ECLI:NL:TGZREIN:2014:30 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 13217
| ECLI: | ECLI:NL:TGZREIN:2014:30 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 19-02-2014 |
| Datum publicatie: | 19-02-2014 |
| Zaaknummer(s): | 13217 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klaagster is van mening dat de huisarts haar niet de zorg heeft verleend die verwacht mag worden van een zorgvuldig handelend huisarts, omdat hij haar verzoek tot doorverwijzing voor het maken van een scan heeft afgewezen en haar heeft aangeraden veel te bewegen zonder te onderkennen dat er sprake was van een botbreuk en trombose, waardoor klaagster extra lichamelijke en geestelijke schade heeft opgelopen en een bedrag van € 350,-- aan extra kosten heeft moeten maken. Klacht ongegrond. |
Uitspraak: 19 februari 2014
HET REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE EINDHOVEN
heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de op 17 oktober 2013 binnengekomen klacht van:
[A]
wonende te [B]
klaagster
tegen:
[C]
huisarts
werkzaam te [D]
verweerder
gemachtigde mr. S.J. Berkhoff-Muntinga te Utrecht
1. Het verloop van de procedure
Het college heeft kennisgenomen van:
- het klaagschrift;
- het verweerschrift.
Na ontvangst van het verweerschrift heeft de secretaris de zaak naar een openbare zitting van het college verwezen.
Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid in het kader van het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.
De klacht is ter openbare zitting van 13 januari 2014 behandeld. Partijen waren aanwezig, klaagster bijgestaan door een tolk, verweerder bijgestaan door zijn gemachtigde.
2. De feiten
Het gaat in deze zaak om het volgende:
Op 27 mei 2013 consulteerde klaagster een collega van verweerder met enkelklachten. Na onderzoek heeft deze collega een X-foto laten maken. De uitslag daarvan luidde dat er geen ossale afwijkingen waren vastgesteld. Op 11 juni 2013 bezocht klaagster wederom voormelde collega. Na onderzoek stelde deze het tapen van de enkel voor.
Op 21 juni 2013 heeft klaagster kenbaar gemaakt over te willen stappen naar verweerder, door wie zij op 26 juni 2013 voor het eerst werd gezien. Na onderzoek heeft verweerder geconcludeerd dat er sprake was van een verstuiking van de enkel en het beleid van zijn collega voortgezet. Tijdens een consult op 16 juli 2013 heeft verweerder klaagster geadviseerd een preventieve Push Brace te dragen, waarvoor hij haar verwees naar [E].
Op 6 augustus 2013 zag verweerder klaagster voor het laatst. Zij gaf aan dat zij meer pijn had. Klaagster droeg toen geen brace, maar een elastische steunkous. Bij die gelegenheid heeft verweerder klaagster verwezen naar een orthopedisch chirurg.
3. Het standpunt van klaagster en de klacht
Klaagster is van mening dat verweerder haar niet die zorg heeft verleend die verwacht mag worden van een zorgvuldig handelend huisarts.
Zij verwijt verweerder het navolgende:
- verweerder heeft haar verzoek tot doorverwijzing voor het maken van een scan afgewezen;
- verweerder heeft klaagster aangeraden veel te bewegen zonder te onderkennen dat er sprake was van een botbreuk en trombose; klaagster heeft daardoor extra lichamelijke en geestelijke schade opgelopen. Daarnaast heeft klaagster ook een bedrag van
€ 350,-- aan extra kosten moeten maken.
4. Het standpunt van verweerder
Onder verwijzing naar het overgelegde medisch dossier heeft verweerder betoogd dat hij zorgvuldig heeft gehandeld. Voor zoveel de klacht betrekking heeft op het handelen van anderen dan verweerder dient de klacht volgens verweerder reeds daarom te worden afgewezen.
Op basis van de anamnese, eerder onderzoek en de bevindingen van eigen onderzoek, achtte verweerder het waarschijnlijk dat er sprake was van een distorsie en was hij van mening dat er geen indicatie was het reeds ingestelde beleid te wijzigen. Verweerder heeft uitleg gegeven met het advies de enkel te blijven bewegen. Om er zeker van te zijn dat de communicatie met klaagster goed was, heeft verweerder tijdens het consult van 26 juni 2013 telefonisch hulp van een tolk gehad. Er was naar de mening van verweerder klinisch gezien geen aanwijzing voor een trombosebeen.
Bij het consult van 16 juli 2013 heeft klaagster niet om een scan verzocht. Verweerder heeft toen op grond van zijn bevindingen met klaagster besproken dat zij een brace zou kunnen aanschaffen.
Toen klaagster op 6 augustus 2013 weer op consult kwam, bleek dat zij geen brace had aangeschaft, maar een elastische kous droeg. Klaagster gaf toen aan dat de pijn was toegenomen, reden waarom verweerder haar toen heeft doorverwezen naar de orthopedisch chirurg.
Daarna heeft verweerder geen contact meer met klaagster gehad. Klaagster heeft nimmer te kennen gegeven ontevreden te zijn over het beleid van verweerder. Volkomen onverwacht ontving verweerder de tuchtklacht.
5. De overwegingen van het college
Klaagster stelt dat zij verweerder heeft gevraagd om een scan te laten maken, terwijl verweerder zulks heeft betwist.
In gevallen, waarin de lezingen van partijen over de feitelijke gang van zaken uiteenlopen en niet kan worden vastgesteld welke van beide lezingen aannemelijk is, kan een verwijt dat gebaseerd is op de lezing van klaagster in beginsel niet gegrond worden bevonden.
Dit berust niet op het uitgangspunt dat het woord van klaagster minder geloof verdient dan dat van verweerder, maar op de omstandigheid dat voor het oordeel dat een bepaalde gedraging of nalaten verwijtbaar is, eerst moet worden vastgesteld dat er een voldoende feitelijke grondslag voor dat oordeel bestaat.
Dit brengt mede dat het op die stelling van klaagster gebaseerde klachtonderdeel ongegrond wordt verklaard.
Uit het medisch dossier blijkt het navolgende:
De radioloog concludeert op basis van het X-onderzoek van 28 mei 2013:
“Geen ossale afwijkingen vastgesteld”.
De orthopedisch chirurg vermeldt op 15 augustus 2013:
“Zwelling voor en onder distale fibula rechts, passend bij letsel lig talofibulare. Varusstress is pijnlijk. Basis MTV is niet pijnlijk”.
De orthopedisch chirurg vermeldt op 24 oktober 2013:
“Bij lichamelijk onderzoek zwelling voor en onder distale fibula rechts, passend bij letsel lig talofibulare.
(…)
X-foto: niet afwijkend.
MRI: longitudinale laesie van peroneus brevispees ”.
Op grond daarvan concludeert het college dat van een botbreuk geen sprake was. Dat klaagster uitgaat van een botbreuk en van trombose is naar het oordeel van het college kennelijk te wijten aan een misverstand. Klaagster heeft de uitleg van de orthopedisch chirurg over de laesie mogelijk verkeerd begrepen dan wel het aanbrengen van gips met een botbreuk en het voorschrijven van het middel Fraxiparine met trombose in verband gebracht. Het middel Fraxiparine is evenwel bedoeld om trombose te voorkomen.
Onweersproken heeft verweerder gesteld dat hij op 26 juni 2013 telefonische bijstand heeft gehad van een tolk ten einde er voor te zorgen dat de communicatie tussen hem en klaagster goed verliep. Op 16 juli 2013 heeft verweerder klaagster geadviseerd een brace bij [E] aan te schaffen. Klaagster heeft dit advies evenwel niet opgevolgd, maar zij heeft een elastisch kous aangeschaft.
Nadat verweerder op 6 augustus 2013 constateerde dat klaagster meer pijn aan de enkel had, heeft hij haar naar de orthopedisch chirurg verwezen.
Het college is op grond hiervan van oordeel dat verweerder klaagster zorgvuldig heeft behandeld.
Dat klaagster een bedrag van € 350,--, kennelijk als eigen risico, heeft moeten betalen in het kader van het onderzoek door de orthopedisch chirurg, kan verweerder niet worden verweten.
Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de conclusie dat de klacht ongegrond is. De klacht zal daarom worden afgewezen.
6. De beslissing
Het college:
- wijst de klacht af.
Aldus beslist door mr. P.G.Th. Lindeman-Verhaar als voorzitter, mr.dr. P.J.M. van Wersch als lid-jurist, B.C.A.M. van Casteren-van Gils, M. Bonnet en H.J. Weltevrede als leden-beroepsgenoten, in aanwezigheid van mr. I.H.M. van Rijn als secretaris en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2014 in aanwezigheid van de secretaris.