ECLI:NL:TGZREIN:2014:16 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 13180b
| ECLI: | ECLI:NL:TGZREIN:2014:16 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 15-01-2014 |
| Datum publicatie: | 15-01-2014 |
| Zaaknummer(s): | 13180b |
| Onderwerp: | Onvoldoende informatie |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klager verwijt de cardioloog dat hij klager het medicijn amiodarone intraveneus heeft toegediend enkele maanden nadat dit acuut was gestopt door een andere cardioloog, waarbij verweerder de waarschuwing van klager om dit niet te doen volledig heeft genegeerd. Amiodarone is tegen de wil van klager ingespoten. Klager heeft bij de behandelend arts-assistent geprotesteerd tegen het gebruik van amiodarone vanwege voorheen opgetreden klachten. Ongegrond. |
Uitspraak: 15 januari 2014
HET REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE EINDHOVEN
heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de op 13 augustus 2013 binnengekomen klacht van:
[A]
wonende te [B]
klager
tegen:
[C]
cardioloog
destijds werkzaam te [B]
verweerder
gemachtigde mr. S. Slabbers te Amsterdam
1. Het verloop van de procedure
Het college heeft kennisgenomen van:
- het klaagschrift
- het verweerschrift
- de pleitnotitie overgelegd door klager.
Na ontvangst van het verweerschrift heeft de secretaris de zaak naar een openbare zitting van het college verwezen.
Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid in het kader van het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.
De klacht is ter openbare zitting van 4 december 2013 behandeld. Partijen waren aanwezig, verweerder bijgestaan door zijn gemachtigde.
2. De feiten
Het gaat in deze zaak om het volgende:
Klager heeft zich op 26 april 2011 gewend tot de Eerste Hart Hulp (hierna: EHH) in het ziekenhuis vanwege hartklachten (hartritmestoornissen). Klager was al sinds 2008 meerdere malen in dit ziekenhuis behandeld vanwege hartritmestoornissen. Klager is toen, op 26 april 2011, gezien door de dienstdoende arts-assistent. In het ziekenhuis is het gebruikelijk dat de dienstdoende arts-assistenten de patiënt zien, waarna telefonisch overleg plaatsvindt met de dienstdoende cardioloog. In noodgevallen of op verzoek van de arts-assistent komt de cardioloog naar de patiënt kijken. Besloten is op 26 april 2011 om klager een bolus amiodarone intraveneus toe te dienen. Niet bekend is of amiodarone (eenmalig) intraveneus toegediend kan leiden tot fotosensitiviteit.
3. Het standpunt van klager en de klacht
Klager verwijt verweerder dat hij klager het medicijn amiodarone, na een acute stop hiervan begin 2011, op 26 april 2011 alsnog intraveneus heeft toegediend waarbij verweerder de waarschuwing van klager om dit niet te doen volledig heeft genegeerd. Amiodarone is tegen de wil van klager ingespoten.
Klager heeft ter toelichting op de klacht nog aangevoerd dat hij bij de behandelend arts-assistent heeft geprotesteerd tegen het gebruik van amiodarone vanwege de voorheen opgetreden klachten. De arts-assistent is daarop informatie gaan inwinnen bij verweerder. Verweerder is vervolgens aan het bed van klager gekomen en heeft de vraag gesteld of klager niet beter wilde worden. Klager heeft zich onder druk gezet gevoeld om het middel te laten inspuiten. Uiteindelijk heeft deze bolus niet het gewenste effect gehad en is er alsnog een elektrische cardioversie uitgevoerd moeten worden.
4. Het standpunt van verweerder
Verweerder heeft aangevoerd dat het gebruikelijk is dat de arts-assistenten iedereen die bij de EHH komt, telefonisch bespreken met de dienstdoende cardioloog. Verweerder is op 26 april 2011 niet op de EHH geweest, hij heeft dan ook niet bij klager aan het bed gestaan en heeft dus ook geen vraag gesteld naar de wens van klager om beter te worden. Verweerder is op 26 april 2011 door de arts-assistent niet geïnformeerd over het verzet van klager tegen het gebruik van amiodarone. Verweerder weet niet beter dan dat klager toestemming heeft gegeven voor het gebruik van amiodarone.
5. De overwegingen van het college
Het college stelt vast dat klager en verweerder een verschillende versie hebben van hetgeen op 26 april 2011 heeft plaatsgevonden. Uit het medisch dossier van klager kan niet worden opgemaakt of verweerder op de betreffende dag bij klager aan het bed heeft gestaan met de arts-assistent. Evenmin kan worden vastgesteld of verweerder door de arts-assistent is geïnformeerd over de bezwaren van klager tegen amiodarone.
In gevallen, waarin de lezingen van partijen over de feitelijke gang van zaken uiteenlopen en niet kan worden vastgesteld welke van beide lezingen aannemelijk is, kan een verwijt dat gebaseerd is op de lezing van klager in beginsel niet gegrond worden bevonden. Dit berust niet op het uitgangspunt dat het woord van klager minder geloof verdient dan dat van verweerder, maar op de omstandigheid dat voor het oordeel dat een bepaalde gedraging of bepaald nalaten verwijtbaar is eerst moet worden vastgesteld dat er een voldoende feitelijke grondslag voor dat oordeel bestaat.
Hoewel het college van oordeel is dat de statusvoering onvoldoende is nu er in het dossier geen of althans onvoldoende informatie te vinden is over de klinische opnames van klager of de eerste hulp bezoeken, en het voor het college derhalve ook vrijwel onmogelijk is om meer duidelijkheid te verkrijgen over wie er wat heeft gedaan op 26 april 2011 met betrekking tot de behandeling van klager, kan verweerder hiervoor ook geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt nu niet aannemelijk is geworden dat verweerder op de betreffende dagen in het ziekenhuis werkzaam was. Het college dient de klacht derhalve ongegrond te verklaren.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht ongegrond.
Aldus beslist door mr. K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk als voorzitter,
mr. P.J.M. van Wersch als lid-jurist, L. Relik-van Wely, P.H.M.T. Olde Kalter en
C. van der Heul als leden-beroepsgenoten, in aanwezigheid van mr. M. van der Hart
als secretaris en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2014 in aanwezigheid
van de secretaris.