ECLI:NL:TGZREIN:2021:84 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven E2021/3580

ECLI: ECLI:NL:TGZREIN:2021:84
Datum uitspraak: 15-12-2021
Datum publicatie: 01-02-2022
Zaaknummer(s): E2021/3580
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: GZ-psycholoog wordt onder meer verweten dat er een diagnose is gesteld zonder klager hierover te informeren en waarbij een persoon is betrokken die klager nooit heeft gesproken, dat de diagnose niet aan hem is uitgelegd en dat klager niet heeft gesproken met het hele behandelteam en, na het stellen van de diagnose, met een psychiater. Op basis van het medisch dossier van klager gaat het college ervan uit dat de diagnose met klager is besproken en aan hem is uitgelegd. De wijziging van de diagnose was geen aanleiding om het medicatiebeleid te wijzigen en dus een psychiater te spreken. Een gesprek met het hele behandelteam acht het college niet werkbaar. Klacht ongegrond.

Uitspraak: 15 december 2021

 

HET REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

EINDHOVEN

heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de op 28 augustus 2020 ingekomen klacht van:

[A]

wonende te [B]

klager

gemachtigde [C] te [D]

tegen:

[E]

GZ-psycholoog

werkzaam te [D]

verweerder

gemachtigde mr. D. Benamari te Utrecht

1.         Het verloop van de procedure

Het college heeft kennisgenomen van:

  • het klaagschrift en de aanvulling daarop;
  • de brief van de secretaris aan klager van 9 november 2020;
  • de medische gegevens van klager;
  • het verweerschrift en de aanvulling daarop;
  • de brief van de secretaris aan de gemachtigde van verweerder van 30 april 2021;
  • het proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek van 17 september 2021.

De klacht is ter openbare zitting van 3 november 2021 behandeld (gelijktijdig met de zaak met dossiernummer E2021/2125). Partijen waren aanwezig, bijgestaan door hun gemachtigden.

2. De feiten

Het gaat in deze zaak om het volgende.

2.1 Klager, geboren in 1988, werd in december 2011 door de GGZ, waar hij toen onder behandeling stond, aangemeld bij een instelling voor ambulante forensisch psychiatrische behandeling (hierna: de instelling). Op 30 januari 2012 vond de intake bij de instelling plaats.

2.2 Op 6 augustus 2013 werd besloten dat de behandeling bij de instelling zou worden stopgezet vanwege door klager geuite dreigementen en het niet-nakomen van de behandelovereenkomst. Nadat klager door de klachtencommissie van de instelling in het gelijk was gesteld, is de behandeling hervat.

2.3

2.4

2.5

2.6

2.7

“Heeft alle medicatie als naar ervaren. (…) Weer veel aanklachten en verbaal gedrag op of over de grens. Ik weet niet meer wat nog qua medicatie tegen de paranoidie en agitatie te proberen.”

2.8

2.9

2.1

2.11

2.12

3. De klacht

Klager verwijt verweerder:

  1. dat er een hoofddiagnose is gesteld zonder dit aan klager mede te delen en zonder dat er ooit een psychodiagnostisch onderzoek heeft plaatsgevonden;
  2. dat er een persoon bij de (hoofd)diagnose betrokken is die klager nooit persoonlijk heeft ontmoet of gesproken;
  3. dat aan klager niet is uitgelegd en niet met hem is besproken wat een Periodiek-explosieve-stoornis is;
  4. dat klager na het stellen van die hoofddiagnose in augustus 2014 niet meer met een psychiater heeft gesproken die de zo nodige medicatie kon voorschrijven;
  5. dat er gesproken werd over een ‘state of the art’- behandeling, zonder aan klager uit te leggen wat dit inhield en hoe die behandeling exact heette of hoe zich dat vertaalde;
  6. dat er dreigbrieven naar klager zijn verstuurd en klager ruim zes behandelplannen binnen krap één jaar tijd ter ondertekening zijn voorgelegd en één of meerdere malen de politie op klager is afgestuurd;
  7. dat de instelling klagers mobiele nummer liet doorschakelen naar de afdeling van een andere locatie en klager niet te woord wilde staan indien klager tot tig keer toe tekst en uitleg wilde vragen door de telefoon;
  8. dat klager zijn behandelteam bestaande uit tenminste tien personen en zijn hoofdverantwoordelijke behandelaar (genoemd in het eerste behandelplan) nooit heeft mogen ontmoeten of spreken;
  9. dat voor klager onduidelijk is wat CACQR-concept betekent;
  10. dat de instelling geen aantoonbare initiatieven heeft ondernomen om klagers behandeling weer vlot te kunnen trekken c.q. conflicten op te lossen;
  11. dat klager geen patiënttevredenheidsonderzoek heeft mogen invullen in het najaar van 2014, terwijl er wel 358 patiënten aan deelgenomen hebben.

4. Het standpunt van verweerder

4.1 Verweerder voert primair aan dat het gaat om zijn persoonlijke verwijtbaarheid. Klager heeft in zijn aanvullend klaagschrift vragen geformuleerd die als klachten zouden kunnen worden gelezen, maar het is echter lastig om een concreet en persoonlijk verwijt aan verweerder te destilleren uit die vragen. De klachten richten zich namelijk tot een groep van beklaagden of tot de instelling als geheel. De onvoldoende concretisering en onderbouwing van de klacht, leidt tot niet-ontvankelijkheid van klager, aldus verweerder.

4.2 Ten aanzien van de klachtonderdelen voert verweerder - samengevat en voor zover van belang - het volgende aan. Verweerder is sinds februari 2014 bij de behandeling van klager betrokken, maar is wegens ziekte van maart 2014 tot augustus 2014 afwezig geweest. Tijdens zijn afwezigheid is het behandelplan van 15 april 2014 opgesteld en ondertekend. Verweerder is daarbij niet betrokken geweest. Verweerder is wel rechtstreeks betrokken geweest bij het opstellen van het behandelplan van 18 november 2014 en dit behandelplan is onder meer op 24 november 2014, op 8, 12 en 15 december 2014 en op 19 januari 2015 met klager besproken. Dit plan is door klager vrijwillig op 2 maart 2015 ondertekend.Voor het stellen van een hoofddiagnose is testpsychologisch onderzoek niet nodig. Er heeft in dit geval echter wel testpsychologisch onderzoek plaatsgevonden op 7 september 2012 en dit is met klager op 30 november 2012 besproken en daarna nogmaals op 28 april 2015.De behandeling bij de instelling vond plaats in teamverband onder verantwoordelijkheid van verweerder als hoofdbehandelaar. Het behandelteam bestond uit alle medewerkers van het team van de afdeling van de instelling op deze locatie. Elk half jaar vindt er een patiëntgebonden overleg plaats en daaraan nemen alle teamleden deel, ook diegenen die geen directe betrokkenheid bij de behandeling hebben.Het wijzigen van de hoofddiagnose was geen reden om het medicatiebeleid te wijzigen en op 30 juni 2014 had de psychiater al geconcludeerd dat er geen medicamenteuze opties meer waren. De term ‘state of the art’ is geïntroduceerd door een externe deskundige van een andere instelling en het kan zijn dat verweerder aan die term heeft gerefereerd. De uiteindelijke behandeling zoals met klager overeengekomen staat in het behandelplan van 18 november 2014 en was gericht op het krijgen van zicht op en het reguleren van de spanning en de boosheid van klager.Verweerder betwist dat hij klager dreigbrieven heeft geschreven en klager specificeert ook niet welke brieven hij bedoelt.Verweerder is niet bekend met de term CACQR, mogelijk is sprake van een typefout of een term die per abuis door het EPD is gegenereerd.Verweerder betreurt de onvrede van klager, maar concludeert dat hij juist heeft gehandeld en hem geen tuchtrechtelijk verwijt gemaakt kan worden.

5. De overwegingen van het college

Ontvankelijkheid

5.1

Beoordeling klachtonderdelen

5.2 Het college merkt op dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of het handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijke en bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.
Bij het antwoord op die vraag staat het persoonlijk handelen van verweerder centraal. Toepassing van het beginsel van persoonlijke verwijtbaarheid brengt met zich mee dat de klachtonderdelen 7, 10 en 11 ongegrond dienen te worden verklaard. Deze klachtonderdelen zien namelijk op het handelen en/of het beleid van de instelling en gebleken is dat verweerder daarbij geen betrokkenheid heeft gehad.

Klachtonderdelen 1, 2 en 3

5.3 Anders dan verweerder stelt, is hij wel betrokken geweest bij de wijziging van de hoofddiagnose in augustus 2014. In het medisch dossier staat dat op 12 augustus 2014 (mede) in overleg met verweerder is gekozen voor de hoofddiagnose “Periodiek-explosieve-stoornis” (zie hiervoor 2.8 onder 2. Feiten). Verder blijkt uit het medisch dossier dat op 26 augustus 2014 het concept-behandelplan met de aangepaste diagnose Periodiek-explosieve-stoornis door twee medebehandelaars met klager is besproken en dat er daarna diverse pogingen zijn ondernomen om het behandelplan met daarin de gewijzigde diagnose te bespreken. Ook al is in het dossier niet uitdrukkelijk vermeld dat de gewijzigde hoofddiagnose met klager is besproken, het college gaat ervan uit dat dit tijdens het gesprek op 26 augustus 2014 en de vele daaropvolgende behandelgesprekken wel is besproken en ook aan klager is uitgelegd.

De gekozen werkwijze bij de instelling, te weten dat ieder half jaar de patiënten met het hele team, bestaande uit maximaal tien personen, worden besproken, heeft tot gevolg dat er ook door personen die niet direct bij de behandeling zijn betrokken over de behandeling van klager is gesproken. Naar het oordeel van het college is dit een gebruikelijke en aanvaardbare werkwijze. Verweerder heeft daarmee als hoofdbehandelaar van klager niet tuchtrechtelijk verwijtbaar jegens klager gehandeld.
Deze klachtonderdelen zijn ongegrond.

Klachtonderdeel 4

5.4 Het college is van oordeel dat het wijzigen van een hoofddiagnose nog geen reden is om ook het medicatiebeleid te wijzigen. Bovendien heeft verweerder er terecht op gewezen dat de psychiater eerder al had geconcludeerd dat er geen medicamenteuze opties meer waren (zie 2.7 onder 2. Feiten). Daarbij is van belang dat de wijziging van ‘stoornis in impulsbeheersing NAO’ naar ‘Periodiek-explosieve-stoornis’ niet een geheel andere diagnose betreft, maar een nadere specificatie is van de reeds eerder gestelde impulsproblematiek en bovendien in overeenstemming is met op dat moment in werking getreden DSM-5.

Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel 5

5.5

Dit klachtonderdeel is daarmee eveneens ongegrond.

Klachtonderdeel 6

5.6

Klager stelt verder dat er binnen krap één jaar ruim zes behandelplannen op hem zijn afgestuurd, maar dat is niet juist. Uit het medisch dossier blijkt dat er drie (concept) behandelplannen met klager zijn besproken: het behandelplan van 15 april 2014, dat door klager op 6 mei 2014 is ondertekend, het conceptbehandelplan van augustus 2014, waarover geen overeenstemming werd bereikt, en het bijgestelde behandelplan van 18 november 2014, dat door klager op 3 februari 2015 is ondertekend.

Dat verweerder persoonlijk de politie op klager heeft afgestuurd, is het college niet gebleken.

Dit betekent dat dit klachtonderdeel ongegrond is.

Klachtonderdeel 8
5.7       Ook dit klachtonderdeel is ongegrond. Klager heeft vaak met verweerder als zijn hoofdbehandelaar gesproken alsook met de andere vier direct bij zijn behandeling betrokken medebehandelaars. De gekozen werkwijze bij de instelling, te weten dat ieder half jaar de patiënten door het hele team, bestaande uit maximaal tien personen, worden besproken, heeft tot gevolg dat er ook door personen die niet direct bij de behandeling zijn betrokken over de behandeling van klager is gesproken. Het college begrijpt dat klager niet met deze personen een gesprek heeft gehad. Dat acht het college ook niet werkbaar.

Klachtonderdeel 9

5.8

Het klachtonderdeel is ongegrond.

  •  
  •  

5.10 Het college wenst evenwel op te merken dat het begrijpelijk is dat klager teleurgesteld is dat zijn behandeling bij de instelling hem niet heeft gebracht wat hij ervan had verwacht. Uit het medisch dossier blijkt wel dat verweerder tezamen met de andere behandelaars heeft geprobeerd om de behandeling vlot te trekken, maar desondanks is dat niet gelukt. Het doet het college deugt dat klager ter zitting heeft aangegeven dat het naar omstandigheden beter met hem gaat en dat hij goed begeleid wordt.

6. De beslissing

Het college:

  • verklaart de klacht in al zijn onderdelen ongegrond.

Aldus beslist door H.A.W. Vermeulen, voorzitter, H.J.C. Smink, lid-jurist, X.M.H. Moonen, Ch. Oele en M.J.E. Lemmens, leden-beroepsgenoten, in aanwezigheid van D. van Grootveld, secretaris, en uitgesproken door E.P. van Unen op 15 december 2021 in aanwezigheid van de secretaris.