ECLI:NL:TGZREIN:2022:13 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven E2021/3242

ECLI: ECLI:NL:TGZREIN:2022:13
Datum uitspraak: 14-04-2022
Datum publicatie: 14-04-2022
Zaaknummer(s): E2021/3242
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Klacht tegen huisarts over het niet uitschrijven van een (extra) recept voor methadon ongegrond. Afwijken van het schema van methadonverstrekking zou niet verantwoord zijn geweest, omdat patiënte (die behalve drugsverslaafd ook gediagnosticeerd was met uitgezaaide kanker) in Spanje verbleef, verweerder niet over de behandeling en medicatieverstrekking in Spanje was geïnformeerd en ook patiënte zelf niet aan de telefoon kreeg.

Uitspraak: 14 april 2022

HET REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR

DE GEZONDHEIDSZORG EINDHOVEN

heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de op 13 juli 2021 ingekomen klacht van:

[A]

wonende te [B]

klager

tegen:

[C]

huisarts

werkzaam te [D]

verweerder

gemachtigde mr. R.J. Peet te Utrecht

1.         Het verloop van de procedure

Het college heeft kennisgenomen van:

  • het klaagschrift met bijlagen, mede ondertekend door [E], [F], [G] en [H]
  • de brief van 3 augustus 2021 van de secretaris aan klager
  • de brief van klager ontvangen op 19 augustus 2021
  • het verweerschrift
  • de brief van 26 oktober 2021 van de secretaris aan de gemachtigde van verweerder
  • de brief van de gemachtigde van verweerder ontvangen op 5 november 2021
  • de brief van de gemachtigde van verweerder ontvangen op 22 februari 2022
  • de brief van klager, overhandigd en voorgelezen ter zitting door [E].

Partijen hebben geen gebruik gemaakt van het aangeboden mondelinge vooronderzoek.

De klacht is ter openbare zitting van 25 februari 2022 behandeld. Aanwezig waren [E] en [F] namens klager, en verweerder, bijgestaan door zijn gemachtigde en vergezeld van zijn assistente [G].

2. De feiten

2.1 De klacht heeft betrekking op de geneeskundige behandeling door verweerder van [H] (hierna: patiënte), geboren in 1969 en overleden in april 2021. Klager is de vriend van patiënte, [E] en [F] zijn zusters van patiënte.
 

2.2 Verweerder is huisarts. Patiënte was gedurende ruim 20 jaar ingeschreven als patiënte bij de praktijk van verweerder.

2.3 Patiënte was harddrugs verslaafde en gebruikte sinds 25 jaar dagelijks methadon (80 milligram).

2.4 In 2017 is patiënte gediagnosticeerd met baarmoederhalskanker met uitzaaiingen in de lever, lymfeklieren, longen en hersenen. Hiervoor werd zij behandeld met radio- en chemotherapie.

2.5 In juni 2020 zou patiënte voor een periode van 6 tot 7 weken naar klager in [I] gaan. Om haar behandeling voor haar verslaving met methadon te kunnen continueren is een Schengenverklaring opgesteld (door een collega-huisarts uit de praktijk van verweerder ondertekend). Achteraf heeft patiënte met tussenpozen gedurende acht maanden in [I] bij klager verbleven. Verweerder heeft in die tijd circa zeven keer de volgens (maand)schema voor patiënte benodigde recepten methadon uitgeschreven en naar de apotheek gestuurd met bericht aan haar huisadres in [D]. De methadon werd naar patiënte doorgeleid via haar apotheek en vervolgens per post via een vriend.

2.6 In verband met de coronapandemie werd eind 2020 de oncologische behandeling in Nederland uitgesteld. In overleg met haar behandelaars in Nederland heeft patiënte deze behandeling toen in een ziekenhuis in [I] gekregen.

2.7 Op 30 maart 2021 (volgens klager) of 25 februari 2021 (volgens verweerder) heeft patiënte verweerder telefonisch verzocht om, eerder dan volgens het maandschema, een recept voor methadon uit te schrijven. Verweerder heeft dit geweigerd.

2.8 Op 12 april 2021 heeft patiënte (volgens klager) of klager (volgens verweerder) telefonisch contact gezocht met verweerder om nogmaals te verzoeken om een recept. Zijn assistente deelde haar/hem mede dat zij verweerder daar tussen 12:00 en 13:00 uur naar zou vragen. Daarna heeft patiënte een eind aan haar leven gemaakt. Om 12:53 uur stuurde de assistente patiënte een e-mail dat zij met verweerder had overlegd, en dat hij geen recept kon uitschrijven.

3. De klacht

Klager verwijt verweerder het volgende.

Op 30 maart 2021 heeft verweerder ten onrechte niet voldaan aan het verzoek van patiënte om een recept voor methadon te verstrekken. Dit was eerder dan volgens schema. Het hogere dan normale gebruik van methadon kwam doordat patiënte het mede gebruikte als pijnstiller tegen de bijwerkingen van haar chemokuur. Patiënte heeft dit aan verweerder uitgelegd. Verweerder heeft zijn medewerking geweigerd. Daarmee heeft hij zeer belangrijke zorg niet verleend en is hij ernstig nalatig geweest.

Op 12 april 2021 heeft verweerder ten onrechte opnieuw niet geluisterd naar de, inmiddels zeer acute, nood van patiënte. Hij heeft door zijn uitstel (tot na 12:00 uur) en de inhoud van de mail (van 12:53 uur) geen verantwoorde dringende zorg verleend/toegezegd. Hij heeft een zeer foute inschatting gemaakt, met fatale gevolgen. 

4. Het standpunt van verweerder

4.1       Verweerder heeft patiënte direct al in het begin medegedeeld dat de logistiek van medicatieverstrekking naar het buitenland moeilijkheden geeft en er verzekeringsproblemen te verwachten zijn bij een verblijf in het buitenland langer dan een gebruikelijke zomervakantie. Hij was en is geen voorstander van het opsturen van de methadon naar het buitenland. Het vertrek naar [I] is door patiënte zelf gewenst en georganiseerd, aanvankelijk slechts voor een periode van drie weken. Bij haar vertrek heeft verweerder haar geadviseerd om een lokale arts te benaderen. Dit heeft patiënte ook gedaan.

4.2       Toen patiënte op 25 februari 2021 (en niet op 30 maart 2021) telefonisch heeft verzocht haar medicatie voor vier dagen voor te schrijven, is in overleg met de apotheek en het palliatieve team van het Universitair Medisch Centrum (UMC) besloten daar geen gevolg aan te geven. Aan patiënte is medegedeeld dat de lokale arts zelf morfinebeleid moest opstarten als alternatief in overleg met de verslavingsarts.

4.3       Het recept voor symron waar klager (en niet patiënte zelf) op maandag 12 april 2021 om heeft verzocht, moet via de eigen arts in [I] geregeld worden. Dat de lokale arts niet bereikbaar is en een taalbarrière voor klager een belemmering vormt om een andere arts te raadplegen, kan verweerder niet worden verweten.

5. De overwegingen van het college

5.1 De vraag die het college in deze zaak moet beantwoorden is of verweerder heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend huisarts verwacht mag worden. Het college gaat hierbij uit van de op dat moment geldende beroepsnormen. Het gaat er niet om of verweerder misschien beter anders had kunnen handelen.

5.2       Het college is van oordeel dat verweerders beslissing om op 30 maart 2021 (of 25 februari 2021) niet te voldoen aan het verzoek van patiënte om een recept voor methadon uit te schrijven, niet in strijd was met de in 5.1. genoemde norm. Verweerder heeft in het kader van verslavingszorg gedurende ruim 20 jaar methadon aan patiënte verstrekt. Hoewel hij daar niet achter stond, heeft verweerder verslavingsbehandeling van patiënte in [I] mede mogelijk gemaakt door, volgens maandschema, voor haar recepten voor methadon te blijven uitschrijven. Dat is ongeveer zeven maanden goed gegaan. Toen patiënte op enig moment, mogelijk als uitvloeisel van haar oncologisch lijden en behandeling, om een extra dosis vroeg, heeft verweerder dat terecht geweigerd. Zoals hij tijdens de mondelinge behandeling heeft betoogd, was hij niet geïnformeerd over de behandelingen in [I], wist hij niet van wie zij in [I] haar chemo en andere medicatie kreeg en lukte het hem ook niet patiënte zelf aan de telefoon te krijgen, terwijl hem wel te verstaan werd gegeven dat zij veel pijn leed en wanhopig was. Onder die omstandigheden op afstand afwijken van het schema van methadonverstrekking zou niet verantwoord zijn geweest. Daarbij is van belang dat methadon standaard wordt en aan patiënte werd voorgeschreven als minder schadelijk substituut van heroïne, niet als pijnstiller. Van nalatigheid is derhalve geen sprake. Verweerder heeft juist verantwoord en zorgvuldig gehandeld door naar aanleiding van het verzoek om een extra dosis methadon in overleg te gaan met de apotheek en het palliatieve team van het UMC en vervolgens patiënte te adviseren om haar lokale arts te benaderen voor het opstarten van morfinebeleid. Morfine wordt wél voorgeschreven als pijnstiller. Ook de weigering op 12 april 2021 om een recept voor symron te verstrekken en de verwijzing voor palliatieve zorg naar de eigen arts in [I] of het ziekenhuis aldaar, getuigt, gezien het voorgaande, van verantwoorde zorg.


5.3       De conclusie is dat de klacht ongegrond is.

6.         De beslissing

Het college:

  •  verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist door E.P. van Unen, voorzitter, C.M.H.M van Lent, lid-jurist, H.J. Weltevrede, B.C.A.M. van Casteren-van Gils en P.A. Hustinx, leden-beroepsgenoten, in aanwezigheid van N.A.M. Sinjorgo, secretaris, en uitgesproken door E.P. van Unen op 14 april 2022 in aanwezigheid van de secretaris.