ECLI:NL:TGZRGRO:2013:YG2586 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Groningen G2012/38

ECLI: ECLI:NL:TGZRGRO:2013:YG2586
Datum uitspraak: 22-01-2013
Datum publicatie: 22-01-2013
Zaaknummer(s): G2012/38
Onderwerp: Onvoldoende informatie
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Klacht tegen een internist/reumatoloog over het ten onrechte verstrekken van het middel Etanercept (Enbrel) en het verstrekken van onjuiste en ovolledige informatie over deelname aan het GLAS-onderzoek. Klacht ongegrond.

Rep.nr. G2012/38

22 januari 2013

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

TE GRONINGEN

Het College heeft het volgende overwogen en beslist over de op 15 mei 2012

binnengekomen klacht van:

A,

wonende te B,

klager,

tegen

C,

wonende te D,

verweerder,

reumatoloog en internist ,

BIG reg. nr: -.

1. Verloop van de procedure

Het College heeft kennisgenomen van

-        het klaagschrift van 14 mei 2012, ingekomen op 15 mei 2012;

-        het verweerschrift van 5 juni 2012, ingekomen op 12 juni 2012;

-        het proces-verbaal van het op 17 september 2012 gehouden mondelinge

       vooronderzoek door mr.drs.W.J. de Boer, lid-jurist van het College;

-        de repliek van 12 oktober 2012, ingekomen op 16 oktober 2012;

-        de dupliek van 20 november 2012, ingekomen op dezelfde datum.

De klacht is behandeld ter terechtzitting van 27 november 2012.

2. Vaststaande feiten

2.1     

In juli 2005 is bij klager de diagnose M. Bechterew gesteld. Hij is sinds 1999 bekend in ziekenhuis E op de afdeling Reumatologie.

2.2

Verweerder zag klager voor het eerst in 2007, nadat hij was doorverwezen door een collega-reumatoloog. Klager ging toen meedoen aan een onderzoek door verweerster, de Ankylosing Spondylitis-studie (GLAS-studie), waarbij wordt gekeken naar de effecten van TNFα-blokkers bij patiënten met de ziekte van Bechterew.

2.3

In datzelfde jaar is de diagnose Multiple Sclerose bij klager gesteld.

3. De klacht

3.1      

Klager brengt naar voren dat verweerder hem ten onrechte het middel Etanercerpt (Enbrel) heeft voorgeschreven. Naar zijn mening voldeed hij niet aan de criteria daarvoor.

3.2

Klager stelt dat de informatie die hem is vertrekt over het GLAS-onderzoek en de deelname daaraan onjuist en onvolledig is geweest. Hij verkeerde in de vooronderstelling dat hij volledig beschermd was tegen risico’s die aan deelname aan dat onderzoek verbonden waren of konden zijn. Voorts maakt hij er bezwaar tegen dat het voorschrijven van Enbrel afhankelijk was gesteld van deelname aan de GLAS-studie.

4. Het verweer

4.1     

Volgens de richtlijn van de Nederlandse Vereniging voor Reumatologie van juli 2004 voor het voorschrijven van Etanercept (ENbrel) geldt dat er sprake moet zijn van de diagnose AS (Bechterew) volgens de Modified New York Criteria. Klager voldeed aan deze voorwaarde.

4.2

De patiënteninformatie die was opgesteld door de hoofdonderzoeker is door de Medisch Ethische Toetsingscommissie Leeuwarden goedgekeurd. Verweerster ging er daarom vanuit en mocht ervan uitgaan dat deze informatie voldeed aan de gestelde eisen. Anders dan klager stelt, was deelname aan het onderzoek geen voorwaarde voor het voorschrijven van het desbetreffende middel.

5. Beoordeling van de klacht

5.1      

Klager stelt ter toelichting op het eerste klachtonderdeel dat hij door verweerder ten onrechte met Etanercept (Enbrel) behandeld is omdat hij niet voldeed aan de criteria hiervoor, te weten de Modified New York criteria for ankylosing spondylitis (1984). Hij beroept zich op het feit dat de afwijkingen gezien aan de sacro-iliacaal (SI) gewrichten op de röntgenfoto’s van het bekken onvoldoende ernstig waren om behandeling met Etanercept te rechtvaardigen. Er zijn aan de stukken verslagen en bekkenfoto’s van verschillende radiologen bijgevoegd van 6/11/92 ( “beeld enigszins suspect voor sacro-ileitis”); 27/5/05 ( “ Re SI-gewricht normaal; Li kan passen bij sacro-ileitis”) ; 17/1/2007 (“ ongewijzigd minimale erosieve afwijkingen rond Li SI-gewricht “); 1/7/2009 (“ geen aanwijzingen voor sacro-ileitis”). Dit contrasteert met de beschrijvingen door de behandelende reumatologen:  20/7/2005: prof. Van Rijswijk: Li beeld passend bij sacro-ileitis, rechts geen overtuigende sacro-ileitis, mogelijk lichte onregelmatigheden in de begrenzing. 20/1/2006: Drs. Hazenberg: verdenking dubbelzijdige sacro-ileitis. 6/3/2007: Dr. C: dubbelzijdige sacro-ileitis graad II, Li iets meer uitgesproken dan Re. 20/08/2009: Dr. C: idem als in 2007.

Voor de diagnose “definite ankylosing spondylitis“ is het radiologisch criterium sacro-ileitis gr. II beiderzijds of 3-4 eenzijdig. Klager stelt dat er nooit een dubbelzijdige ontsteking van de SI-gewrichten is vastgesteld. Verweerder werpt tegen dat de beoordeling van Röntgenfoto’s van de SI-gewrichten lastig is en een grote variabiliteit kent, zowel voor wat betreft de verschillen tussen twee of meer observatoren als binnen dezelfde observator. Er is een sterk subjectief element. Reumatologen kijken bovendien doorgaans anders naar de foto’s dan radiologen, omdat zij de patiënt en diens beperkingen (zoals ontstekingsverschijnselen, problemen met bewegen) goed kennen, terwijl de radioloog het met minder informatie moet doen.  Het College kan zich in dit standpunt vinden. Voorts stond en staat de diagnose ankyloserende spondylitis volstrekt niet ter discussie en kwam klager gezien de ernst van zijn klachten, gemeten met de BASDAI en visual analog score (VAS),  ook naar het oordeel van het College zeker in aanmerking voor behandeling met Etanercept. Zelfs als de afwijkingen op de Röntgenfoto’s niet eenduidig geclassificeerd konden en kunnen  worden als graad II, heeft de reumatoloog terecht klager de “benefit of the doubt” gegeven en behandeling voor zijn klachten gestart met Etanercept. De klacht is daarmee ongegrond.

5.2

Ook het tweede klachtonderdeel is ongegrond. Voor het oordeel dat de aan klager gegeven informatie onjuist of onvolledig is geweest, ziet het College onvoldoende aanknopingspunten. Verweerster heeft haar beleid wat betreft de behandeling van klager in de stukken en ter terechtzitting voldoende overtuigend gemotiveerd en wat klager daartegen heeft ingebracht is onvoldoende. Bij die stand van zaken bestaat er geen aanleiding voor enig tuchtrechtelijk verwijt op dit punt.

Tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerster heeft klager onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de deelname van klager aan het GLAS-onderzoek voorwaarde was voor verstrekking van Enbrel. Indien deze suggestie er niettemin is geweest, wil dit nog niet zeggen dat verweerster daarop kan worden aangesproken. Feiten of omstandigheden die daartoe aanleiding zouden kunnen geven, zijn niet of onvoldoende gesteld of gebleken.

Het bezwaar van klager ten slotte dat hij anders dan hij meende niet verzekerd bleek te zijn tegen bepaalde risico’s laat het College onbesproken omdat, wat daarvan verder zij, onvoldoende aanknopingspunten bestaan dat verweerster daarvan een verwijt kan worden gemaakt, laat staan een tuchtrechtelijk verwijt.

6. Slotsom

De klacht is in beide onderdelen ongegrond en moet worden afgewezen.

7. Beslissing

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Groningen:

verklaart de klacht in de beide onderdelen ongegrond en wijst deze af.

Aldus gewezen door mr.dr. H.L.C. Hermans, voorzitter, mr.dr. L. Groefsema, lid-jurist, dr. C. Halma, dr. R.A. Droog en drs. R. van der Eijk, leden-geneeskundigen, bijgestaan door mevrouw mr. A.A. Verhoeven-Heemskerk, secretaris

en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2013 door mevrouw mr. J.G.W. Lootsma- Oude Nijeweme,voorzitter, in tegenwoordigheid van mevrouw mr. Y.M.C. Bouman, secretaris.

De secretaris:                                                                            De voorzitter: