ECLI:NL:TGZRGRO:2021:41 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Groningen GP2020/05

ECLI: ECLI:NL:TGZRGRO:2021:41
Datum uitspraak: 26-11-2021
Datum publicatie: 02-12-2021
Zaaknummer(s): GP2020/05
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie:  Klacht tegen psycholoog. Klager verblijft in een tbs-kliniek. Beklaagde was daar als GZ-psycholoog betrokken bij de behandeling van klager. De klacht heeft betrekking op het intrekken van klagers verlof. Klager is ontvankelijk. De klacht is zeer summier onderbouwd en de uitleg van beklaagde is door klager niet weersproken. Het college ziet geen aanknopingspunten voor een tuchtrechtelijk verwijt. Klacht kennelijk ongegrond. 

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE GRONINGEN

Beslissing in raadkamer d.d. 26 november 2021 naar aanleiding van de op 15 april 2020 bij het Regionaal Tuchtcollege te Groningen ingekomen klacht van

A , te B,

k l a g e r

-tegen-

C , GZ-psycholoog, (destijds) werkzaam te D,

b e k l a a g d e

  1. HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:

- het klaagschrift met bijlagen;

- het verweerschrift met bijlage;

- het aanvullend verweerschrift met bijlagen;

- de repliek met bijlagen;

- de dupliek.

Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om gehoord te worden in het kader van het vooronderzoek.

2. DE FEITEN

Op grond van de stukken dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.

Aan klager is een maatregel van terbeschikkingstelling (tbs) opgelegd. In het kader hiervan is hij in september 2019 overgeplaatst naar E te D (hierna: de kliniek), na eerder in verschillende andere klinieken te hebben verbleven. In de kliniek was beklaagde als GZ-psycholoog betrokken bij de behandeling van klager.

In de kliniek heeft klager humanitair verlof aangevraagd, om zijn moeder te bezoeken die vanwege haar zwakke gezondheid niet in staat zou zijn hem bij hem langs te komen. Dat verlof was toegekend en zou plaatsvinden op 10 januari 2020. Een dag eerder bleek via de advocaat van klager dat klagers familie op 13 januari 2020 op vakantie zou gaan naar F. Het was onduidelijk of klagers moeder ook mee zou gaan en – zo ja – wat nu de werkelijke reden was voor het verlof. Klager werd vervolgens verzocht nadere informatie te verstrekken over zijn verlofaanvraag. Klager heeft geen nadere informatie verstrekt, waarop het verlof is ingetrokken. Hiertegen is klager in beklag gegaan.  

3. HET STANDPUNT VAN KLAGER EN DE KLACHT

Klager heeft in zijn klaagschrift klachten geformuleerd tegen meerdere behandelaren. Ten aanzien van beklaagde heeft hij – zakelijk weergegeven en kort samengevat – aangevoerd dat zij de beklagrechter op het verkeerde been heeft gezet en dat zij na de beklagzitting tegen klager gezegd zou hebben dat hij toch therapie moet volgen.

4. HET STANDPUNT VAN BEKLAAGDE

Onder verwijzing naar een beslissing van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle van 27 maart 2020 (ECLI:NL:TGZRZWO:2020:40) stelt beklaagde zich op het standpunt dat het college klager niet-ontvankelijk dient te verklaren. Mocht het college klager wel ontvankelijk verklaren dan kan haar handelen slechts marginaal worden getoetst.

Inhoudelijk over de klacht geldt het volgende: volgens beklaagde doelt klager met zijn opmerking dat beklaagde “de beklagrechter op het verkeerde been heeft gezet” vermoedelijk op de opmerking die beklaagde heeft gemaakt tijdens de beklagzitting van 10 februari 2020 over de intrekking van zijn verlof. Volgens beklaagde heeft zij tijdens die zitting de letterlijke tekst van de brief aan klager over de intrekking van zijn verlof voorgelezen en heeft zij daarnaast opgemerkt dat zij het vreemd vond dat de moeder van klager in staat was om op vakantie naar F te gaan terwijl zij niet in staat was om naar D te komen. Deze toelichting was niet bedoeld als reden waarom het verlof zou zijn ingetrokken. Overigens heeft de beklagcommissie zich onbevoegd verklaard ten aanzien van dit onderdeel van de klacht, aldus beklaagde.

Daarnaast is het volgens beklaagde onjuist dat zij na de beklagzitting naar klager zou zijn toegekomen: zij heeft klager niet gesproken, noch benaderd na de zitting.

5. DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE

5.1     Ontvankelijkheid

Beklaagde stelt zich primair op het standpunt dat klager niet-ontvankelijk is zijn klacht. Reden hiervoor is – kort gezegd – dat een tuchtprocedure niet de meest geëigende weg is voor het indienen van een klacht over de intrekking van verlof in een tbs-kliniek, omdat daarvoor een andere rechtsgang openstaat. Het college deelt het standpunt dat de rechtsgang via de beklagcommissie van de Commissie van Toezicht en de Raad voor Strafrechtstoepassing (RSJ) in principe de meest geëigende weg is voor de beoordeling van klachten over zaken als de verlofregeling. Dit neemt echter niet weg dat over geneeskundig handelen binnen de tbs-setting ook op grond van de Wet op de individuele beroepen in de gezondheidszorg een tuchtrechtelijk oordeel moet kunnen worden gevraagd. Anders dan bij de beklagcommissie kunnen daarbij andere, medische aspecten ten volle worden beoordeeld, maar dienen specifiek op de tbs-situatie betrekking hebbende aspecten slechts marginaal te worden getoetst in die zin, dat de vraag moet worden beantwoord of de beklaagde in redelijkheid tot het door de klager klachtwaardig geachte handelen heeft kunnen komen. Dit betekent dat klager dus ontvankelijk is in zijn klacht.

5.2     Beoordeling van de klacht

Het college stelt vast dat de klacht tegen beklaagde zeer summier is en niet onderbouwd. Daarnaast is een echt inhoudelijke reactie op het verweer uitgebleven, hoewel klager wel repliek heeft ingediend. Dat betekent dat klager de uitleg van beklaagde van waar zijn klacht op doelt ook niet heeft weersproken. Het college gaat uit van de interpretatie van de klacht van beklaagde. In het door beklaagde gestelde en het dossier ziet het college geen aanknopingspunt voor een tuchtrechtelijk verwijt. De klacht is daarom kennelijk ongegrond.

5.3

Gelet op het voorgaande dient als volgt te worden beslist.

6.    DE BESLISSING

Het college verklaart de klacht kennelijk ongegrond.

Aldus gegeven door P.A.H. Lemaire, voorzitter, Th.A.M. Deenen en G.F.E.C. van Linden van den Heuvell, in tegenwoordigheid van M.D. Moeke, secretaris.

                                                                                                                 voorzitter

                                                                                                                 secretaris

 

Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

a.         Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als

- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard of

- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

b.         Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.

c.         Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.

U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.