ECLI:NL:TGZREIN:2021:80 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven E2021/2537
| ECLI: | ECLI:NL:TGZREIN:2021:80 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 15-12-2021 |
| Datum publicatie: | 15-12-2021 |
| Zaaknummer(s): | E2021/2537 |
| Onderwerp: | Onvoldoende informatie |
| Beslissingen: | Gegrond, waarschuwing |
| Inhoudsindicatie: | GZ-psycholoog wordt onder meer verweten dat er een opdracht tot diagnostiek en behandeling van de minderjarige dochter van klaagster is aangenomen zonder toestemming van klaagster en dat klaagster niet door haar is geïnformeerd. Bovendien wordt de GZ-psycholoog een verwijt gemaakt ten aanzien van de inhoud van het zorgplan. Vanwege de vervangende toestemming van de rechter hoefde de GZ-psycholoog geen toestemming te vragen aan klaagster. De GZ-psycholoog had vanuit haar rol als regiebehandelaar zich ervan dienen te vergewissen of en zo ja welke informatie aan klaagster werd gegeven. Bij het opstellen van het zorgplan is niet gewerkt conform de richtlijn uit de beroepscode 2015 van het NIP. Klacht deels gegrond. Waarschuwing. |
Uitspraak: 15 december 2021
HET REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
EINDHOVEN
heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de op 21 januari 2021 ingekomen klacht van:
[A]
wonende te [B]
klaagster
gemachtigde mr. H.C. Egger-van Oppen te Vierlingsbeek
tegen:
[C]
GZ-psycholoog
werkzaam te [D]
verweerster
gemachtigde mr. D. Schut-Wolfs te Amsterdam
1. Het verloop van de procedure
Het college heeft kennisgenomen van:
- het klaagschrift;
- het verweerschrift;
- de repliek van 14 juni 2021;
- de dupliek ontvangen op 21 juli 2021;
- de brieven van 11 augustus 2021 van de secretaris aan de gemachtigde van verweerster en klaagster.
Partijen hebben geen gebruik gemaakt van het aangeboden mondelinge vooronderzoek.
De klacht is ter openbare zitting van 3 november 2021 behandeld. Partijen waren aanwezig, bijgestaan door hun gemachtigden. Klaagster werd bijgestaan door een tolk. Verweerster heeft een beleidsmedewerker meegenomen als toehoorder om haar bij te staan bij organisatorische aspecten rond de klacht. Het verzoek tot behandeling achter gesloten deuren is aan het begin van de zitting door de gemachtigde van klaagster ingetrokken.
2. De feiten
2.1 Klaagster, geboren in 1978, is de moeder van L. (hierna: de dochter), geboren in 2009 in Zuid-Amerika. Klaagster is Zuid-Amerikaanse en de juridische vader van de dochter heeft de Nederlandse nationaliteit. Beide ouders hebben ouderlijk gezag. Toen de dochter acht maanden oud was, is zij samen met haar ouders eerst naar Nederland en daarna naar België verhuisd. De relatie tussen de ouders is in 2011 geëindigd. Daarna is tussen de ouders strijd ontstaan over (de zorg voor) hun dochter. De dochter heeft periodes bij klaagster gewoond en periodes bij haar vader.
2.2 Vanwege een verontrustende opvoedingssituatie, onder meer vanwege een verregaande strijd tussen de ouders en een uitspraak van de Nederlandse rechter waarin is vastgesteld dat de dochter ongeoorloofd door haar vader was overgebracht naar Nederland (kinderontvoering), heeft de Belgische jeugdrechter in juli 2015 de dochter toevertrouwd aan klaagster. De dochter verbleef daarop een aantal jaren in het gezin van klaagster, met ondersteuning van en toezicht door de Belgische jeugdzorg.
2.3 Bij beschikking van 14 augustus 2018 heeft de Belgische jeugdrechter vanwege de situatie in het gezin van klaagster besloten de dochter tijdelijk toe te vertrouwen aan haar grootouders van vaderszijde, woonachtig in Nederland. De dochter verbleef al regelmatig bij haar grootouders en bracht de zomervakantie in 2018 bij hen door. De grootouders werden daardoor (kandidaat)pleegouders van hun kleindochter.
2.4 De grootouders maakten zich zorgen over hun klein- en pleegdochter. Zij hebben in september 2018 hulp en advies gevraagd bij een netwerk dat in hun gemeente actief is op het terrein van zorg, jeugd, werk en welzijn (hierna: het netwerk). Volgens dit netwerk was het wenselijk de dochter voor behandeling/therapie te verwijzen naar een jeugdhulpverleningsorganisatie/jeugdzorginstelling (hierna: de instelling).
2.5 Bij brief van 11 maart 2019 aan deze beoogde instelling heeft de Belgische jeugdrechter onder meer het volgende geschreven (alle citaten zijn inclusief eventuele taal- en typfouten):
“Huidig schrijven richt ik u als jeugdrechter bij wie (naam dochter) (…), onder toezicht staat.
Als maatregel van jeugdbescherming werd (naam dochter) toevertrouwd aan de heer en mevrouw (namen grootouders en woonplaats grootouders), als kandidaat-pleegzorgers. Deze maatregel geldt nog steeds.
Als jeugdrechter ben ik bevoegd het ouderlijk gezag uit te oefenen in aangelegenheden die samenhangen met de bevolen maatregelen van jeugdbescherming. In dat kader verleen ik toestemming om (naam dochter) therapie te laten volgen bij de hulpverleningsorganisatie (naam hulpverleningsorganisatie).”
2.6 Verweerster is als zelfstandig GZ-psycholoog werkzaam bij de instelling. Zij is als regiebehandelaar vanaf april 2019 betrokken geweest bij de hulpverlening aan de dochter. Op 10 april 2019 heeft verweerster een intakegesprek gehad met het netwerk en op 26 april 2019 heeft de instelling een toewijzing van de gemeente ontvangen. Op 13 juni 2019 heeft het eerste gesprek met de dochter en een medebehandelaar, een kinder- en jeugdpsycholoog, plaatsgevonden.
2.7 Bij vonnis van 10 oktober 2019 is aan de dochter voor de termijn van één jaar de functie verblijf opgelegd in het pleegmilieu van haar grootouders, met begeleiding door Pleegzorg Nederland. Bij beschikking van 18 december 2019 heeft de Belgische jeugdrechter de Nederlandse rechtbank van de woonplaats van de grootouders verzocht haar bevoegdheid over de dochter te aanvaarden en vervolgens de noodzakelijke maatregelen te nemen die op dat moment in het belang van de dochter nodig waren. De Nederlandse rechter heeft dit verzoek bij beschikking van 17 februari 2020 afgewezen, omdat anders dan in België het dagelijks toezicht en de aansturing van de hulpverlening van kinderen die onder toezicht staan, niet tot de taak van de Nederlandse kinderrechter behoort. De Nederlandse rechter wijst in deze beschikking de Belgische jeugdrechter er ten overvloede op dat een overdracht van toezicht zoals wenselijk wordt geacht via een zorgmelding bij de Centrale autoriteiten Internationale Kinderaangelegenheden (hierna: Centrale autoriteit) dient te geschieden.
2.8 Op 30 december 2019 heeft de Nederlandse Centrale autoriteit ingestemd met de internationale pleegzorgplaatsing van de dochter bij haar grootouders aan vaderszijde. Gelet op de zorgen over de dochter heeft de Nederlandse Centrale autoriteit het van belang geacht dat nader onderzoek wordt verricht door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: RvdK) naar kinderbeschermingsmaatregelen en de invulling van het gezag in Nederland.
2.9 Naar aanleiding van het verzoek daartoe door de Nederlandse Centrale autoriteit is de RvdK op 15 januari 2020 een onderzoek gestart. Naast bestudering van de ontvangen stukken (onder meer de hiervoor genoemde beschikking van de jeugdrechter van 14 augustus 2018 en het vonnis van 10 oktober 2019) hebben de onderzoekers van de RvdK gesproken met de vader, klaagster, de pleeg/grootouders, de dochter en diverse bij de hulpverlening van de dochter betrokken Belgische en Nederlandse hulpverleners, waaronder ook de kinder- en jeugdpsycholoog van de instelling.
2.1 Op 13 maart 2020 heeft de RvdK een rapport uitgebracht. Op basis van het verrichte onderzoek heeft de RvdK onder meer de rechtbank van de woonplaats van de pleeg/grootouders verzocht zich bevoegd te verklaren om het verzoek tot ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing in behandeling te nemen en wordt de kinderrechter van deze rechtbank verzocht de dochter onder toezicht te stellen van een gecertificeerde jeugdzorginstelling.
2.11 In april 2020 is door de kinderrechter een ondertoezichtstelling uitgesproken, is een gezinsvoogd benoemd en is deze verzocht nader onderzoek uit te voeren, omdat de pleeg/grootouders de zorg voor hun klein- en pleegkind niet langer aankunnen.
2.12 De instelling is sinds februari 2020 niet meer actief betrokken bij de behandeling van de dochter. Door verweerster is na beëindiging van de behandeling een zorgplan opgesteld, dat op 13 april 2020 door de grootouders, op 14 april 2020 door verweerster en op 16 april 2020 door de vader is ondertekend.
2.13 Klaagster heeft via haar gemachtigde het dossier van haar dochter bij de gezinsvoogd opgevraagd. Klaagster heeft daarop het onderzoeksrapport van de RvdK ontvangen, waarbij het zorgplan van de instelling was gevoegd en waarop verweerster als regiebehandelaar staat vermeld.
2.14 Bij brief van 17 september 2020, gericht aan verweerster, heeft de gemachtigde van klaagster zich erover beklaagd dat uit het zorgplan van april 2020 blijkt dat verweerster in het kader van de behandeling van de dochter mee heeft gewerkt aan bestendiging van de contacten tussen de dochter en haar vader, maar dat verweerster daarbij het belang van klaagster en het belang hiervan voor de dochter uit het oog is verloren. Volgens de gemachtigde had verweerster in deze situatie zorgvuldiger om moeten gaan met het informeren en het betrekken van beide ouders bij de diagnose en de behandeling van de dochter.
3. De klacht
Klaagster verwijt verweerster dat:
- In het zorgplan niet duidelijk staat wie de opdrachtgever is;
- Er een opdracht tot diagnostiek en behandeling van de minderjarige dochter van klaagster is aangenomen zonder toestemming van klaagster;
- Klaagster niet is geïnformeerd;
- Het zorgplan is opgesteld zonder klaagster hierin te betrekken;
- Het zorgplan niet aan klaagster is toegestuurd;
- Het zorgplan zonder toestemming en medeweten van klaagster aan derden is toegestuurd;
- Uit het zorgplan niet blijkt wanneer met wie contact heeft plaatsgevonden en wat hierbij is besproken;
- Niet duidelijk is welke behandeling de dochter van klaagster heeft gekregen en hoe/waarom deze is gestopt;
- Klaagster niet op de hoogte is gebracht van de afsluiting van het dossier;
- Uit het zorgplan niet blijkt op welke wijze onderzoek is gedaan;
- Haar privacy is geschonden doordat het zorgplan aan derden is toegestuurd;
- Het zorgplan een eigen leven is gaan leiden.
4. Het standpunt van verweerster
4.1 Verweerster wijst er allereerst op dat de klachtonderdelen nauw samenhangen en dat zij een aantal klachtonderdelen tezamen zal behandelen. De hoofdklacht betreft het zonder toestemming van klaagster behandelen van de dochter en het niet verstrekken van informatie aan klaagster. Een aantal klachtonderdelen betreft de vereisten die volgens klaagster aan een zorgplan worden gesteld en een aantal andere klachtonderdelen heeft betrekking op het zonder toestemming en medeweten van klaagster toesturen van het zorgplan aan derden.
4.2 Ten aanzien van deze klachtonderdelen voert verweerster – kort samengevat – het volgende aan.
4.3 Verweerster wijst erop dat bij deze casus veel hulpverleners zijn betrokken. Ook merkt zij op dat het feit dat klaagster in België woont, waardoor er een ander rechtsstelsel van toepassing is, terwijl de dochter bij pleegouders in Nederland is geplaatst, de hulpverlening in het algemeen en de zorg overduidelijk bemoeilijkte. Daardoor was ook bij verweerster haar handelen anders dan te doen gebruikelijk.
4.4 Via het netwerk, dat door de (Belgische) rechter bij deze casus was betrokken, is de dochter naar de instelling verwezen. Verweerster is van mening dat zij op de informatie van dit netwerk mocht varen en ging ervan uit dat klaagster via dit netwerk werd geïnformeerd. De instelling heeft voorafgaand aan de aanmelding/verwijzing aan genoemd netwerk laten weten dat zij systemisch werkt en dat klaagster in principe aanwezig mag zijn. Het probleem was daarbij dat klaagster buiten het werkgebied van de instelling woonde en dat de instelling geen mogelijkheid had om voor klaagster een tolk te regelen.
4.5 Het netwerk heeft via de (Nederlandse en Belgische) Centrale autoriteit de beschikking voor pleegzorg gekregen en tevens is voor de instelling waar verweerster werkzaam is vervangende toestemming voor behandeling van de dochter verkregen. Verweerster heeft de brief van de Belgische jeugdrechter van 11 maart 2019 met de vervangende toestemming en de expliciete vermelding dat hij als jeugdrechter bevoegd is het ouderlijk gezag uit te oefenen in verband met de maatregelen van jeugdbescherming, als bewijs gezien dat zij klaagster geen expliciete toestemming hoefde te vragen en haar niet hoefde te informeren.
4.6 Wat betreft de klachtonderdelen met betrekking tot de inhoud van het zorgplan stelt verweerster dat er geen richtlijnen zijn waaraan het zorgplan in dit geval moet voldoen. De instelling is geen GGZ-instelling, maar valt onder de Jeugdwet en op grond daarvan dient verweerster een zorgplan te maken. Er bestaan geen regels over de exacte inhoud die het zorgplan moet bevatten. Verweerster heeft diagnostisch onderzoek gedaan naar de klachten van de dochter. PTSS-diagnostiek gaat vooral over de beleving en is geen waarheidsvinding, althans dit is voor de behandeling niet van belang. Verweerster is niet aan het definitief stellen van een diagnose en niet aan behandeling toegekomen. Er is dan ook geen behandelplan. Verweerster heeft ervoor gekozen om voor de afsluiting van het dossier alsnog een zorgplan op te stellen om te voorkomen dat belangrijke informatie en doelen verloren gaan. Het zorgplan kan ook gebruikt worden om informatie over te dragen tussen professionals en aan nieuwe hulpverleners.
4.7 Verder merkt verweerster op dat het gebruikelijk is om in een onderzoek te vermelden dat onderzoeksresultaten een beperkte werking hebben (maximaal één jaar) en de vertrouwelijke informatie uit een rapport alleen mag worden gebruikt voor het doel waarvoor het bestemd is, maar dat dit in een zorgplan niet gebruikelijk is. De reactie van de vader is in het zorgplan cursief gedrukt om daarmee tot uiting te brengen dat het persoonlijke aantekeningen zijn, maar verweerster erkent dat het beter was geweest als zijn reactie als bijlage bij het rapport was gevoegd.
4.8 Verweerster voert aan dat zij het zorgplan alleen heeft gedeeld met de vader en pleegouders, dus met degenen die de zorgovereenkomst hebben getekend. De instelling heeft het zorgplan niet verspreid onder andere derden. Uit het feit dat het zorgplan is gevoegd bij de uitspraak van de Belgische rechtbank van december 2019 kan niet worden geconcludeerd dat verweerster het zorgplan heeft opgestuurd naar de rechtbank. Ook kan verweerster niet verantwoordelijk worden gesteld voor de inhoud van het rapport van de RvdK en de wijze waarop de RvdK het zorgplan mogelijk heeft uitgelegd.
5. De overwegingen van het college
5.1 Het college merkt allereerst op dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of het handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijke en bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.
De klachtonderdelen
5.2 Het college stelt vast dat de belangrijkste klacht van klaagster ziet op het ontbreken van haar toestemming voor de behandeling van haar dochter en op het feit dat klaagster niet door verweerster is geïnformeerd. De klachtonderdelen 2, 3, 5 en 9 hebben daarop betrekking en lenen zich voor een gezamenlijke beoordeling.De klachtonderdelen 1, 4, 7, 8, en 10 betreffen het zorgplan en ook deze klachtonderdelen worden tezamen behandeld. Hetzelfde geldt voor de klachtonderdelen 6, 11 en 12, die betrekking hebben op het schenden van de privacy van klaagster en het toezenden van informatie aan derden.
Klachtonderdelen 2, 3, 5 en 9 – Het ontbreken van toestemming van klaagster en het niet geven van informatie aan klaagster
5.3 Het college is van oordeel dat op grond van de vervangende toestemming van de Belgische rechter er voor verweerster geen aanleiding was om nogmaals expliciet toestemming te vragen aan klaagster. Dit klachtonderdeel is op dit punt ongegrond.Anders dan verweerster stelt, betekent dat niet dat zij klaagster niet had moeten informeren. Het college merkt op dat verweerster als regiebehandelaar op dat punt ten onrechte veel heeft laten liggen bij de andere bij de behandeling betrokken instanties. Zij had vanuit haar rol als regiebehandelaar zich ervan dienen te vergewissen of en zo ja welke informatie aan klaagster werd gegeven. In dit kader had verweerster er ook voor moeten zorgdragen dat het zorgplan aan klaagster zou worden verstrekt. Verweerster geeft aan dat zij er als regiebehandelaar beter op had moeten zitten. Naar aanleiding van deze casus is binnen de instelling gekeken op welke wijze dit beter kan. Het klachtonderdeel omtrent het niet geven van informatie aan klaagster is gegrond.
Klachtonderdelen 1, 4, 7, 8, 10 – Het zorgplan is niet zorgvuldig opgesteld
5.4 Uit de schriftelijke stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, blijkt dat het netwerk het verzoek om hulp van de pleegouders heeft opgepakt. Omdat er volgens verweerster geen toestemming werd gegeven door klaagster voor het inzetten van hulp, heeft het netwerk een verzoek om vervangende toestemming neergelegd bij de Belgische jeugdrechter. De jeugdrechter gaf bij brief van 11 maart 2019 aan het netwerk toestemming om de dochter therapie te laten volgen. In het zorgplan staat aangegeven dat de medewerker van dit netwerk en de betrokken jeugdarts opdracht aan de instelling hebben gegeven tot diagnostiek en (indien mogelijk) tot gepaste behandeling.
5.5 Het college overweegt dat het zorgplan voor zover het dient als rapport voor diagnostiek en indicatiestelling als zodanig voldoende duidelijk is. In het zorgplan ontbreekt echter een bronvermelding van wie informant was en ook data ontbreken in het zorgplan. Zoals verweerster ook zelf ter zitting aangeeft, had de verklaring van de vader niet prominent in het zorgplan moeten staan, maar als bijlage achter het zorgplan moeten worden gevoegd.Verder is het doel van de behandeling in het zorgplan niet duidelijk omschreven en doel en strekking van het document zijn niet genoemd. Het verloop van de behandeling en afrondingsproces zijn niet concreet beschreven en de datum waarop het zorgplan is opgesteld wordt niet vermeld. In het zorgplan is evenmin aangegeven dat het een intakeverslag is voor intern gebruik en niet mag worden gebruikt voor andere doeleinden. Daarnaast is het college van oordeel dat klaagster over unieke informatie beschikt die nodig is om een goed behandelplan te kunnen opstellen in het belang van de dochter. Dit verzoek om informatie is echter nooit bij klaagster terecht gekomen. Ook hier had verweerster een actievere rol moeten pakken als regiebehandelaar. Dit beaamde verweerster ter zitting. Zij gaf aan dat zij inziet dat dit niet goed is verlopen.Uit de schriftelijke stukken en hetgeen verweerster ter zitting heeft verteld, is gebleken dat het zorgplan achteraf is opgesteld om te dienen als document voor overdracht tussen professionals en voor eventuele nieuwe behandelaren. Hiermee heeft verweerster bij het opstellen van het zorgplan niet gewerkt conform de richtlijn onder 3.3e (rapportage) uit de beroepscode 2015 van het NIP. Het college is van oordeel dat verweerster als goed hulpverlener het zorgplan op bovengenoemde punten onvoldoende zorgvuldig heeft opgesteld en dat dit deel van de klacht gegrond is.
Klachtonderdelen 6, 11 en 12 – Het schenden van de privacy en het toesturen van het zorgplan aan derden
5.6 Uit de schriftelijke stukken en hetgeen verweerster ter zitting naar voren heeft gebracht, blijkt dat het zorgplan alleen aan de pleegouders en de vader is gestuurd. Vader en pleegouders waren de betrokkenen en zij hebben vanuit dat perspectief recht op een afschrift van het zorgplan. De pleegouders waren daarnaast de verzoekers. Als betrokkenen zijn zij geen derden. Dat het zorgplan vervolgens bij instanties is terecht gekomen, kan verweerster niet worden verweten. Uit het rapport van de RvdK van 13 maart 2020 op pagina 5 blijkt overigens dat de RvdK in ieder geval niet beschikte over rapportage van de instelling. Deze klachtonderdelen zijn ongegrond.
Het verzoek van verweerster betreffende het alsnog verstrekken van informatie aan klaagster
5.7 In de dupliek heeft verweerster gelet op de complexiteit van de onderhavige casus naar de visie van het college gevraagd wat betreft het al dan niet verstrekken van specifieke medische informatie aan klaagster. Hoewel het niet aan het college is om hier uitspraak over te doen, meent het college dat gelet op het feit dat de dochter thans 12 jaar oud is en ter zitting onweersproken is medegedeeld dat de instelling van de grootouders heeft vernomen dat zij daarvoor geen toestemming geeft, geconcludeerd kan worden dat verweerster genoemde informatie niet aan klaagster behoeft te verstrekken.
De maatregel
Nu de klachtonderdelen 3, 5 en 9 en 1, 4, 7, 8 en 10 gegrond worden verklaard, zal het college een maatregel aan verweerster opleggen. Een waarschuwing acht het college hier op zijn plaats. Bij het bepalen van de zwaarte van de maatregel heeft het college meegewogen dat verweerster geconfronteerd is met een zeer complexe situatie van twee rechtsstelsels, veel betrokken instanties en functionarissen.
Om redenen, aan het algemeen belang ontleend, zal deze beslissing worden gepubliceerd.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klachtonderdelen 3, 5 en 9 en 1, 4, 7, 8 en 10 gegrond;
- legt hiervoor aan verweerster de maatregel van waarschuwing op;
- verklaart de klachtonderdelen 6, 11 en 12 ongegrond;
- bepaalt dat deze beslissing nadat deze onherroepelijk is geworden in geanonimiseerde vorm in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter publicatie zal worden aangeboden aan het tijdschrift ‘de Psycholoog’.
Aldus beslist door H.A.W. Vermeulen, voorzitter, H.J.C. Smink, lid-jurist, X.M.H. Moonen, C. Oele en M.J.E. Lemmers, leden-beroepsgenoten, in aanwezigheid van D. van Grootveld, secretaris, en uitgesproken door H.A.W. Vermeulen op 15 december 2021 in aanwezigheid van de secretaris.