ECLI:NL:TGZREIN:2014:14 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 1240a
| ECLI: | ECLI:NL:TGZREIN:2014:14 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 15-01-2014 |
| Datum publicatie: | 15-01-2014 |
| Zaaknummer(s): | 1240a |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klager verwijt de KNO-arts dat zij niet adequaat heeft gereageerd op het feit dat bij de behandeling met starre oesophagoscoop een slijmvlieslaesie met bloedverlies is ontstaan. Nadat klager na de behandeling wat had mogen drinken en hevige pijnen heeft gekregen, is klager in opdracht van verweerster wel overgebracht naar de IC, maar verweerster heeft daarna geen aandacht meer gehad voor klager, terwijl zij wel vermoedde dat er iets was misgegaan. Verweerster heeft ook geen actie ondernomen om te bezien of er daadwerkelijk iets mis was gegaan. Ongegrond. |
Uitspraak: 15 januari 2014
HET REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE EINDHOVEN
heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de op 4 mei 2012 binnengekomen klacht van:
[A]
wonende te [B]
klager
gemachtigde [C]
tegen:
[D]
KNO-arts
destijds werkzaam te [E]
verweerster
gemachtigde mr. R.P.F. van der Mark te Utrecht
1. Het verloop van de procedure
Het college heeft kennisgenomen van:
- het klaagschrift en de aanvullingen daarop
- het verweerschrift
- de repliek
- de dupliek
- de pleitnotitie overgelegd door de gemachtigde van klager.
Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid in het kader van het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.
De klacht is ter openbare zitting van 4 december 2013 behandeld. Partijen waren aanwezig, bijgestaan door hun gemachtigden.
2. De feiten
Het gaat in deze zaak om het volgende:
Op vrijdag 10 oktober 2008 werd klager ‘s avonds in het ziekenhuis behandeld, nadat tijdens de maaltijd een stuk vlees was komen vast te zitten in zijn slokdarm. Verweerster heeft eerst onder locale verdoving met behulp van een maagsonde geprobeerd het stuk vlees te verwijderen door het door te duwen. Toen dat niet lukte, heeft zij besloten operatief in te grijpen en klager aangemeld bij de OK voor een oesophagoscopie met een starre oesophagoscoop. Verweerster heeft de ingreep verricht. Daarbij is een slijmvlieslaesie ontstaan met enig bloedverlies. Klager is na de operatie naar de IC gebracht die in de avond en in de weekenden fungeert als een gewone verkoever. Op deze IC bevinden zich drie bedden en is een team werkzaam van twee IC-verpleegkundigen. Ongeveer tegen 23.30 uur was klager op de IC en mocht zijn familie naar hem toe. De overdracht was mondeling geschied, in aanwezigheid van de anesthesioloog, met overhandiging van een OK-blad waarop, onder meer, de voorgeschreven pijnmedicatie was vermeld. Om 23.45 uur is aan klager de voorgeschreven pijnstilling gegeven. Kort daarna (tegen 24.00 uur) was zijn situatie volgens de verpleegkundigen zodanig beter dat klager naar de verpleegafdeling gebracht kon worden, hetgeen geschiedde. Rond 01.00 uur ’s nachts is klager, na overleg met verweerster, ter observatie teruggebracht naar de IC. Klager had veel pijn en de pijn was zeer hevig geworden na het drinken van een slokje water, met uitstraling naar de rechter zijde. De tensie was lager en de hartfrequentie was gestegen. Verweerster heeft opdracht gegeven klager niets oraal te geven en pols en bloeddruk eens per uur te meten. Verweerster is gedurende de nacht niet meer gebeld. Verweerster heeft de volgende ochtend vroeg zelf contact opgenomen met de IC en haar werd meegedeeld dat het niet goed ging met klager. Verweerster is toen naar het ziekenhuis gegaan en heeft een thoraxfoto laten maken, op verdenking van een slokdarmperforatie. Uit de foto bleek dat het mediastinum was verbreed en er was een klaplong te zien. Daarop heeft verweerster overlegd met de intensivist, de longarts en met de MDL-arts. De behandeling is daarop overgedragen door verweerster aan de longarts en de MDL-arts.
3. Het standpunt van klager en de klacht
Klager verwijt verweerster kort gezegd dat zij niet adequaat heeft gereageerd op het feit dat bij de behandeling met starre oesophagoscoop een slijmvlieslaesie met bloedverlies is ontstaan, waarna verweerster de behandeling heeft gestopt. Nadat klager, na de behandeling, wat had mogen drinken en hevige pijnen heeft gekregen – klager heeft het uitgegild van de pijn –, is klager in opdracht van verweerster wel weer overgebracht naar de IC, maar verweerster heeft daarna geen aandacht meer gehad voor klager, terwijl zij wel vermoedde dat er iets was misgegaan. Verweerster heeft ook geen actie ondernomen om te bezien of er daadwerkelijk iets mis was gegaan. Volgens klager heeft verweerster niet adequaat gehandeld.
4. Het standpunt van verweerster
Verweerster stelt zich op het standpunt dat zij niet verwijtbaar heeft gehandeld. Klager is op 10 oktober 2008 op de eerste hulp gekomen. Klager had een stukje vlees doorgeslikt en dat was vast blijven zitten. Klager kon zijn speeksel niet doorslikken. Dit wees op een blokkade. Verweerster heeft eerst met een flexibele scoop in de mond en de keelholte gekeken. Er bleek een volledige obstructie te zijn net in de slokdarmingang. Verweerster heeft met een maagsonde onder locale verdoving geprobeerd het vlees door te duwen. Omdat het niet lukte het stukje vlees zo te verwijderen, heeft zij besloten het operatief te verwijderen.
Verweerster heeft eerst met een starre oesophagoscoop van 32 cm geprobeerd de vleesbrok te verwijderen. Omdat het dradig vlees was, ging het lastig. Verweerster heeft steeds stukjes verwijderd. Omdat de rest naar beneden zakte, heeft verweerster een langere oesophagoscoop gebruikt om de rest te verwijderen. Op enig moment trad toen een slijmvlieslaesie op met gering bloedverlies. Verweerster is meteen gestopt met de behandeling en heeft gespoeld, waarna de bloeding stopte. Verweerster heeft daarop de behandeling beëindigd.
Klager is vervolgens naar de verkoever/IC gebracht om uit te slapen en daarna naar de afdeling KNO. Kort na opname op de afdeling KNO heeft de verpleegkundige klager een slokje water gegeven. Verweerster is vervolgens gebeld omdat klager aangaf pijn te hebben. Door de verpleegkundige is niet gesproken over heftige pijn, kortademigheid of benauwdheid. Omdat verweerster niet helemaal gerust was, heeft ze de verpleegkundige opgedragen om klager terug te brengen naar de IC ter observatie en de intensivist te vragen om pijnbestrijding. Verweerster heeft de verpleegkundige gezegd dat zij moest bellen als er iets was en dat zij in ieder geval de volgende ochtend bij klager een visite zou afleggen. Voorts heeft zij opdracht gegeven om klager niets meer oraal te geven. Verweerster is die nacht verder niet meer gebeld over klachten die klager had. Verweerster heeft de volgende ochtend eerst gebeld naar de IC en toen bleek klager een slechte nacht te hebben gehad, pijn te hebben (tussen de schouderbladen) en een lage bloeddruk. Door verweerster is direct een thoraxfoto gevraagd en een bloedonderzoek. Op de foto bleek het mediastinum verbreed, was duidelijk sprake van een slokdarmperforatie en een pneumothorax en mediastinitis. Verweerster heeft de behandeling toen overgedragen aan de maag-lever-darmspecialist. De familie is ingelicht over de complicatie.
5. De overwegingen van het college
Het college moet op grond van de ter beschikking staande gegevens ervan uitgaan dat verweerster het klemzittend stukje vlees niet onoordeelkundig heeft verwijderd. Het is begrijpelijk dat verweerster eerst heeft geprobeerd het stukje vlees door te duwen, waardoor een operatie, waaraan altijd risico’s zijn verbonden (zoals helaas in dit geval ook is gebleken), vermeden kon worden. Pas toen dit niet lukte, heeft zij besloten operatief in te grijpen. Bij een dergelijke ingreep is soms een lichte beschadiging van de slokdarm onvermijdelijk. In enkele gevallen kan daarbij zelfs een perforatie van de slokdarm ontstaan. Dat is een complicatie die bij een risicovolle behandeling als hier uitgevoerd, kan ontstaan, maar verweerster niet kan worden verweten. Nu bovendien aangenomen moet worden dat er sprake was van een kortdurend bloedverlies, dat na het spoelen is gestopt, heeft verweerster vervolgens op juiste gronden een expectatief beleid gevoerd. Verweerster is ook toen haar later werd meegedeeld dat klager pijn had, opgetreden als van haar mocht worden verwacht, door klager terug te sturen naar de IC en op te dragen klager niets oraal te geven. Het college kan niet vaststellen dat aan verweerster de mate van pijn zoals deze door klager is ervaren, is meegedeeld. Verweerster heeft gevraagd hoe pijnlijk het was en waar het pijn deed bij klager en de aantekeningen in het medisch dossier geven geen aanwijzing dat haar is meegedeeld dat klager ernstige pijn had. Dat betekent overigens niet dat klager het niet heeft uitgegild van de pijn zoals hij ter zitting heeft meegedeeld, doch aangenomen moet worden dat dit niet is meegedeeld aan verweerster.
Vast staat ten slotte dat verweerster, nadat zij had opgedragen klager terug te laten brengen naar de IC, gedurende de nacht niet meer is geconsulteerd. Hetgeen zich mogelijk gedurende de nacht heeft afgespeeld, kan verweerster derhalve niet worden verweten. Verweerster had immers voldoende duidelijke instructies gegeven dat zij kon worden gebeld wanneer nodig. Verweerster heeft ten slotte adequaat gehandeld toen zij de volgende ochtend op de hoogte werd gebracht van de toestand van klager.
Dat doet overigens niet eraan af dat de complicaties die bij klager zijn ontstaan zeer ingrijpend zijn geweest maar het vorenstaande leidt ertoe dat de klacht ongegrond moet worden verklaard.
6. De beslissing
Het college:
- wijst de klacht af.
Aldus beslist door mr. K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk als voorzitter,
mr. P.J.M. van Wersch als lid-jurist, L. Relik-van Wely, P.H.M.T. Olde Kalter en
C. van der Heul als leden-beroepsgenoten, in aanwezigheid van mr. M. van der Hart
als secretaris en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2014 in aanwezigheid
van de secretaris.