ECLI:NL:TGZREIN:2022:54 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven H2022/4093

ECLI: ECLI:NL:TGZREIN:2022:54
Datum uitspraak: 03-10-2022
Datum publicatie: 20-10-2022
Zaaknummer(s): H2022/4093
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen: Gegrond, berisping
Inhoudsindicatie: Gz-psycholoog is informant op verzoek van Raad voor de Kinderbescherming bij onderzoek naar zorg- en contactregeling voor minderjarig kind van klager en ex-partner. Klacht (samengevat): onterechte opmerkingen over klager in verklaring na telefonisch horen. Klacht gedeeltelijk gegrond. Heeft zonder objectief onderzoek verklaard en geoordeeld over klager, misbruik van beroepstitel. Berisping.

Uitspraak: 3 oktober 2022

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

TE ’S-HERTOGENBOSCH

Beslissing over de op 25 maart 2022 ontvangen klacht van:

[A]

wonende te [B]

klager

tegen:

[C]

gz-psycholoog

werkzaam te [B]

verweerster

gemachtigde mr. M.M. Kok te Nijmegen

1.         Het verloop van de procedure

Het college heeft kennisgenomen van:

  • het klaagschrift
  • het verweerschrift
  • de brief van klager met bijlagen, ontvangen op 15 augustus 2022

Partijen hebben geen gebruik gemaakt van het aangeboden mondelinge vooronderzoek.

De klacht is ter openbare zitting van 29 augustus 2022 behandeld, gelijktijdig met de zaak tegen verweerster onder nummer H2022/4321, waar klager klaagt over verweerster in haar hoedanigheid van psychotherapeut. Partijen waren aanwezig, verweerster werd bijgestaan door haar gemachtigde.

2. De feiten

2.1       Klager is de ex-partner van een cliënte van verweerster. Klager en zijn ex-partner zijn in een echtscheiding verwikkeld. Daarnaast speelt een voogdijzaak tussen klager en zijn ex-partner over de voogdij van hun minderjarig kind.

2.2       Verweerster is gz-psycholoog. Op enig moment is zij vanwege haar behandelrelatie met de ex-partner van klager, door de Raad voor de Kinderbescherming gevraagd om op te treden als informant in verband met het onderzoek naar de zorg- en contactregeling voor de dochter van klager en zijn ex-partner. Verweerster is op 27 januari 2022 telefonisch gehoord door de raadsonderzoeker, waarna haar verklaring door een derde op papier is gezet. Verweerster heeft vervolgens ingestemd met de weergave in het (concept) rapport. Op 22 februari 2022 heeft de Raad voor de Kinderbescherming het rapport, met daarin de verklaring van verweerster, aan klager en zijn ex-partner (cliënte) verstrekt.

2.3       De verklaring zoals deze namens verweerster is opgesteld, luidt, voor zover thans van belang, als volgt (alle citaten zijn inclusief eventuele taal- en typfouten):

“Bron: (naam verweerster), psychotherapeut, telefonisch gesproken d.d. 27.01.2022

(…)

De indruk van de psychotherapeut, door de verhalen van moeder, is dat vader weinig kan hebben en ook na de geboorde van (naam kind) weinig kon hebben zoals in de nacht wakker worden door gehuil. Vader kon een papadag nauwelijks aan en moeder stond er veelvuldig alleen voor. Vader had weinig draagkracht en kon daardoor weinig aandacht geven aan de baby.

Vader lijkt een hele dwingende man die dominant aanwezig is. Vader kon heel agressief worden en heeft moeder willen stampen toen zij (naam kind) op de arm had. Dit heeft gemaakt dat moeder de scheiding heeft aangevraagd. (…) Na de breuk heeft vader moeder gestalkt en toen hij erachter kwam dat ze met een andere man had afgesproken was hij in alle staten. Vervolgens is vader suïcidaal geworden en heeft hij aan het spoor gestaan. Net daarvoor heeft moeder te horen gekregen dat vader misbruikt is in zijn jeugd (…).

De indruk die de psychotherapeut heeft, is dat vader met een flinke persoonlijkheidsproblematiek kampt maar de psychotherapeut heeft vader nooit gezien dus dit berust op een gevoel mede door de verhalen van moeder. Vader heeft moeder sinds de scheiding veelvuldig bedreigd en moeder het leven zuur gemaakt.(…)”

3. De klacht

Klager verwijt verweerster dat zij:

3. afbreuk doet aan het aanzien van een BIG-geregistreerd gz-psycholoog door een bijdrage als deze te laten inbrengen in een formele rapportage, ingezet bij een rechtbankprocedure, immers:

4. verweerster lijkt te reageren op een vraagstelling van de rapportage hoe zij tegen de vader van het desbetreffende kind aankijkt, terwijl deze vraag haar niet is gesteld. Bovendien kan zij deze vraag niet beantwoorden omdat ze klager nooit heeft ontmoet, gesproken, onderzocht of gediagnosticeerd;

6. verweerster citeert haar cliënte en geeft vervolgens een subjectief oordeel;

9. er is sprake van ‘karaktermoord’ door de opmerkingen dat klager niet zou voldoen aan de geschiktheidseisen voor wat betreft ouderschap;

13. haar opmerkingen heeft gemaakt in haar hoedanigheid van gz-psycholoog;

Klager is voorts van mening dat:

6. dat de opmerking die er op ziet dat hij het nodig vond dat de ex-partner therapie kreeg, ongeloofwaardig is. Ook is ongeloofwaardig dat cliënte binnenkwam als een onzekere vrouw en slachtoffer van haar dominante partner;

7. verweerster heeft getracht mee te werken aan het frustreren van de omgang tussen klager en zijn minderjarig kind zonder enige verificatie van feiten;

9. verweerster zich heeft laten misleiden en haar expertise op een zeer negatieve manier ingezet waardoor de reputatie van klager is geschaad.

4. Het standpunt van verweerster


4.1       Verweerster heeft aangevoerd dat zij van mening is dat de klacht deels gegrond, deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond moet worden verklaard.

4.2       Verweerster heeft aangevoerd dat zij destijds inderdaad is benaderd door een medewerker van de Raad voor de Kinderbescherming. Het verzoek was of zij op grond van haar professie iets zou kunnen verklaren over beide ouders. Het is juist dat zij ook iets heeft gezegd over haar beeld van klager, verweerster heeft echter ook aangegeven dat deze indruk is gebaseerd op de verhalen van haar cliënte. Ook als het gaat om de psychische gesteldheid van klager heeft verweerster aangegeven dat dit beeld is gebaseerd op verhalen van haar cliënte. Verweerster heeft nooit de intentie gehad of de opzet om een diagnose over klager te stellen. Niettemin erkent verweerster dat zij onvoldoende zorgvuldig heeft gehandeld. Ze had de informatie van haar cliënte over klager niet op deze manier mogen beschrijven. Zij had meer nadruk moeten leggen op het feit dat zij de indrukken kreeg door de informatie die zij van haar cliënte kreeg. Beter ware het ook geweest om bij de Raad voor de Kinderbescherming aan te dringen op een nader onderzoek. Overigens is verweerster wel van mening dat haar niet kan worden verweten dat het onderzoeksrapport wellicht niet aan de gestelde eisen voldoet, nu zij niet degene is die het rapport heeft opgesteld. Verweerster wenst nogmaals te benadrukken dat zij naar eer en geweten de vragen van de raadsonderzoeker heeft beantwoord. Zij is te goeder trouw geweest. Verweerster heeft aangegeven dat zij, achteraf bezien, anders had moeten handelen en dat zij zich wellicht wat heeft laten meeslepen.
 

5.         De overwegingen van het college

5.1       Met betrekking tot de formulering van de klachten stelt het college vast dat klager zijn klachtonderdelen heeft gebaseerd op het toetsingskader voor het opstellen van een deskundigenrapport. Vast staat evenwel dat verweerster niet degene is geweest die de rapportage heeft opgesteld zodat dit toetsingskader niet van toepassing is. Nu het voor partijen niettemin duidelijk is wat klager heeft bedoeld te stellen, zal het college bij de beoordeling van  de klachtonderdelen toetsen of verweerster is gebleven binnen de professionele standaarden die gelden voor deskundigenrapportages en het afleggen van verklaringen als medisch professional.

Klachtonderdelen 1, 2, 3 en 5

5.2       Het college ziet redenen de klachtonderdelen 1, 2, 3 en 5 gezamenlijk te behandelen vanwege hun onderlinge samenhang. Vaststaat dat klager geen patiënt was van verweerster en verweerster ook niet op andere gronden haar expertise als gz-psycholoog ten behoeve van klager heeft ingezet. Ook staat vast dat in het rapport wordt opgemerkt dat verweerster is gehoord in haar hoedanigheid van psychotherapeut, waarmee wordt verwezen naar de daaruit voortvloeiende deskundigheid op het terrein van de psychotherapie. Vaststaat ten slotte dat aan een informant die uit hoofde van haar of zijn beroep door de Raad voor de Kinderbescherming wordt gehoord, een zekere status en expertise wordt toegekend door zowel degenen die het rapport opstellen als ook door degenen die het rapport moeten beoordelen en op grond van het rapport een beslissing moeten nemen. Hoewel verweerster nog heeft aangevoerd dat zij enkel antwoord heeft gegeven op vragen van de raadsonderzoeker en ook steeds duidelijk heeft willen maken dat zij enkel een analyse heeft willen geven aan de hand van de verhalen van haar cliënte, is het college van oordeel dat verweerster zich bewust had kunnen en moeten zijn van het feit dat aan haar als psychotherapeut een zekere status en expertise wordt toegekend. Dat betekent dat als verweerster een oordeel geeft over (het gedrag van) klager, dit voor een diagnose kan worden aangenomen en voor waar kan worden beschouwd.

5.3       Verweerster heeft in de verklaring bovendien ook duidelijk gesuggereerd dat sprake was van een hele dwingende man die dominant aanwezig is. Ook aangenomen dat verweerster heeft bedoeld de suggestie van een persoonlijkheidsproblematiek voorzichtig te hebben willen weergeven door het voorbehoud te maken dat zij zich enkel baseerde op de verhalen van haar cliënte, laat onverlet dat het verweerster als professional is geweest die aan die verhalen een oordeel (of zelfs een kennelijke diagnose) heeft gekoppeld bestaande uit de vaststelling dat sprake was van een persoonlijkheidsproblematiek. Verweerster heeft klager, zo is al vastgesteld, nooit onderzocht en dus ook geen onderzoek gedaan naar de vraag of mogelijk sprake is van persoonlijkheidsproblematiek. Kennelijk achtte verweerster het voldoende dat een opmerking van een cliënte voor waar kan worden aangenomen en dat zij daarop een oordeel (of zelfs diagnose) kon baseren. Het college is van oordeel dat het een goed beroepsbeoefenaar niet betaamt om op deze manier haar professionele hoedanigheid in te zetten.

5.4       Het college begrijpt dat verweerster enkel antwoord heeft willen geven op de door de raadsonderzoeker gestelde vragen. Verweerster lijkt echter te miskennen dat ook in het geval er vragen worden gesteld over een ander dan haar cliënte, verweerster een eigen verantwoordelijkheid heeft om te bepalen of zij uit hoofde van haar professionele handelen, ook daadwerkelijk degene is die deze vragen moet of mag beantwoorden. Dat betekent dat verweerster uit hoofde van haar professionele handelen, in het geheel geen mededelingen kan doen over de psychische toestand van klager, of over wat haar cliënte meent dat klager zou hebben gedaan. Ook aangenomen dat verweerster met het beantwoorden van de vragen “te goeder trouw” is geweest, neemt niet weg dat de intentie waarmee de verklaring is afgegeven geen rechtvaardiging vormt voor het onjuiste handelen van verweerster. Door haar handelen heeft verweerster het vertrouwen van haar beroepsgroep geschaad. Zij heeft haar expertise gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze is bedoeld, waardoor feitelijk sprake is van misbruik van haar beroepstitel. Dit klemt temeer nu verweerster tijdens de mondelinge behandeling er niet van heeft getuigd er inzicht in te hebben dat zij in het geheel geen mededelingen over (vermeend) handelen van klager had moeten doen. Verweerster heeft meermalen opgemerkt dat zij het anders had moeten formuleren, maar niet benoemd dat zij de verklaringen over klager niet had mogen doen. Het college acht de klachtonderdelen 1, 2, 3 en 5 gegrond.

Klachtonderdeel 4

5.5       Het college kan niet vaststellen dat met deze verklaring ‘karaktermoord’ zou zijn gepleegd, zodat dit klachtonderdeel ongegrond moet worden verklaard.

Klachtonderdeel 6

5.6       Het college is van oordeel dat dit klachtonderdeel ongegrond moet worden verklaard reeds omdat verweerster wel degelijk iets kan vertellen over de (gemoeds)toestand van haar cliënte, die immers haar patiënte was.

Klachtonderdelen 7 en 8

5.7       Het college is van oordeel dat deze klachtonderdelen ongegrond zijn, nu niet gebleken is van opzet om de omgang van klager met zijn kind te frustreren en omdat verweerster zelf niet heeft aangegeven te zijn misleid en daarvan ook verder niet is gebleken.


De maatregel

5.8       De klacht dient deels gegrond te worden verklaard. Die gegrondverklaring rechtvaardigt de oplegging van een maatregel. Bij het bepalen van de maatregel is rekening gehouden met het volgende.

5.9       Verweerster heeft ter zitting steeds opgemerkt dat zij bij het geven van de verklaring te goeder trouw is geweest en dat zij het mogelijk anders had moeten formuleren. Het baart het college zorgen dat verweerster ook na vragen van het college niet heeft doen blijken van het inzicht dat zij in het geheel geen antwoord had moeten geven op vragen over klager noch een mening, oordeel of diagnose had moeten geven op grond van uitingen gedaan door haar cliënte. Dat zij “te goeder trouw” was bij het beantwoorden van de vragen van de raadsonderzoeker, wil het college wel aannemen maar dat laat onverlet dat verweerster een eigen professionele verantwoordelijkheid heeft als het erom gaat of zij ook daadwerkelijk antwoord moest geven op die vragen. Het had haar, gelet op haar jarenlange ervaring als gz-psycholoog, bekend kunnen en moeten zijn dat zij zich enkel en uitsluitend mocht en kon uitlaten over hetgeen haar cliënte aanging. Het college heeft ernstige twijfels dat verweerster zich hiervan voldoende bewust is. Het college heeft er dan ook onvoldoende vertrouwen in dat zij in de toekomst anders zal handelen. Dit alles zorgt ervoor dat aan verweerster de maatregel van een berisping zal worden opgelegd. 

5.10     Om redenen, aan het algemeen belang ontleend, zal deze beslissing worden gepubliceerd.

6.         De beslissing

Het college:

  • verklaart klachtonderdelen 1, 2, 3 en 5 gegrond;
  • legt verweerster daarvoor de maatregel van berisping op;
  • verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
  • bepaalt dat deze beslissing nadat deze onherroepelijk is geworden in geanonimiseerde vorm in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt.

Aldus beslist door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths – van Meerwijk, voorzitter, C.M.H.M. van Lent, lid-jurist, Ch. Oele, T.A.W. van der Schoot en Th.A.M. Deenen, leden-beroepsgenoten, in aanwezigheid van C.I.M. de Haan, secretaris, en uitgesproken door E.P. van Unen op 3 oktober 2022 in aanwezigheid van de secretaris.