ECLI:NL:TGZREIN:2022:51 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven H2021/3667

ECLI: ECLI:NL:TGZREIN:2022:51
Datum uitspraak: 03-10-2022
Datum publicatie: 20-10-2022
Zaaknummer(s): H2021/3667
Onderwerp: Grensoverschrijdend gedrag
Beslissingen: Gegrond, berisping
Inhoudsindicatie: Gz-psycholoog begint liefdesrelatie met patiënt die zij behandelde in ggz-instelling. Instelling dient een klacht in. Klacht gedeeltelijk gegrond. Gz-psycholoog had liefdesrelatie niet mogen aangaan, heeft leidinggevende niet proactief en te laat geïnformeerd. Niet professioneel gehandeld en beroepsnormen geschonden. Berisping.

Uitspraak: 3 oktober 2022

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

TE ’S-HERTOGENBOSCH

Beslissing op de klacht van:

[A]

gevestigd in [B]

klaagster

in de persoon van [C], lid raad van bestuur

bijgestaan door mr. I.G.M. van Mil, werkzaam in Heerlen

tegen:

[D]

gz-psycholoog

destijds werkzaam in [B]

verweerster

1.         De kern van de zaak en de beslissing

1.1       Verweerster (hierna: de gz-psycholoog) is een liefdesrelatie aangegaan met een patiënt (hierna: de patiënt) die zij op dat moment behandelde in een instelling voor geestelijke gezondheidszorg (hierna: de instelling). Klaagster verwijt de gz-psycholoog dat zij een seksuele relatie is aangegaan met een patiënt, dat zij haar leidinggevende daarover te laat heeft geïnformeerd, dat zij daarmee de beroepsnormen heeft genegeerd en dat zij onprofessioneel en verwijtbaar heeft gehandeld. Ook vindt klaagster dat de gz-psycholoog geen inzicht en lerend vermogen heeft getoond. De gz-psycholoog erkent de verwijten, maar bestrijdt dat zij geen inzicht in haar handelen heeft getoond en zich niet lerend heeft opgesteld.

1.2       Het college komt tot het oordeel dat de klacht gedeeltelijk gegrond is. De

gz-psycholoog had geen liefdesrelatie mogen aangaan met een aan haar zorg toevertrouwde patiënt. Zij heeft haar leidinggevende over het bestaan van deze relatie niet proactief en te laat geïnformeerd. De gz-psycholoog heeft daarmee niet professioneel gehandeld en heeft haar beroepsnormen geschonden. Het college legt aan de gz-psycholoog de maatregel van berisping op en licht dat hierna toe.

2.         De procedure

2.1       Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 1 december 2021
  • het verweerschrift met de bijlage
  • de brief van de gz-psycholoog, ontvangen op 28 februari 2022, waaruit blijkt dat zij vanaf 18 maart 2022 psychotherapeutische behandeling heeft
  • de pleitnotitie van de gemachtigde van klaagster, overhandigd op de zitting. 

2.2       Partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt. De klacht is op de openbare zitting van 29 augustus 2022 behandeld. De

gz-psycholoog was daarbij aanwezig. Klaagster werd vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten mondeling toegelicht.

3.         De feiten

3.1       De gz-psycholoog was 16 jaar werkzaam in de instelling, eerst als basispsycholoog en sinds 2017 als gz-psycholoog. Als gz-psycholoog behandelde zij patiënten met complexe verslavingsproblematiek. Haar specifieke taken waren gericht op traumabehandeling en psychodiagnostisch onderzoek.

3.2       In augustus 2018 startte de patiënt met traumabehandeling bij de gz-psycholoog. De patiënt had een langdurige en complexe posttraumatische stressstoornis. Eind 2019 werd de gz-psycholoog de regiebehandelaar van de patiënt.

3.3       Rond mei 2020 merkte de gz-psycholoog dat de patiënt verliefdheidsgevoelens voor haar had gekregen. De gz-psycholoog heeft dat met de patiënt en een bevriende collega (van buiten haar team) besproken. In de daaropvolgende maanden merkte de gz-psycholoog dat zij zelf ook warme gevoelens voor de patiënt kreeg.

3.4       Op 9 september 2020 heeft de gz-psycholoog haar gevoelens met de patiënt besproken. Twee weken later heeft zij zich ziekgemeld. Zij heeft haar leidinggevende toen de reden van de ziekte niet gemeld. Vanaf dat moment heeft gz-psycholoog geen patiënten meer behandeld. De gz-psycholoog en de patiënt gingen rond die periode een liefdesrelatie aan.

3.5       Op 20 oktober 2020 belde een collega (gz-psycholoog-in-opleiding die door de

gz-psycholoog werd opgeleid) de gz-psycholoog op en vroeg haar of er sprake was van gevoelens van de gz-psycholoog jegens de patiënt. De gz-psycholoog heeft dat toen erkend.

3.6       Op 27 oktober 2020 nam de gz-psycholoog telefonisch contact op met haar leidinggevende in het kader van haar ziekteverzuim. Zij vertelde haar leidinggevende toen over haar liefdesrelatie met de patiënt. Op verzoek van de leidinggevende hebben zij later die dag samen met een manager een gesprek gehad.

3.7       De instelling heeft de gz-psycholoog direct op non-actief gesteld en intern onderzoek verricht. De gz-psycholoog heeft een vaststellingsovereenkomst getekend waarmee haar arbeidsovereenkomst met de instelling per 1 april 2021 werd beëindigd.

3.8       Op 30 oktober 2020 heeft de instelling het ontslag van de gz-psycholoog bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg en Jeugd (hierna: de inspectie) gemeld. Daarop heeft de inspectie onderzoek gedaan. De gz-psycholoog heeft het eindrapport van de inspectie van oktober 2021 overgelegd. De inspectie heeft geconcludeerd dat de gz-psycholoog zich seksueel grensoverschrijdend heeft gedragen jegens de patiënt en dat sprake is van geweld in de zorgrelatie. Op 3 januari 2022 hebben de gz-psycholoog, de geneesheer-directeur en de stafjurist van de instelling (tevens gemachtigde van klaagster) een afsluitend gesprek gehad. Tijdens dit gesprek is de reden van de tuchtklacht besproken en heeft de gz-psycholoog haar visie toegelicht.

3.9       Sinds 18 maart 2022 volgt de gz-psycholoog een behandeltraject bij een klinisch psycholoog en psychotherapeut. De gz-psycholoog werkt nu als gz-psycholoog bij een overheidsinstelling, waarbij zij geen behandelende rol of regierol binnen de individuele (geestelijke) gezondheidszorg vervult.  

4.         De klacht en het verweer

4.1       Klaagster verwijt de gz-psycholoog dat zij:

1. een seksuele relatie is aangegaan met een patiënt die op dat moment aan haar zorg was toevertrouwd en die zich in een kwetsbare en afhankelijke positie bevond;

2. haar leidinggevende te laat heeft geïnformeerd over het bestaan van deze relatie;

4. daarmee de beroepscode van het NIP en gedragscodes van de instelling heeft genegeerd;

7. na het informeren van haar leidinggevende geen inzicht in het eigen handelen en geen lerend vermogen heeft getoond;

11. als zorgverlener, teamlid en opleider onprofessioneel en verwijtbaar gehandeld heeft.

4.2       De gz-psycholoog heeft erkend dat zij een seksuele relatie (zij spreekt liever over een liefdesrelatie) is aangegaan met een patiënt die zij op dat moment behandelde. Van die relatie heeft zij geen spijt, maar wel van de onprofessionele en verwijtbare wijze waarop zij als zorgverlener, teamlid en opleider heeft gehandeld. De gz-psycholoog ziet de onzorgvuldigheid van haar handelen in en had – achteraf gezien – zo niet als professional en als mens willen handelen. Zij heeft toegegeven dat zij haar leidinggevende te laat heeft geïnformeerd over het bestaan van de liefdesrelatie, maar heeft het college gevraagd om bij de beoordeling daarvan rekening te houden met de context. De gz-psycholoog heeft in dat kader uitgelegd dat binnen haar team sprake was van een angstcultuur, dat zij onvoldoende veiligheid voelde om haar gevoelens voor de patiënt te bespreken en dat zij (als enige

gz-psycholoog binnen het team met een vol takenpakket) onder grote druk stond. Op de zitting heeft de gz-psycholoog verklaard dat zij, achteraf gezien, een vertrouwenspersoon had kunnen raadplegen toen zij de cultuur binnen haar team ervoer als te onveilig om haar situatie mee te bespreken.

4.3       De gz-psycholoog betwist dat zij geen zelfinzicht en lerend vermogen heeft getoond. Sinds het melden van de liefdesrelatie heeft zij veel zelfonderzoek gedaan en zij wordt nu behandeld door een psychotherapeut. Ook werkt de gz-psycholoog bij een overheidsinstelling, waarbij zij weinig patiëntencontact heeft. Zij heeft de overheidsinstelling bij de sollicitatieprocedure op de hoogte gesteld van de tuchtklacht. Voor zover nodig wordt op dit verweer hierna (bij de beoordeling van de klachtonderdelen) verder ingegaan. 

5.         Uitleg van de beslissing en de maatregel

Toetsingskader

5.1       Het college toetst of de gz-psycholoog heeft gehandeld zoals van haar mocht worden verwacht. De norm daarvoor is de ‘redelijk handelende en redelijk bekwame’ gz-psycholoog. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de gz-psycholoog op dat moment geldende regels en beroepsnormen. Dat de gz-psycholoog beter anders had kunnen handelen is niet genoeg om een tuchtrechtelijk verwijt vast te stellen. Vastgesteld moet worden of de gz-psycholoog anders had moeten handelen. Het toetsingskader volgt uit artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG).

5.2       Het handelen van de gz-psycholoog moet getoetst worden aan de beroepsnormen van het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP), de beroepsvereniging van psychologen. Van toepassing is de ‘Beroepscode voor psychologen’ uit 2015 (hierna: de beroepscode). Daarnaast zijn toepasselijke beroepsnormen opgenomen in de brochure van de inspectie ‘Het mag niet, het mag nooit: seksueel grensoverschrijdend gedrag in de gezondheidszorg’ uit 2016 en het interne protocol ‘Gedrag en integriteit’ van de instelling. De beroepsnormen die uit de beroepscode, de brochure en het protocol volgen, geven de geldende standaard in de beroepsgroep van gz-psychologen weer. Die standaard is dat een liefdesrelatie tijdens een behandelrelatie nooit is toegestaan. De patiënt is tijdens een zorgrelatie immers afhankelijk van zijn gz-psycholoog. Het maakt daarbij niet uit of de patiënt zelf eerst kenbaar maakt genegenheid te voelen tot de gz-psycholoog of toestemt met het aangaan van de relatie. Een liefdesrelatie wordt omschreven als seksueel grensoverschrijdend gedrag.

Klachtonderdelen 1, 2, 3 en 5

5.3       Omdat de klachtonderdelen 1, 2, 3 en 5 met elkaar samenhangen, worden deze hierna gezamenlijk behandeld. Klaagster verwijt de gz-psycholoog – kort gezegd – dat zij een seksuele relatie is aangegaan met een patiënt en haar leidinggevende daarover te laat heeft geïnformeerd. Volgens klaagster heeft de gz-psycholoog daarmee haar beroepsnormen geschonden en onprofessioneel en verwijtbaar gehandeld.

5.4       Het staat vast dat de gz-psycholoog tijdens een behandeltraject een liefdesrelatie met een patiënt is aangegaan. Dat is in strijd met de beroepsnormen en is tuchtrechtelijk verwijtbaar. Pas toen de gz-psycholoog-in-opleiding haar daar naar vroeg, heeft de

gz-psycholoog haar leidinggevende geïnformeerd. Dat heeft zij overigens pas gedaan één week na het telefoongesprek met de gz-psycholoog-in-opleiding. Naar het oordeel van het college is dat te laat. Van een gz-psycholoog mag worden verwacht dat hij/zij zelf (dus proactief) contact opneemt met zijn/haar leidinggevende of met een andere collega als sprake is van een lastige situatie in het behandeltraject, bijvoorbeeld wanneer duidelijk is dat een patiënt liefdesgevoelens voor de gz-psycholoog heeft (of ontwikkelt). De

gz-psycholoog heeft dat in mei 2020 en daarna (tot eind oktober 2020) niet gedaan. Nu zij de liefdesrelatie pas heeft gemeld toen deze zich al een tijd aan het ontwikkelen was, was de

gz-psycholoog daarmee naar het oordeel van het college te laat. De gz-psycholoog heeft ook niet het juiste voorbeeld gegeven aan de gz-psycholoog-in-opleiding. Dit alles leidt tot de conclusie dat de gz-psycholoog volgens het college als zorgverlener, teamlid en opleider onprofessioneel en verwijtbaar heeft gehandeld. Dat valt haar tuchtrechtelijk aan te rekenen.

5.5       Het college is met klaagster en de gz-psycholoog zelf van oordeel dat de

gz-psycholoog door het aangaan van een liefdesrelatie (klachtonderdeel 1) en het te laat informeren van haar leidinggevende daarover (klachtonderdeel 2) de voor haar geldende beroepsnormen heeft geschonden (klachtonderdeel 3) en als zorgprofessional tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld (klachtonderdeel 5). De gz-psycholoog had anders moeten handelen. Klachtonderdelen 1, 2, 3 en 5 zijn gegrond.

Klachtonderdeel 4

5.6       Klaagster stelt dat de gz-psycholoog geen inzicht in haar handelen en lerend vermogen heeft getoond. 

5.7       Het college heeft niet voldoende aanknopingspunten om te oordelen dat de

gz-psycholoog geen zelfinzicht heeft (getoond) en zich niet lerend heeft opgesteld. Bij deze overweging neemt het college mee dat de gz-psycholoog sinds maart 2022 een psychotherapeutisch traject doorloopt en op dit moment niet meer in de verslavingszorg werkt, maar als gz-psycholoog met beperkt patiëntencontact buiten de individuele (geestelijke) gezondheidszorg. Klachtonderdeel 4 is ongegrond.

De maatregel

5.8       De conclusie van het voorgaande is dat de klacht gedeeltelijk gegrond is. De

gz-psycholoog heeft met haar handelen de voor haar geldende beroepsnormen ernstig geschonden. Dit rechtvaardigt het opleggen van een zware maatregel.

5.9       Enerzijds vindt het college het bij dit oordeel belangrijk dat de gz-psycholoog uiterst onprofessioneel heeft gehandeld door een liefdesrelatie aan te gaan met een patiënt. Zij had zich, als professional werkzaam in de complexe verslavings- en traumazorg, moeten realiseren dat deze relatie mogelijk ernstige schadelijke gevolgen zou kunnen hebben voor haar patiënt en dat zij haar rol als opleider veronachtzaamde. De gz-psycholoog heeft haar leidinggevende weliswaar op de hoogte gesteld van de liefdesrelatie, maar zij heeft niet direct op haar werk openheid gegeven over de gevoelens van haar patiënt richting haar en de daarna ontstane liefdesrelatie. Dat sprake was van een angstcultuur, heeft de instelling op de zitting gemotiveerd weersproken. Het college neemt deze context daarom niet mee bij de afweging rond de op te leggen maatregel.

5.10     Anderzijds vindt het college het relevant dat de gz-psycholoog zich bij het aangaan van de liefdesrelatie bewust was van het feit dat zij handelde in strijd met de voor haar geldende beroepsnormen. Desondanks heeft zij zich toch door haar eigen verliefdheidsgevoelens laten leiden. Het college weegt verder mee dat de gz-psycholoog nu onder psychotherapeutische behandeling staat, op de zitting heeft getoond dat zij deze behandeling serieus neemt en verteld niet langer in de geestelijke gezondheidszorg als regiebehandelaar werkzaam wil zijn.

5.11     Hoewel het aangaan van een liefdesrelatie met een patiënt (en het bovendien te laat informeren van haar leidinggevende daarover) eigenlijk de zwaardere maatregel van een (voorwaardelijke) schorsing rechtvaardigt, legt het college - alle omstandigheden in aanmerking genomen - aan de gz-psycholoog een berisping op.

5.12     Het college acht de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid van dit handelen onder

gz-psychologen algemeen bekend en ziet daarom geen aanleiding om deze beslissing, nadat deze onherroepelijk is geworden, in geanonimiseerde vorm in de Nederlandse Staatscourant bekend te maken of voor publicatie aan een vaktijdschrift aan te bieden.

6.         De beslissing

Het college:

  • verklaart klachtonderdelen 1, 2, 3 en 5 gegrond;
  • legt de maatregel van berisping op;
  • verklaart de klacht voor het overige ongegrond.

Aldus beslist door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk, voorzitter,

C.M.H.M. van Lent, lid-jurist, Ch. Oele, T.A.W. van der Schoot en Th.A.M. Deenen,

leden-beroepsgenoten, in aanwezigheid van C.I.M. de Haan, secretaris, en uitgesproken door

E.P. van Unen op 3 oktober 2022 in aanwezigheid van de secretaris.