ECLI:NL:TGZREIN:2014:34 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 13206a

ECLI: ECLI:NL:TGZREIN:2014:34
Datum uitspraak: 03-03-2014
Datum publicatie: 03-03-2014
Zaaknummer(s): 13206a
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie:   Klager verwijt de specialist ouderengeneeskunde het stellen van een verkeerde diagnose bij patiënte, het niet naleven van het zorgplan, het vergeten om weer te starten met perindopril en het vervoeren in een rolstoeltaxi in plaats van in een ambulance. Vastgesteld kan worden dat de diagnose later onjuist is gebleken, maar dit doet niet af aan de zorgvuldige wijze waarop verweerder zijn waarschijnlijkheidsdiagnose heeft gesteld. Verweerder is niet zonder meer verantwoordelijk voor naleving van het zorgplan door het personeel van de instelling. Uit het met klager besproken beleid kan niet worden opgemaakt dat verweerder vergeten is om weer te beginnen met perindopril. Er is ook geen relatie vast te stellen tussen het niet hervatten van het gebruik van dit medicijn, de val en het uiteindelijke overlijden van patiënte. Het college acht de beslissing van verweerder om patiënte te laten vervoeren in een rolstoeltaxi, gelet op zijn voorlopige diagnose, zijn “niet pluis”-gevoel en de verdenking van een pneumothorax, ongelukkig, maar niet in strijd met de zorgvuldigheid die van hem in zijn hoedanigheid van arts mag worden verwacht. Ongegrond.

Uitspraak: 3 maart 2014

 

HET REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

TE EINDHOVEN

heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de op 2 oktober 2013 binnengekomen klacht van:

A

wonende te B

klager

tegen:

C

specialist ouderengeneeskunde

destijds werkzaam te B

verweerder

gemachtigde mevrouw mr. L. Beij te Utrecht

1. Het verloop van de procedure

Het college heeft kennisgenomen van:

-         het klaagschrift en de aanvulling daarop;

-         het verweerschrift en de aanvulling daarop.

Na ontvangst van het verweerschrift heeft de secretaris de zaak naar een openbare zitting van het college verwezen.

Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid in het kader van het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.

De klacht is ter openbare zitting van 22 januari 2014 behandeld. Partijen waren aanwezig, verweerder bijgestaan door zijn gemachtigde.

2. De feiten

Het gaat in deze zaak om het volgende:

Klager is de schoonzoon van mevrouw K (verder: patiënte), geboren in april 1923 en overleden in september 2013. Patiënte verbleef van 9 augustus 2012 tot haar overlijden bij de Stichting D, locatie E te B, afdeling F. Dit is een reguliere gesloten afdeling voor patiënten met dementie. De directe 24 uurs-zorg op de afdeling wordt verleend door verpleegkundigen, verzorgenden en helpenden. De medische zorg wordt verleend door artsen in dienst van de Stichting. Verweerder bezoekt de bewoners standaard op dinsdag en vrijdag.

Op 14 maart 2013 is patiënte omstreeks 15.30 uur gevallen in de badkamer van de afdeling. Patiënte werd door een verpleegkundige onderzocht en tegen de pijn werd paracetamol gegeven. Rond 18.00 uur is de dienstdoende verpleegkundige van het Mobiel Verpleegkundig Team (MVT) bij patiënte langs gegaan. Er was sprake van pijn aan de wervelkolom in het midden uitstralend naar de ribben rechts. Patiënte is daarop in bed gelegd op de zij met steun in de rug. Ook is de zuurstofsaturatie gemeten waarna 2 liter/minuut zuurstof met een neusbrilletje is toegediend. Als patiënte pijn bleef aangeven zou de dienstdoende arts worden geconsulteerd. Later op de avond is het MVT weer geconsulteerd vanwege de pijn van patiënte. De dienstdoende arts heeft opdracht gegeven te starten met diclofenac .

Verweerder heeft patiënte voor het eerst gezien op vrijdag 15 maart 2013. Patiënte vertelde verweerder dat zij pijn had in de rug en rechterzij. Zij was ook emotioneel. In aanwezigheid van een verpleegkundige heeft verweerder lichamelijk onderzoek verricht. Verweerder constateerde dat de wervelkolom geen zichtbare afwijkingen vertoonde terwijl er geen sprake was van druk- of slagpijn. Bij zijwaartse compressie van de thoraxwand bleek ook geen sprake van bijzonderheden. Wel was er sprake van lokale drukpijn aan de rechterkant van de onderste ribben. Verweerder heeft geen oneffenheden of andere afwijkingen gevoeld. Hij heeft geluisterd naar de longen, patiënte kon goed doorzuchten en er waren geen links/rechtsverschillen te horen of te percuteren. Er was sprake van een redelijke zuurstofsaturatie.

Verweerder heeft op basis van de anamnese en het lichamelijk onderzoek als waarschijnlijkheidsdiagnose gesteld dat er sprake was van een kneuzing van de ribben van de rechter thoraxzijde (de rechter borstkas). Aan patiënte is 4 maal daags 1000 mg paracetamol voorgeschreven. Diclofenac is gestopt vanwege de mogelijke bijwerkingen. Klagers echtgenote, de dochter van patiënte, is telefonisch ingelicht.

Verweerder is op 18 maart 2013 telefonisch weer geconsulteerd in verband met onduidelijkheid over de vraag of patiënte al dan niet bedrust moest houden. Verweerder heeft daarop aangegeven dat patiënte bij voorkeur zou moeten mobiliseren op geleide van haar klachten.

Op dinsdag 19 maart 2013 heeft verweerder patiënte opnieuw gezien en onderzocht. Bij onderzoek constateerde verweerder dat er sprake was van een zichtbare bloeduitstorting in de rechterzij, lokale drukpijn en een knisperend geluid/gevoel onder de huid. Bij het luisteren van de longen hoorde verweerder zowel auscultatoir als percutoir geen duidelijk links/rechtsverschil. Er was geen sprake van kortademigheid. Verweerder heeft na onderzoek als diagnose gesteld een ribfractuur met mogelijke perforatie en mogelijk subcutaan emfyseem. Een onderzoek in het ziekenhuis was geïndiceerd. Verweerder heeft telefonisch overleg gepleegd met de SEH-arts chirurgie van het G Ziekenhuis H, locatie I. Er is tevens overleg gepleegd met de dienstdoende arts-assistent geriatrie.

Verweerder heeft patiënte in een rolstoeltaxi laten vervoeren. In het ziekenhuis is vastgesteld dat patiënte meerdere gebroken ribben had en een pneumothorax(klaplong), waarna patiënte in het ziekenhuis is opgenomen. Op 22 mei 2013 is het zorgplan van patiënte geactualiseerd, dat is ondertekend op 8 juni 2013. In het zorgplan is steeds vermeld dat patiënte het beste kon lopen met rollator onder begeleiding in verband met valrisico.

In juni 2013 is gestopt met het gebruik van perindopril en plastabletten vanwege de gezondheidstoestand van patiënte. Het gebruik van perindopril is niet meer hervat.

Op 7 september 2013 is patiënte rond 18 uur zelf van de huiskamer naar het toilet gelopen en gevallen. Patiënte is naar het ziekenhuis gebracht waar een collumfractuur (gebroken heup) en een geluxeerde schouder zijn geconstateerd. De schouder werd onbloedig gereponeerd en er werd een heupoperatie gepland. Patiënte is later op de avond nog voor de operatie overleden. Klager heeft over de gang van zaken zoals hierboven geschetst op 23 september 2013 een klacht ingediend bij de Regionale Klachtencommissie. Bij beslissing van 20 november 2013 is deze klacht gegrond bevonden en zijn aanbevelingen gedaan.

3. Het standpunt van klager en de klacht

Klager verwijt verweerder – kort gezegd – het volgende:

1. Verweerder heeft na de val van 14 maart 2013 een verkeerde diagnose gesteld;

2. Patiënte is pas na 6 dagen ruzie doorverwezen naar het ziekenhuis, waarbij zij in een rolstoeltaxi is vervoerd in plaats van in een ambulance;

3. Het zorgplan is niet nageleefd;

4. Verweerder is vergeten om, nadat het gebruik tijdelijk was gestopt, weer te starten met de perindopril.

4. Het standpunt van verweerder

Verweerder meent dat hij patiënte na de val zorgvuldig heeft onderzocht. Op basis van de bevindingen kon en mocht verweerder tot de gestelde diagnose komen. Het is juist dat hij patiënte niet in een ambulance naar het ziekenhuis heeft laten vervoeren, maar verweerder is van mening dat hem daarvan geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Het besluit is in overleg en met inachtneming van het klinisch beeld van patiënte genomen. Wel heeft verweerder achteraf spijt dat hij patiënte niet per ambulance heeft laten vervoeren. Verweerder herkent zich niet in de klacht dat hij patiënte eerst na 6 dagen ruzie heeft doorverwezen naar het ziekenhuis. Verweerder heeft geen ruzie met klager en/of diens echtgenote gehad. Verweerder heeft patiënte na het tweede onderzoek naar het ziekenhuis verwezen op grond van zijn anamnese en het lichamelijk onderzoek.

Dat verweerder het zorgplan niet zou hebben nageleefd wordt bestreden; verweerder heeft aan de bijzondere aandachtspunten voldoende aandacht besteed.

Verweerder is ook niet vergeten om weer te starten met perindopril. Het gebruik van het medicijn is gestopt in overleg met de familie. Eveneens in overleg met klager is besloten het medicijn niet opnieuw toe te dienen, omdat patiënte net was hersteld van een periode van carentie (ondervoeding) in verband waarmee verweerder zo min mogelijk medicijnen wilde voorschrijven en er geen medische indicatie meer bestond voor het gebruik van het middel. Er was sinds 1997 geen sprake meer van hartfalen, hypertensie of (stabiel) coronair vaatlijden bij een recent doorgemaakt myocardinfarct met linker ventrikeldysfunktie.

5. De overwegingen van het college

Met betrekking tot de onder 1 geformuleerde klacht stelt het college vast dat verweerder op 15 maart 2013 adequaat en zorgvuldig lichamelijk onderzoek heeft gedaan. Vastgesteld kan worden dat de diagnose later onjuist is gebleken. Dit doet echter niet af aan de zorgvuldige wijze waarop verweerder zijn waarschijnlijkheidsdiagnose heeft gesteld. Verweerder is gedurende de dagen nadien niet betrokken geweest bij de verzorging van patiënte. Op 18 maart 2013 is verweerder enkel telefonisch geconsulteerd en eerst op 19 maart 2013 heeft verweerder patiënte weer gezien. Aan verweerder kan niet worden verweten hetgeen zich tussen 15 en 19 maart 2013 heeft voorgedaan; zulks geldt evenzeer voor het advies dat hij op 18 maart 2013 telefonisch heeft gegeven, omdat verweerder toen niet op de hoogte is gesteld van het feit dat patiënte veel pijn had. Het college acht dit deel van de klacht ongegrond.

Met betrekking tot de onder 2 geformuleerde klacht is het college van oordeel dat verweerder patiënte op 19 maart 2013 adequaat heeft onderzocht en dat sprake is geweest van een goede observatie. Verweerder heeft ook meteen gereageerd op zijn “niet pluis”-gevoel en patiënte doorgestuurd naar het ziekenhuis. Daarnaast heeft verweerder contact opgenomen met de dienstdoende arts chirurgie en de dienstdoende arts-assistent geriatrie. Het college acht de beslissing van verweerder om patiënte te laten vervoeren in een rolstoeltaxi, gelet op zijn voorlopige diagnose, zijn “niet pluis”-gevoel en de verdenking van een pneumothorax, ongelukkig. Gelet evenwel op de door verweerder geschetste klinische verschijnselen op dat moment, welk beeld door klager ook niet is bestreden, is het college van oordeel dat niet is gebleken dat verweerder heeft gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die van hem in zijn hoedanigheid van arts mag worden verwacht. Ook dit klachtonderdeel acht het college ongegrond.

Klachtonderdeel 3 kan naar het oordeel van het college niet aan verweerder worden tegengeworpen, omdat niet gebleken is dat verweerder ten tijde van de tweede val op 7 september 2013 aanwezig was. Verweerder is overigens ook niet zonder meer verantwoordelijk voor naleving van het zorgplan door het personeel van de instelling. Dit klachtonderdeel is derhalve ongegrond.

Met betrekking tot het laatste klachtonderdeel oordeelt het college als volgt. Uit hetgeen door klager en verweerder is geschetst kan worden opgemaakt dat het beleid met de familie van patiënte is besproken en zulks is ook neergelegd in het patiëntendossier. Er was ook een reden om te stoppen met de medicatie, wat door klager ook is erkend. Uiteindelijk is besloten om eerst te beginnen met hervatting van de plastablet. Uit dit beleid kan niet worden opgemaakt dat verweerder “vergeten” is om weer te beginnen met perindopril. Er is ook geen relatie vast te stellen tussen het niet hervatten van het gebruik van dit medicijn, de val en het uiteindelijke overlijden van patiënte. Ook dit klachtonderdeel is derhalve ongegrond.

Tot slot overweegt het college dat uit hetgeen door klager naar voren is gebracht, alsmede gelet op hetgeen is overwogen in de uitspraak van de Regionale Klachtencommissie, kan worden aangenomen dat de omgeving waarin een en ander heeft plaatsgevonden, op zijn minst genomen niet optimaal is geweest. Het college meent dan ook dat het verstandig is geweest van klager om de Inspectie voor de Gezondheidszorg te informeren over de misstanden die hij heeft geconstateerd en de problemen die klager en zijn echtgenote hebben ervaren, zoals de moeite die zij hebben moeten doen om de instelling ertoe te bewegen dat patiënte na haar val op 14 maart 2013 voor de tweede maal door verweerder werd gezien.

Om bovenstaande redenen wordt de klacht in al haar onderdelen als ongegrond afgewezen.

6. De beslissing

Het college:

-         wijst de klacht af.

Aldus beslist door mr. K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk als voorzitter,

mr. I.E.M. Sutorius als lid-jurist, M. Bonnet, jhr. A.M. van Nispen tot Pannerden en

H.C.Th. Maassen als leden-beroepsgenoten, in aanwezigheid van mr. K. Hoebers-Provoost als secretaris en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2014 in aanwezigheid van de secretaris.