zou kunnen helpen, maar géén dwangtraject.
Klager begrijpt niet dat vervolgens alsnog is geadviseerd tot dwangmedicatie.
4. HET STANDPUNT VAN BEKLAAGDE
Beklaagde meent dat de klacht ongegrond moet worden verklaard omdat hem geen concreet verwijt wordt gemaakt. Daarnaast heeft hij zich niet uitgesproken over de inzet van dwangmedicatie. Beklaagde heeft geen bemoeienis gehad bij de indicatie daartoe.
5. DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE
Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.
5.2
Voor zover klager aan beklaagde verwijt dat uiteindelijk tot dwangmedicatie is geadviseerd, is dat verwijt niet terecht.
Zoals beklaagde in het verweerschrift heeft toegelicht, is hij niet bij de indicatie tot dwangmedicatie betrokken geweest. Dit blijkt ook uit het verslag van de zorgconferentie van 16 juni 2020: tijdens deze zorgconferentie is door de betrokken psychiaters gesproken over de mogelijkheden van dwangmedicatie en door hen is uiteindelijk gekomen tot het advies om dwangmedicatie uit te proberen, onder andere om plaatsing op een longstay-afdeling af te wenden.
Nu klager verder geen concrete verwijten aan beklaagde heeft gemaakt, slaagt de klacht niet.
5.3
Gelet op het voorgaande dient als volgt te worden beslist.
6. DE BESLISSING
Het college verklaart de klacht kennelijk ongegrond.
Aldus gegeven door P.A.H. Lemaire, voorzitter, Th.A.M. Deenen en G.F.E.C. van Linden van den Heuvell, leden-beroepsgenoten, in tegenwoordigheid van M.D. Moeke, secretaris.
voorzitter
secretaris
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
a. Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
b. Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
c. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.