ECLI:NL:TGZRGRO:2018:43 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Groningen G2018/20

ECLI: ECLI:NL:TGZRGRO:2018:43
Datum uitspraak: 10-07-2018
Datum publicatie: 10-07-2018
Zaaknummer(s): G2018/20
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Gegrond, berisping
Inhoudsindicatie:   Klacht tegen huisarts, ingediend door dochter van een overleden patiënte. Klaagster verwijt verweerder dat hij nalatig is geweest in de behandeling, door 1) oedeemvorming onvoldoende te behandelen en 2) bij het oproepen van een ambulance de komst van die ambulance niet af te wachten, terwijl de ambulance twee uur op zich heeft laten wachten. Verweerder stelt adequaat te hebben gehandeld, en dat patiënte reguliere consulten bij de cardioloog die enkele dagen tot twee weken later gepland stonden kon afwachten. Het college is van oordeel dat verdieping van de anamnese geïndiceerd was. Documentatie van anamnese, onderzoek en bevindingen was onzorgvuldig en onvolledig. Afwachtend beleid had uitdrukkelijk met patiënte besproken hebben moeten worden, evenals hoe geacteerd zou moeten worden bij wijzigingen in de tijd tot aan het consult bij de cardioloog, en de cardioloog zou van een en ander op de hoogte gesteld hebben moeten worden. Bij het oproepen van de ambulance heeft verweerder onvoldoende zorg gedragen voor een behoorlijke overdracht van patiënte en zich niet vergewist van de tijdige aankomst van de ambulance. Klachten gegrond; oplegging berisping in verband met een samenlopende gegrond bevonden klacht (onder kenmerk G2018/19).

Rep.nr. G2018/20

10 juli 2018

Def. 113

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

TE GRONINGEN

Beslissing op de klacht van:  

a,

wonende te B,

klaagster,  

tegen

C ,

werkzaam als huisarts te B,

verweerder,

BIG-reg.nr:,

advocaat: V.C.A.A.V. Daniëls. 

1. Verloop van de procedure

Het college heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- het klaagschrift met bijlage van 7 februari 2018, ingekomen op 12 februari 2018;

- de ongedateerde brief met bijlage van klaagster, ingekomen op 19 februari 2018;

- de brief met bijlagen van klaagster van 26 maart 2018, ingekomen op 29 maart 2018;

- het verweerschrift van 11 april 2018, ingekomen op 12 april 2018;

- het medisch dossier;

- het proces-verbaal van het op 19 april 2018 gehouden mondeling vooronderzoek onder leiding van J. Wiersma-Veenhoven, plaatsvervagend secretaris van het college.

De klacht is behandeld ter openbare zitting van 29 mei 2018. Partijen zijn verschenen. Verweerder is verschenen met zijn advocaat.

2. Vaststaande feiten

Voor de beoordeling van de klacht gaat het college uit van de volgende feiten.

2.1

Klaagster is de dochter van D, echtgenote van E, die is geboren op XX-XX-1941 en is overleden op XX-XX-2015 (hierna: patiënte). Verweerder was de huisarts van patiënte vanaf de start van zijn huisartsenpraktijk in B in 2010 tot aan haar opname in het verzorgingstehuis F in 2013. De praktijkgenoot van verweerder is nadien als huisarts opgetreden.

2.2

Verweerder heeft een eerste contact met patiënte gehad in februari 2011. In juni 2011 heeft patiënte zich tot verweerder gewend in verband met pijn in de onderbenen en enkeloedeem. Verweerder heeft daarop zwachtelen van de benen en aanmeten van steunkousen voorgeschreven. Op vervolgafspraken is patiënte niet meer verschenen.

Eind juli 2011 heeft verweerder patiënte weer bezocht na melding van de zoon van patiënte dat zij daags ervoor ernstige benauwdheid had gehad en blauw gezien zou hebben. Omdat patiënte daags erna voor pacemakercontrole naar de cardioloog zou gaan oordeelde verweerder dat dat afgewacht kon worden.

2.3

Op 8 september 2011 bezocht verweerder patiënte opnieuw in verband met pijnlijke benen. Gelet op de uitkomsten van het lichamelijk onderzoek werd vermoed dat er sprake was van vocht achter de longen. De thuiszorgorganisatie kreeg van verweerder de opdracht de benen te zwachtelen. Omdat patiënte twee weken nadien een afspraak bij de cardioloog had, meende verweerder dat dat afgewacht kon worden.

Op 15 september 2011 bezocht verweerder patiënte andermaal in verband met pijn in de benen en benauwdheid. Verweerder constateerde dat de benen geslonken waren ten opzichte van zijn eerdere bezoek en patiënte maakte op verweerder geen benauwde indruk. Gelet op het aanstaande consult bij de cardioloog – vier dagen later – oordeelde verweerder dat dat afgewacht kon worden.

2.4

Na melding bij de Huisartsenpost is patiënte op 24 september 2011 opgenomen via de Spoedeisende Hulp van het ziekenhuis in G. Op 4 oktober 2011 heeft verweerder contact met klaagster gehad, die aangaf dat patiënte langzaam opknapte.

2.5

Op 10 oktober 2011 kreeg patiënte een beroerte (CVA) en is zij behandeld via de Spoedeisende Hulp van het ziekenhuis in G.

2.6

Op 18 december 2012 heeft verweerder patiënte thuis bezocht, in verband met buikklachten en diarree. Verweerder heeft telefonisch zijn assistente verzocht een ambulance op te roepen met A2 indicatie, en patiënte verwezen naar de internist. Hierna is verweerder vertrokken.

3. De klacht

Klaagster heeft aanvankelijk vier klachtonderdelen geuit, maar heeft na het vooronderzoek twee daarvan ingetrokken. De klachtonderdelen die nu nog voor beoordeling aan het college zijn voorgelegd luiden – zakelijk weergegeven – als volgt. Patiënte was vanaf 2010 bekend met hartfalen en had in verband daarmee een pacemaker. Sedert februari 2011 namen de lichamelijke klachten van patiënte toe – benauwdheid, vochtophoping in de benen – die uiteindelijk op 24 september 2011 via de Huisartsenpost en de Spoedeisende Hulp tot opname hebben geleid. Op 10 oktober 2011 is patiënte getroffen door een CVA. Verweerder heeft gedurende lange tijd niet adequaat gehandeld: hij heeft patiënte niet willen bezoeken en geen behandeling ingezet waar dat nodig was, terwijl bleek dat er gedurende lange tijd sprake was van longoedeem. Het tweede klachtonderdeel betreft het inschakelen van een ambulance op 18 december 2012. Verweerder heeft geen zicht gehouden op de komst van de ambulance en daardoor ook niet gehandeld toen de ambulance pas na twee uur kwam.

4. Het verweer

Verweerder heeft de klachten en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop bij de beoordeling van de klacht ingegaan.

5. Beoordeling van de klacht

5.1 Algemeen

Het college wijst er allereerst op dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard. Daarbij stelt het college voorop dat verweerder alleen kan worden aangesproken op zijn eigen handelen en nalaten.

5.2 Eerste klachtonderdeel

Klaagster verwijt verweerder dat hij gedurende lange tijd nalatig is geweest in de zorg voor patiënte. Gedurende zo’n anderhalf jaar heeft patiënte vochtproblemen ondervonden en verweerder heeft uitsluitend benen laten zwachtelen, zonder diuretica voor te schrijven, waardoor gedurende langere tijd ook sprake is geweest van een longoedeem. Over de hoeveelheden vocht die bij ziekenhuisopnames van patiënte zijn onttrokken verschillen partijen van mening.

5.3

Naar het oordeel van het college heeft verweerder in 2011 en 2012 bij het afnemen van de anamnese van patiënte, bij het doen van onderzoek en de verslaglegging van anamnese en onderzoek en bij de behandeling niet gehandeld zoals van een redelijk handelend en redelijk bekwaam huisarts kan worden gevergd.

Uit het medisch dossier blijkt dat patiënte sedert 2010 bekend was met hartfalen en daarvoor een pacemaker had. Wanneer patiënte niet uitdrukkelijk lichamelijke klachten uitte over het vasthouden van vocht – zoals in februari 2011 –, heeft verweerder nagelaten daarover door te vragen of onderzoek naar te doen.

Later heeft patiënte zich herhaaldelijk tot verweerder gewend met klachten over vochtophoping. Zij werd in juni, juli en tweemaal in september 2011 door verweerder gezien. Verweerder heeft bij lichamelijk onderzoek steeds vocht in beide benen geconstateerd. Bij enkele consulten, wanneer uit anamnese of heteroanamnese van de zoon of dochter (klaagster) van patiënte bleek van eerdere benauwdheid, werd ook een onregelmatige hartslag en/of beiderzijds licht crepiteren van de longen geconstateerd. In al deze gevallen volstond verweerder met het laten zwachtelen van de onderbenen en het verder afwachten van reguliere consulten van de cardioloog, die enkele dagen tot twee weken later gepland stonden.

Naar het oordeel van het college kon verweerder niet volstaan met dit – zoals hij het zelf noemt – afwachtend beleid, zonder dit beleid uitdrukkelijk met de patiënte te bespreken en te documenteren, met patiënte te bespreken hoe in afwachting van het consult van de cardioloog zou moeten worden geacteerd, en de behandelend cardioloog over dit alles te informeren. Dit alles heeft verweerder nagelaten. Waar verweerder in het medisch dossier vermeldt (29 september 2011) dat de thuiszorgorganisatie heeft geconstateerd dat de temperatuur van patiënte 39,6˚C bedroeg, is de aantekening "geen koorts" niet zonder meer begrijpelijk.

Dat sprake is geweest van een langdurig longoedeem kan niet worden vastgesteld, maar gelet op het vorenstaande acht het college alles bijeengenomen dit klachtonderdeel voor het overige gegrond.

5.4 Tweede klachtonderdeel

Het tweede klachtonderdeel betreft het consult op 18 december 2012, waarbij verweerder een ambulance heeft opgeroepen maar de komst daarvan niet heeft afgewacht.

Naar het oordeel van het college heeft verweerder te dien aanzien niet gehandeld zoals van een redelijk handelend en redelijk bekwaam huisarts gevergd kan worden. Allereerst heeft verweerder zich bij de beoordeling onvoldoende vergewist van de hemodynamische stabiliteit van patiënte. In het medisch dossier heeft hij nagelaten de bloeddruk en polswaarden te noteren. Dat hij die wel heeft opgenomen, zoals verweerder ter zitting heeft verklaard, kan daarom niet worden vastgesteld.

Verweerder heeft zijn assistente telefonisch verzocht een ambulance op te roepen met 'A2-indicatie', in de verwachting dat de ambulance waarschijnlijk binnen twintig minuten, en in elk geval niet later dan een uur na de oproep zou verschijnen. Verweerder is daarna weggegaan; hij kan zich, zo verklaarde hij ter zitting, niet herinneren een verwijsbrief te hebben achtergelaten.

Verweerder heeft niet aannemelijk kunnen maken dat hij de komst van de ambulance niet heeft kunnen afwachten, terwijl van een behoorlijke overdracht van patiënte – direct of indirect via zijn assistente – op deze wijze geen sprake was. Dat verweerder zich er evenmin van heeft vergewist dat aan zijn oproep binnen de door hem gewenste tijd opvolging werd gegeven, valt hem evenzeer aan te rekenen.

6. Slotsom

6.1

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat verweerder bij het afnemen van de anamnese van patiënte heeft volstaan te acteren op lichamelijke klachten die spontaan geuit werden, zonder daar dieper op in te gaan en door te vragen. In het uitvoeren van lichamelijk onderzoek en de documentatie daarvan is verweerder onzorgvuldig en onvolledig geweest. Bij het oproepen van een ambulance is verweerder tekortgeschoten in een behoorlijke overdracht van patiënte. De daarop gerichte klachten zijn dan ook gegrond.

6.2

Bij het bepalen van de maatregel houdt het college enerzijds rekening met de ernst van de verweten nalatigheid en gedragingen en anderzijds met het feit dat deze van 2011/2012 dateren.

Aan verweerder is bij beslissing van dit college van 30 januari 2018 de maatregel van waarschuwing opgelegd. Het college ziet daarin in dit geval geen reden om dit ten nadele van verweerder te laten gelden, omdat hetgeen daarbij aan hem werd verweten zich heeft voorgedaan na het onderhavige geval.

Het college houdt wel ten nadele van verweerder rekening met de maatregel die verweerder is opgelegd in de zaak G2018/19, die eveneens ter zitting van 29 mei 2018 is behandeld en waarin ook heden uitspraak wordt gedaan.

Het college ziet ook in deze zaak een patroon van onvoldoende diepgaande anamnese, onderzoek en documentatie. Verweerder heeft weliswaar ter zitting aangegeven thans veel meer door te vragen, proactiever te zijn en in zijn praktijk intensiever samen te werken met zijn physician assistant , maar heeft met zijn voorbeeld daarvan het college niet kunnen overtuigen. Alles bijeengenomen acht het college een berisping daarom passend en geboden.

7. Beslissing

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Groningen:

- verklaart de klachtonderdelen een en twee als hiervoor aangegeven gegrond;

- legt verweerder de maatregel van berisping op.

Aldus gegeven door:

G. Tangenberg, voorzitter;

D.M.S. Gribling, lid-jurist;

J. Gietema, lid-beroepsgenoot;

J.M.C. van Dam, lid-beroepsgenoot;

H.J. Kolthof, lid-beroepsgenoot,

bijgestaan door N. Brouwer, secretaris,

en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2018 door J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter, in tegenwoordigheid van H.D. de Groot, secretaris.

De secretaris:                                                                         De voorzitter:                        

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door: a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard; b. degene over wie is geklaagd; c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat. Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Groningen, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.