ECLI:NL:TGZRGRO:2021:29 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Groningen G2021/29
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRGRO:2021:29 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 22-10-2021 |
| Datum publicatie: | 26-10-2021 |
| Zaaknummer(s): | G2021/29 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Gegrond, berisping |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een psychotherapeut. Klaagster was in 2018 en 2019 onder behandeling bij de instelling waarvan de psychotherapeut bestuurder was. De psychotherapeut raakte tevens bij de behandeling (te weten een traject genderdysforie) betrokken. Klaagster verwijt de psychotherapeut dat er langere tijd geen behandelaar voor haar beschikbaar was vanwege uitval van personeel en dat daardoor veel hulpvragen zijn blijven liggen. Ook verwijt klaagster de psychotherapeut dat hij geen medisch dossier heeft overgedragen aan de opvolgende instelling waar klaagster onder behandeling is gekomen en dat zijn instelling niet bereikbaar was voor vragen. Het college verklaart de klacht grotendeels gegrond en legt aan de psychotherapeut een berisping op. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE GRONINGEN
Beslissing d.d. 22 oktober 2021 naar aanleiding van de op 3 maart 2021 bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Groningen ingekomen klacht van
A , wonende te B,
k l a a g s t e r
-tegen-
C , psychotherapeut, (destijds) werkzaam te D,
b e k l a a g d e
- HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE
Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:
- het klaagschrift met de bijlagen;
- het verweerschrift;
- aanvullende stukken, ingediend door klaagster.
Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid om te worden gehoord in het kader van het vooronderzoek.
De zaak is behandeld ter openbare zitting van 10 september 2021. Klaagster is met kennisgeving niet verschenen, zonder dat zij daarbij om aanhouding verzocht. Beklaagde is, alhoewel hiertoe behoorlijk uitgenodigd, zonder kennisgeving vooraf niet verschenen.
- DE FEITEN
Op grond van de stukken (waaronder het medisch dossier) en het verhandelde ter zitting dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.
Klaagster heeft zich in juli 2018 aangemeld bij E, een instelling die behandeling en begeleiding aanbiedt in de geestelijke gezondheidszorg. Beklaagde is bestuurder van deze organisatie en hij is hier ook als psychotherapeut werkzaam.
Klaagster was verwezen door de huisarts voor een traject genderdysforie. Er volgden diverse gesprekken met behandelaar F in het kader van de voorgenomen geslachtsbevestiging. In juni 2019 had klaagster een second opinion-gesprek met beklaagde. Klaagster kreeg een verwijzing voor een hormoonbehandeling en voor laserontharing.
In juli 2019 startte de hormoonbehandeling. Daarna zouden de gesprekken met F worden hervat. Dat gebeurde echter niet, omdat F eerst ziek was en later niet meer werkzaam bleek te zijn bij de instelling. Klaagster heeft nog wel een andere tijdelijke behandelaar gehad die binnen een paar maanden ook wegens ziekte afwezig was. Hierdoor kreeg klaagster geen verwijsbrief voor vaginaplastiek, want er bleek ook geen andere behandelaar meer beschikbaar te zijn. Klaagster heeft zich vervolgens in december 2019 aangemeld bij een andere instelling. Uiteindelijk heeft zij na diverse telefoongesprekken en e-mails alsnog de verwijsbrief voor vaginaplastiek gekregen van E. De nieuwe instelling heeft het dossier opgevraagd bij E, maar nog steeds niet ontvangen.
- HET STANDPUNT VAN KLAAGSTER EN DE KLACHT
Klaagster verwijt beklaagde - zakelijk weergegeven –:
1. dat er sinds medio juni 2019 geen behandelaar voor haar aanwezig was bij E;
2. dat er geen medisch dossier binnen de daarvoor gestelde termijn, en overigens nog steeds niet, is verstrekt aan de nieuwe instelling;
3. dat E telefonisch noch per e-mail beschikbaar is voor vragen;
4. dat veel hulpvragen ‘onbeantwoord’ zijn gebleven. Sommige zaken waar klaagster om gevraagd heeft, hadden best geregeld kunnen worden. Het gaat dan om het organiseren van ondersteuning door een psycholoog tijdens het traject, bemiddeling tussen cliënte en de werkgever over de veranderende situatie en verwijzing voor aangezichtschirurgie ten behoeve van passabiliteit (geslachtsbevestiging).
- HET STANDPUNT VAN BEKLAAGDE
Beklaagde voert – zakelijk weergegeven – het volgende aan.
Ad 1.
Na het uitvallen van de oorspronkelijke behandelaar heeft het moeite gekost weer een nieuwe behandelaar te vinden. Sinds eind juni 2020 is er evenwel een nieuwe behandelaar aan klaagster gekoppeld. En de gevraagde verwijsbrieven zijn ook geleverd aan klaagster.
Ad 2.
Het medisch dossier is niet binnen de daarvoor gestelde termijn verstrekt aan klaagster, maar wel in februari 2021. Door het uitvallen van de oorspronkelijke behandelaar van klaagster heeft het langer geduurd om de stukken van het dossier bij elkaar te krijgen.
Ad 3.
E streeft ernaar bereikbaar te zijn voor mensen. Klaagster heeft met meerdere medewerkers en behandelaars van E contact gehad.
Ad 4.
Door het uitvallen van de oorspronkelijke behandelaar en het destijds niet beschikbaar zijn van een vervanger heeft klaagster inderdaad langer dan wenselijk geen behandeling gehad. Er zijn inmiddels meerdere nieuwe behandelaars aangetrokken, waardoor dit in de toekomst niet meer zal voorkomen.
- DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE
Het college wijst er in algemene zin op dat het er bij het beoordelen van een tuchtklacht niet om gaat of het handelen waarop de klacht betrekking heeft beter had gekund. Het gaat om het beantwoorden van de vraag of de aangeklaagde bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de stand van wetenschap ten tijde van het handelen waarop de klacht betrekking heeft en met wat op dat moment in de betreffende beroepsgroep als norm of standaard werd aanvaard.
5.2 Eerste en vierde klachtonderdeel
Beide klachtonderdelen hebben betrekking op de behandeling van klaagster bij E en kunnen hier gezamenlijk worden behandeld. Beklaagde is in juni 2019, toen het second opinion-gesprek plaatsvond, betrokken geraakt bij de behandeling van klaagster. Hiermee is hij van bestuurder van E ook in de rol van behandelaar gestapt. Als behandelaar behoort hij de continuïteit van zorg te waarborgen voor zijn patiënt. Dit heeft beklaagde niet gedaan ten opzichte van klaagster, waarbij hij zich erop beroept dat er uitval van personeel was en het moeilijk was nieuw personeel aan te trekken. Dit maakt het echter niet toelaatbaar om een patiënt langere tijd zonder behandelaar te laten. Beklaagde had er ook voor kunnen kiezen klaagster te verwijzen naar een andere kliniek, wat voor de hand had gelegen als hij had voorzien dat op korte termijn geen adequate oplossing te verwachten was. Niet gebleken is dat hij dit überhaupt aan haar heeft voorgesteld. Waarom hij dit niet heeft gedaan, is evenmin duidelijk. Het feit dat klaagster onredelijk en onnodig lang zonder behandelaar is geweest en de vertraging die daardoor in haar genderbevestigingstraject is ontstaan, dient beklaagde tuchtrechtelijk te worden verweten. Beide klachtonderdelen zijn dus gegrond.
5.3 Tweede klachtonderdeel
Beklaagde stelt dat klaagster inmiddels wel haar medisch dossier heeft ontvangen, wat klaagster op haar beurt weerspreekt. Vast staat dat de verwijsbrieven wel zijn afgegeven, ook al is dat later gebeurd dan wenselijk. Voor zover dit laatste het gevolg is van het feit klaagster langdurig geen behandelaar heeft gehad, is het verwijt al meegenomen in de beoordeling van het eerste en vierde klachtonderdeel. Wel merkt het college op dat beklaagde in zijn rol van bestuurder invloed had kunnen uitoefenen op de verstrekking. Dat heeft hij niet gedaan. Daarbij komt dat klaagster tegenover beklaagde in een afhankelijkheidsrelatie verkeerde. Zij was immers ook zijn patiënt en het traject dat zij bij E doorliep was gevoelig. Het lag in principe op de weg van beklaagde om verdere informatie te geven indien het dossier uiteindelijk wel bij de opvolgend behandelaar is gekomen. Hij had dit zo nodig ter zitting kunnen toelichten. Door niet te verschijnen heeft hij die mogelijkheid niet verschaft. Het college houdt het er dan ook op dat het dossier niet volledig is overgedragen. Ook dit klachtonderdeel is gegrond.
5.4 Derde klachtonderdeel
De partijen verschillen van mening over de bereikbaarheid van E. Het college kan enkel op basis van het dossier niet vaststellen welke lezing de juiste is. Dat betekent dat dit klachtonderdeel niet gegrond kan worden verklaard.
5.5 Slotsom en op te leggen maatregel
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de klacht gedeeltelijk gegrond is. De vraag die beantwoord dient te worden, is welke maatregel nu passend is. Het college overweegt dat het tekortschieten van beklaagde jegens een kwetsbare patiënt als klaagster ernstig is. Door haar langere tijd zonder behandelaar aan haar lot over te laten, heeft beklaagde bepaald niet gehandeld zoals van een redelijk bekwaam handelend psychotherapeut verwacht mocht worden. Ook heeft hij onvoldoende gezorgd voor een adequate overdracht van het dossier aan een opvolgend behandelaar. Het college acht het handelen van beklaagde op deze punten ook laakbaar. Dit gegeven en het feit dat beklaagde geen zelfreflectie heeft getoond, maken dat aan hem een berisping zal worden opgelegd. Bij dit oordeel heeft het college geen rekening gehouden met het gegeven dat op 31 augustus 2021 (nummer PT2020/01) een andere klacht tegen beklaagde ook gegrond is verklaard, omdat die uitspraak nog niet onherroepelijk was ten tijde van het verweten handelen waarom het in de onderhavige zaak gaat.
- DE BESLISSING
Het college:
- verklaart klachtonderdeel 3 ongegrond;
- verklaart de klachtonderdelen 1, 2 en 4 gegrond;
- legt aan beklaagde een berisping op.
Aldus gegeven door J. Sap, voorzitter, H.C.B. van der Meer, lid-jurist, S.M. Pol en Th.A.M. Deenen en C.H.J.A.M. van de Vijfeijken, leden-beroepsgenoten, in tegenwoordigheid van L.C. Commandeur, secretaris.
voorzitter
secretaris
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
- Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
- Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
- Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg,
maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
te Groningen. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan
u is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege
voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk
in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.