ECLI:NL:TGZREIN:2022:1 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven E2021/2603
| ECLI: | ECLI:NL:TGZREIN:2022:1 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 06-01-2022 |
| Datum publicatie: | 06-01-2022 |
| Zaaknummer(s): | E2021/2603 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen chirurg in alle onderdelen ongegrond. Beslissing om een laparoscopische cholecystectomie uit te voeren in plaats van een laparotomie met uitgebreide buikwandchirurgie gerechtvaardigd en in overleg met patiënte (de moeder van klager) genomen. Geen aanwijzingen dat een galsteen uit de galblaas is achtergebleven. Klachten over repositie van buikwandbreuk in een later stadium evenmin gegrond, mede omdat het enige alternatief (een open buikoperatie) voor patiënte niet verantwoord was. |
Uitspraak: 6 januari 2022
HET REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE EINDHOVEN
heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de op 12 april 2021 ingekomen klacht van:
[A]
wonende te [B]
klager
tegen:
[C]
chirurg
destijds werkzaam te [B]
verweerder
gemachtigde mr. M.J. de Groot te Hilversum
1. Het verloop van de procedure
Het college heeft kennisgenomen van:
- het klaagschrift met bijlagen;
- het verweerschrift met bijlage;
- de cd-rom C. 1 (2) ontvangen van klager;
- de cd-rom C. 2 (2) ontvangen van klager;
- de brief van de gemachtigde van verweerder aan het college van 15 november 2021 met bijlage.
De klacht is ter openbare zitting van 25 november 2021 behandeld. Partijen waren aanwezig, verweerder bijgestaan door zijn gemachtigde.
2. De feiten
Het gaat in deze zaak om het volgende.
2.1 Bij de moeder van klager (hierna: patiënte), geboren in 1941, is op 8 mei 2019 door een chirurg, werkzaam in hetzelfde ziekenhuis (hierna: het ziekenhuis) als indertijd verweerder, de diagnose gesteld van een navelbreuk en een breuk in de buikwand naast de stoma.
2.2 Op 13 mei 2020 kwam patiënte, zo blijkt uit haar medisch dossier, na een spoedverwijzing door haar huisarts op de polikliniek van het ziekenhuis. Zij werd daar gezien door weer een andere chirurg. Deze heeft overleg gevoerd met verweerder. Afgesproken werd dat verweerder met de in rechtsoverweging 2.1 bedoelde chirurg zou gaan overleggen over de mogelijkheid van herstel bij patiënte van een hernia cicatricalis met gebruikmaking van een mesh, met simultaan een open cholecystectomie.
2.3 Op 1 juni 2020 werd patiënte in het ziekenhuis opgenomen met buikpijnklachten vanwege een (biliaire) pancreatitis.
2.4 In het medisch dossier van patiënte staat bij de datum van 3 juni 2020 genoteerd (alle citaten zijn inclusief type- en spelfouten):
“(…)
Herstellende van biliaire pancreatitis.
.
2.5
2.6
2.7
“Pre-operatief uitgebreid overleg gehad met collega’s [volgen twee namen]. Besloten tot lap cholecystectomie met eventueel sluiten van buikwandbreuk in verband met voorgeschiedenis en verminderde stollingsstatus, waarbij grote open chirurgie nu een te grote ingreep zou betekenen,
.
De galblaas wordt verwijderd;
- (…)
- in endobag
.
2.8
.
Samenvatting OK Verslag
Laparotomie na eerdere lap chol (+2) wegens nabloeding en dunne darm letsel
.
2.9
1.
Patiente gesproken op de afdeling op mijn eerste werkdag na re-operatie.
Uiteraard buitengewoon vervelend voor patiente dat er complicaties zijn opgetreden en dat er een re-operatie plaats heft moeten vinden. Oorzaak van de bloeding kan liggen in herstart van antistolling (maar een - het college neemt aan dat is bedoeld: geen - harde indicatie) en het darmletsel is iatrogeen, m.i. meest waarschijnlijk veroorzaakt tijdens introductie, ws een serosaletsel dat later geperforeerd is. (…)”.
2.1
.
- Geringe toename van de galwegen verwijding zowel intra- als extrahepatisch met mogelijk debris/galsteen in de distale ductus choledochus.
2.11
“CT-abd: status na Gastric bypass, geringe toename galwegen (intra- en extrahepatisch) met mogelijk debris danwel galsteen distale choledochus. (…)”.
2.12
.
- PTCD is succesvol geplaatst in duodenum, loopt goed af
- (…), steen in choledochus was duidelijk zichtbaar
.
2.13
2.14
.
- Geincarcereerde parastomale hernia met gedilateerde darmlissen tot 6cm.
(…)
- Status na plaatsen PTCD met aerobilie. Persisterend concrement in de distale choledochus.
.
Bovenstaande werd om 14.10 uur telefonisch besproken met [volgt naam arts], semi-arts chirurgie.
.
2.15
2.16
.
- Nog te bespreken met pt: bilioom aanprikken en reponeren parastomale hernia.
.
Bij de datum van 17 juni 2020 heeft de dienstdoende assistent in het medisch dossier van patiënte voorts genoteerd:
.
Malaise, suf, buikpijn, hypotensie WD sedatie effect DD beginnende sepsis bij biloom DD na reponeren beklemde hernia darmischemie in theorie mogelijk, nu niet verdacht
.
[volgt naam chirurg] akkoord (…)”.
2.17
3. De klacht
Klager verwijt verweerder:
- Het op het laatste moment afwijken van de door zijn collega-chirurg geplande
behandelwijze, waarbij de beslissing hiertoe onnodig lang is uitgesteld. De stollingssituatie, die als belangrijkste overweging hiervoor is aangevoerd, was al vanaf het begin bekend. - Het niet geven van een realistische mogelijkheid voor een nieuw informed consent en het niet mogelijk maken van ruggespraak met de familie waardoor de beslissingsvrijheid van patiënte onnodig is beperkt.
- Het niet inlichten van de familie over de wijziging van de operatie.
- Het achterlaten van een galsteen buiten de galblaas bij de operatie op 4 juni 2020.
- Het pas vijf uur na de scan reponeren van de beknelde darm, zonder voorbereiding/uitleg en pijnmedicatie.
- Het niet willen luisteren naar patiënte en de verpleegkundige die beiden meermaals hebben gevraagd daarmee te stoppen in verband met de pijn.
- Het reponeren van de darm van buitenaf, wetende dat de dunne darm al eerder tijdens een operatie op 6 juni 2020 geperforeerd bleek te zijn en dus heel kwetsbaar was.
- Het niet zorgen voor een adequate overdracht aan de dienstdoende arts van de avonddienst. Als er wel een adequate overdracht had plaatsgevonden, waren de collega’s in de dienst mogelijk anders bedacht/getriggerd geweest op een mogelijke perforatie als oorzaak van de pijn en was er een andere behandeling gestart.
Klachtonderdeel 9 is ter zitting door klager ingetrokken.
4. Het standpunt van verweerder
Verweerder heeft, kort en zakelijk weergegeven, ten aanzien van de verschillende klachtonderdelen het volgende naar voren gebracht:
4.1 Ad 1, 2 en 3:
Verweerder vernam pas kort voor de operatie, die gepland werd op het spoedprogramma,
de stollingsstatus van patiënte. Daarop heeft hij direct overleg gevoerd met zijn
collega-chirurgen. Er was geen eerder moment waarop verweerder de (gezamenlijke) beslissing
had kunnen nemen, om een laparoscopische cholecystectomie uit te voeren in plaats
van een laparotomie met uitgebreide buikwandchirurgie. Deze beslissing is niet onnodig
uitgesteld. Verweerder was tot dan toe niet betrokken geweest bij de opname van patiënte.
Vanwege de biliaire pancreatitis, die patiënte had doorgemaakt, was uitstel van de
operatie niet wenselijk. Bovendien was de laparoscopische ingreep voor patiënte minder
zwaar dan de geplande laparotomie. Na uitleg heeft patiënte daarmee ook ingestemd.
4.2 Ad 4:
Na de laparoscopische cholecystectomie op 4 juni 2020 is bij patiënte een galsteen
distaal in de ductus choledochus vastgesteld. De interventieradioloog heeft bij haar
daarom een PTC-drain geplaatst. De galsteen was circa 1 cm groot en moet al ten tijde
van de operatie verder distaal in de galwegen hebben gezeten. Verweerder betwijfelt
sterk dat hij bij patiënte op 4 juni 2020 een galsteen heeft achtergelaten, zoals
klager stelt. Verweerder en zijn collega-chirurg hebben tijdens de operatie in elk
geval geen steen buiten de galblaas gezien.
4.3 Ad 5 en 6:
Verweerder heeft op 17 juni 2020 pas na 14:10 uur de uitslag van de CT-scan, die eerder
die dag bij patiënte was gemaakt, te horen gekregen. Hij heeft het reponeren niet
opzettelijk uitgesteld. Verweerder heeft met patiënte toen geen pijnstilling afgesproken,
omdat zij bij een eerdere repositie geen pijnstilling nodig had gehad. Op het moment
dat verweerder het idee had dat patiënte meer pijn had dan redelijkerwijze was te
verwachten, heeft hij de druk met zijn handen verlaagd en de poging voortgezet op
het moment dat patiënte minder pijn aangaf. De poging tot reponeren heeft één tot
maximaal twee minuten geduurd. Verweerder herinnert zich niet dat een verpleegkundige
hem heeft gevraagd om te stoppen met reponeren.
4.4 Ad 7:
De kwetsbaarheid van de darm was verweerder niet bekend. Deze is niet beschreven in
het operatieverslag van de op 6 juni 2020 door een andere chirurg uitgevoerde laparotomie
en was verweerder ook niet opgevallen tijdens de cholecystectomie van 4 juni 2020.
Verweerder ging en gaat ervan uit dat de perforatie die is opgetreden, iatrogeen van
aard was en dus waarschijnlijk was ontstaan tijdens de operatie op 4 juni 2020 en
niet als gevolg van een kwetsbaar darmpakket.
4.5 Ad 8:
Verweerder heeft op 17 juni 2020 niet in het medisch dossier van patiënte genoteerd
dat hij bij haar die dag een repositie had verricht. Wèl heeft verweerder de casus
van patiënte en de CT-scan van eerder die dag in de chirurgische middagoverdracht
van 17 juni 2020 besproken. In dat kader heeft verweerder ook aangegeven dat hij de
breuk had gereponeerd. Verweerder gaat ervan uit dat de dienstdoende assistent toen
aanwezig was. Uit het medisch dossier van patiënte blijkt in elk geval dat laatstgenoemde
arts bij zijn beoordeling van patiënte heeft meegenomen dat kort daarvoor bij haar
de breuk was gereponeerd. Ook blijkt uit het medisch dossier van patiënte dat deze
arts heeft overlegd met de dienstdoende chirurg. De dienstdoende arts moet dus van
de repositie op de hoogte zijn geweest. Gelet op dit alles is het volgens verweerder
niet aannemelijk dat patiënte, in het geval verweerder het reponeren op 17 juni 2020
wèl in haar medisch dossier zou hebben vermeld, anders zou zijn behandeld dan nu is
gebeurd.
5. De overwegingen van het college
Algemeen
5.1 De vraag die het college moet beantwoorden is of verweerder de zorg heeft
verleend die van hem mocht worden verwacht. De norm daarvoor is de redelijk bekwame
en redelijk handelende chirurg. Het college houdt bij de beoordeling rekening met
de wetenschappelijke inzichten op het moment van de zorgverlening. Ook gaat het college
uit van de op dat moment geldende beroepsnormen. Het gaat er niet om of de chirurg,
achteraf beschouwd, misschien beter of anders had kunnen handelen, maar of hij bij
de toen bekende stand van zaken redelijkerwijs heeft kunnen handelen zoals hij heeft
gedaan.
5.2. Het gaat daarbij om de persoonlijke verwijtbaarheid van de chirurg bij de
behandeling van patiënte. Verweerder kan geen verwijt worden gemaakt van (medisch)
handelen of nalaten door anderen.
5.3. Het college zal de klachtonderdelen met inachtneming van deze uitgangspunten
beoordelen, waarbij enkele onderdelen zich voor een gezamenlijke behandeling lenen.
Klachtonderdelen 1, 2 en 3
5.4 Verweerder is op 4 juni 2020 afgeweken van het aanvankelijke plan om bij
patiënte een laparotomie te verrichten. In plaats daarvan heeft verweerder, na overleg
met twee collega-chirurgen, besloten tot een laparoscopische ingreep. Verweerder is
op goede gronden tot dit besluit gekomen, omdat de therapeutische antistolling die
patiënte gebruikte, naar vaststaat, minder dan 24 uur daarvoor was gestopt. Patiënte
was aangemeld voor het spoedprogramma, waarop verweerder die dag als operateur stond
ingepland. Het kan verweerder, nu het een spoedprogramma betrof, niet worden aangerekend
dat hij eerst kort vóór de ingreep ervan op de hoogte raakte dat deze antistolling
minder dan 24 uur vóór de beoogde ingreep was beëindigd. Uitstel van de ingreep tot
een later tijdstip zou niet in het belang van patiënte zijn geweest, nu zij op 1 juni
2020 in het ziekenhuis was opgenomen vanwege een biliaire pancreatitis. In die zin
was de situatie van patiënte anders dan omstreeks 13 mei 2020, toen werd gedacht aan
een open cholecystectomie. Verweerder heeft het besluit om patiënte laparoscopisch
te opereren ook met haar besproken en zij was akkoord. Uit niets blijkt dat patiënte
op dat moment niet volledig vrij haar wil heeft kunnen bepalen. Feiten of omstandigheden
die in die richting wijzen, zijn niet gesteld, noch is daarvan gebleken. Bovendien
geldt dat de aard van de ingreep als zodanig door de keuze voor een laparoscopie niet
werd gewijzigd. Enkel de toegepaste techniek werd een andere en naar het oordeel van
het college was dat gezien de gewijzigde omstandigheden terecht.
Naar het oordeel van het college heeft patiënte haar informed consent gegeven. Om
die reden behoefde verweerder vóórafgaand aan de ingreep niet ook nog de familie van
patiënte te benaderen. Overigens staat vast dat verweerder na afloop alsnog de familie
heeft gesproken.
De klachtonderdelen zijn ongegrond.
Klachtonderdeel 4
5.5 Uit het verslag dat van de operatie op 4 juni 2020 is gemaakt en de mededelingen
van verweerder ter zitting blijkt dat de galblaas in een endobag is verwijderd. Ter
zitting is voorts geverifieerd dat er bij de operatie geen perforatie van de galblaas
is opgetreden. Dit maakt dat het zeer onwaarschijnlijk is dat tijdens de operatie
op 4 juni 2020 een galsteen uit de galblaas in de buik van patiënte is achtergebleven.
Het college acht het aannemelijker dat er voorafgaand aan de operatie reeds een galsteen
in de distale choledochus aanwezig was. Het college verwijst daartoe naar de in de
rechtsoverwegingen 2.10 tot en met 2.12 en 2.14 vastgestelde feiten. Van een aan verweerder
te maken tuchtrechtelijk verwijt is geen sprake.
Het klachtonderdeel is ongegrond.
Klachtonderdelen 5 en 6
5.6 Het college gaat ervan uit dat verweerder op 17 juni 2020 kort na 14:10
uur op de hoogte is gesteld van de uitslag van de CT-scan van de buik van patiënte.
Uit het van die CT-scan opgemaakte radiologisch rapport blijkt namelijk dat de conclusie
ervan op voornoemde datum om 14:10 uur met een semi-arts chirurgie telefonisch is
besproken. Verweerder heeft ter zitting verklaard de CT-scan voor de repositie zelf
te hebben bekeken. Uit het radiologisch rapport blijkt voorts dat er bij patiënte
sprake was van een parastomale hernia. Verweerder heeft onbestreden aangevoerd dat
hij omstreeks 16:00 uur die dag een repositie bij patiënte heeft uitgevoerd. In de
gegeven omstandigheden heeft verweerder daarmee adequaat medisch gehandeld. Daarbij
weegt het college mee dat de breuk bij patiënte er al langer zat en in de nacht van
13 op 14 juni 2020 zonder problemen was gereponeerd. In die zin was verdere voorbereiding
van patiënte dan wel uitleg aan haar ook niet direct geboden. Voorts ontbreken aanwijzingen
dat onmiddellijk medisch handelen met betrekking tot de repositie was vereist. Naar
het oordeel van het college is het ook verdedigbaar dat verweerder niet op voorhand
aan patiënte pijnmedicatie heeft aangeboden, nu de eerdere repositie bij patiënte
door hem zonder pijnstilling succesvol en zonder veel moeite was uitgevoerd. Onduidelijk
is gebleven of een verpleegkundige verweerder heeft verzocht om te stoppen met reponeren.
Verweerder heeft in elk geval aangegeven zich dat niet te kunnen herinneren. Verweerder
heeft voorts aangegeven dat hij, toen hij bemerkte dat patiënte meer pijn ervoer dan
redelijkerwijze was te verwachten, de druk met zijn handen heeft verlaagd en de poging
tot reponeren heeft voortgezet toen patiënte minder pijn aangaf. De hele poging tot
repositie heeft kort geduurd. Het college heeft niet kunnen vaststellen dat verweerder
ten onrechte niet naar patiënte en/of de verpleegkundige heeft geluisterd.
De klachtonderdelen zijn ongegrond.
Klachtonderdeel 7
5.7 Op 6 juni 2020 is door middel van een laparotomie bij patiënte het letsel
aan de dunne darm hersteld. Met dat letsel, dat ruim tien dagen eerder was hersteld,
behoefde verweerder op 17 juni 2020 geen rekening meer te houden. Verweerder heeft
die middag de uitslag van de CT-scan beoordeeld. Hij heeft vastgesteld dat er blijkens
de CT-scan bij patiënte sprake was van een parastomale hernia. Door te reponeren heeft
verweerder bij patiënte een weloverwogen en aanvaardbaar risico genomen. Het enige
alternatief voor patiënte zou een open buikoperatie zijn geweest. Dat verweerder
dit, gelet op de recente operaties en invasieve ingrepen en de gezondheidstoestand
van patiënte, niet verantwoord achtte, is naar het oordeel van het college terecht.
Het klachtonderdeel is ongegrond.
Klachtonderdeel 8
5.8 Uit het medisch dossier van patiënte blijkt dat de dienstdoende arts-assistent
op 17 juni 2020 op de hoogte was van de repositie eerder die dag. Daaruit volgt dat
verweerder inderdaad, zoals hij heeft aangevoerd, tijdens de chirurgische middagoverdracht
melding heeft gemaakt van het reponeren bij patiënte, eerder die middag. Het ware
beter geweest als verweerder daarvan ook zelf aantekening had gemaakt in het medisch
dossier van patiënte. Dat heeft hij nagelaten. Hoewel dat te betreuren valt, volgt
uit het voorgaande dat verweerder wel mondeling aan zijn collega’s het reponeren bij
patiënte heeft gemeld. Uit niets is gebleken dat de zorg voor patiënte in negatieve
zin is beïnvloed doordat verweerder heeft verzuimd in het medisch dossier van patiënte
een notitie te maken van het reponeren op 17 juni 2020.
Het klachtonderdeel is ongegrond.
Slotsom
5.9 De conclusie is dat de klacht in alle onderdelen ongegrond zal worden verklaard.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.
Aldus beslist door E.C.M. de Klerk, voorzitter, M.J.H.A. Venner-Lijten, lid-jurist,
J.H. Wijsman, P.A. Hustinx en J.W.D. de Waard, leden-beroepsgenoten, in aanwezigheid van N.A.M. Sinjorgo, secretaris, en uitgesproken door E.C.M. de Klerk op 6 januari 2022 in aanwezigheid van de secretaris.