ECLI:NL:TGZREIN:2013:YG2542 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 1253

ECLI: ECLI:NL:TGZREIN:2013:YG2542
Datum uitspraak: 10-01-2013
Datum publicatie: 10-01-2013
Zaaknummer(s): 1253
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Huisarts. Klaagster verwijt verweerder dat hij niet professioneel gehandeld heeft, geen moeite heeft gedaan om de oorzaak van een allergische reactie te achterhalen en haar klachten niet serieus heeft genomen. Ongegrond.

Uitspraak: 10 januari 2013

 

HET REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

TE EINDHOVEN

heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de op  6 april 2012 binnengekomen klacht van:

A

wonende te B

klaagster

gemachtigde: mr. G.J.J.A. VAN Haeften te Zoetermeer

tegen:

C

huisarts

werkzaam en wonende te D

verweerder

gemachtigde: mr. J.C.C. Leemans te Amsterdam

1. Het verloop van de procedure

Het college heeft kennisgenomen van:

-         het klaagschrift

-         het verweerschrift

-         de repliek

-         de dupliek

Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid in het kader van het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.

De klacht is ter openbare zitting van 3 december 2012 behandeld. Partijen waren, bijgestaan door hun gemachtigden, aanwezig. De standpunten van partijen zijn toegelicht.

2. De feiten

Het gaat in deze zaak om het volgende:

Klaagster, die beperkingen heeft vanuit het autistisch spectrum, lijdt aan colitis ulcerosa in verband waarmee zij combinatieklysma’s gebruikt.

Op 28 juni 2010 heeft klaagster telefonisch contact gehad met de praktijk van verweerder in verband met een allergische reactie. Verweerder heeft klaagster diezelfde dag nog beoordeeld en haar een antihistaminicum (Aerius) gegeven. De volgende ochtend heeft klaagster tweemaal telefonisch contact opgenomen met verweerder. Deze heeft beide keren aangegeven de werking van het antihistaminicum af te wachten. Op 30 juni 2010 is klaagster naar de Spoedeisende Eerste Hulp (SEH) gegaan en is vervolgens opgenomen geweest tot 6 juli 2010.

Klaagster heeft een klacht ingediend bij de Stichting Klachtenregeling Huisartsenzorg Zuid-Nederland (SKHZN). De klachtencommissie heeft de klacht afgewezen.

3. Het standpunt van klaagster en de klacht

Klaagster verwijt verweerder niet professioneel gehandeld te hebben dan wel gehandeld te hebben in strijd met het bepaalde in artikel 47 van de wet BIG.

Nader gepreciseerd verwijt klaagster verweerder het navolgende:

1. verweerder heeft uit zichzelf geen enkele moeite gedaan om na te gaan waar de allergische reactie anders vandaan kon komen behalve van aardbeien en walnoten; verweerder heeft niets gedaan met de suggestie van klaagster dat de reactie veroorzaakt kon zijn door de klysma’s c.q. de medicatie;

2. verweerder heeft geweigerd een temperatuur van 38,5 graden koorts te noemen en heeft het stijgen van de temperatuur niet gezien als signaal dat er iets ernstigs aan de hand was;

3. verweerder heeft het zoeken van klaagster naar een verklaring voor haar klachten geïnterpreteerd als machtstrijd, haar toenemende klachten afgedaan als voortkomend uit haar bezorgdheid en het uitblijven van effect van Aerius toegeschreven aan de ongeduldigheid van klaagster;

4. de assistente van verweerder heeft zich naar derden laatdunkend over klaagster uitgelaten en verweerder zelf heeft na de ziekenhuisopname op geen enkele manier excuses aangeboden dan wel interesse getoond.

Klaagster heeft - kort en zakelijk weergegeven - nog het volgende aangevoerd.

Op 28 juni 2010 heeft klaagster verweerder telefonisch medegedeeld dat zij zich ernstig zorgen maakte over de rode plekjes en kleine bultjes die over haar gehele huid zichtbaar waren en jeukten. Tijdens het consult heeft verweerder de armen en benen van klaagster bekeken en gezegd dat het een allergische reactie was die geen kwaad kon. Verweerder zei dat aardbeien en walnoten de meest bekende veroorzakers waren van een dergelijke allergische reactie. Klaagster had die niet gegeten en heeft, omdat zij er niet gerust op was, gevraagd of het kwam door het stoppen met alcoholgebruik, door het gebruik van voedingssupplementen of de combinatieklysma’s, waarin beclomethason en 5-ASA zitten. Verweerder reageerde op het laatste met de mededeling dat die de oorzaak niet konden zijn omdat klaagster er dan al eerder iets van gemerkt zou hebben. Ter geruststelling schreef verweerder Aerius voor, waarvan hij zei dat die medicatie meteen zou helpen. Nadat klaagster die nacht heel erg ziek was geweest, heeft zij verweerder gebeld en gezegd dat zij zich zorgen maakte, voelde dat er niets niet klopte, dat zij geen effect van de Aerius merkte en zeker wilde weten of het niet aan de klysma’s kon liggen. Verweerder reageerde daarop dat klaagster het effect van de Aerius moest afwachten en dat de klachten voortkwamen uit het feit dat zij zich zo druk maakte. Die dag kreeg klaagster 38,5 graden koorts. Volgens haar geraadpleegde zus, ook huisarts, kon er inderdaad sprake zijn van een allergische reactie op het combinatiepreparaat. Toen klaagster wederom verweerder belde met de mededeling dat zij koorts had, reageerde verweerder met de opmerking dat 38,5 geen koorts was, maar een beetje verhoging en dat klaagster een paracetamol moest pakken als de koorts boven de 39 kwam en rust moest nemen. Klaagster heeft verweerder gezegd dat zij van een andere huisarts had gehoord dat de klysma’s een dergelijke allergische reactie kunnen veroorzaken en dat zij die had gecontacteerd omdat zij zich niet gerustgesteld en gehoord door hem voelde. Ook heeft klaagster nog tegen verweerder gezegd dat zij er geen machtstrijd van wilde maken. Verweerder vond dat klaagster gewoon even af moest wachten. Diezelfde dag steeg de temperatuur naar 39,6 en de volgende ochtend naar 40 graden koorts. De zus van klaagster heeft haar beoordeeld en vervolgens de internist van het ziekenhuis gebeld. Op de SEH werd besloten klaagster te houden. Toen de zus verweerder telefonisch op de hoogte wilde stellen, kreeg zij de assistente aan de lijn, die zich uitliet als volgt: ‘hahaha, ja A, ja die kennen we hier wel, ja’.

In het ziekenhuis heeft klaagster enkele dagen een infuus gehad omdat de koorts niet omlaag ging en de bloeddruk niet omhoog. De medische diagnose luidde: allergische reactie op de combinatieklysma’s. Verweerder heeft zich op geen enkele wijze geïnteresseerd getoond.

4. Het standpunt van verweerder

Verweerder heeft de mogelijke oorzaken van urticaria uitgebreid met klaagster besproken. Naast voedsel, als schaal- en schelpdieren, aardbeien, chocola, noten en kleurstoffen, stelt hij ook altijd andere oorzaken, als medicatie, aan de orde. Verweerder kan in dit stadium weinig anders doen dan de urticaria met antihistaminicum behandelen. De oorzaak van de allergische reactie was onbekend en is dat ook gebleven omdat klaagster een rechallenge met mesalazine tijdens de latere opname heeft geweigerd. Verweerder achtte de klachten van zo geringe aard en de waarschijnlijkheid van de relatie met de medicatie zo onduidelijk, dat hij het niet noodzakelijk vond contact op te nemen met de behandelend internist. Verweerder heeft voor de 38,5 de term verhoging gebezigd. Achteraf gezien had hij beter de term koorts kunnen gebruiken. Het advies om bij koorts paracetamol te gebruiken is algemeen geaccepteerd en geen kwestie van afwimpelen. Het optreden van lichte koorts is geen zeldzaam verschijnsel en geen signaal dat er iets ergs aan de hand is. Verweerder wijst er op dat in de brief over de opname van klaagster sprake is van een niet zieke patiënt met een temperatuur van 37 graden, terwijl in de vocht- en bewakingslijst van het ziekenhuis de navolgende temperaturen staan vermeld: 38.3; 38.5; 38.7; 37 en 36.7.

Verweerder heeft erkend dat er wellicht ‘ruis’ in de communicatie tussen partijen heeft gezeten als gevolg van de frequentie waarmee en de wijze waarop klaagster contact opnam met verweerders praktijk en de huisartsenpost. Klaagster is direct erg bezorgd. Verweerder heeft de psychische problematiek van klaagster wel meegewogen, maar ook andere afwegingen gemaakt. Hij heeft klaagster aangegeven dat het enkele dagen zou kunnen duren voordat de afwijkingen zouden verdwijnen. Verweerder betwist dat hij de symptomen niet serieus heeft genomen. Hij heeft klaagster dezelfde dag dat zij belde nog gezien, haar goed geïnformeerd en goed behandeld.

Verweerder kent niet de exacte inhoud en intonatie van het telefoongesprek met de assistente. Deze assistente functioneert al jaren naar verweerders volle tevredenheid.

Verweerder heeft in zijn verweerschrift bij de SKHZN aangegeven een gesprek met klaagster aan te willen gaan, maar daarop heeft hij geen reactie ontvangen.

5. De overwegingen van het college

Het is belangrijk om voorop te stellen dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van het professioneel handelen van een arts er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar dat daarbij beslissend is het antwoord op de vraag of de arts vanuit tuchtrechtelijk oogpunt gebleven is binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

Vast staat dat verweerder klaagster dezelfde dag na het eerste telefoongesprek heeft beoordeeld, met haar mogelijke oorzaken heeft besproken en haar Aerius heeft voorgeschreven om de symptomen te bestrijden dan wel verergering te voorkomen. Verweerder heeft klaagster niet alleen in dat consult maar ook in de latere telefoongesprekken aangegeven dat zij de werking van Aerius moest afwachten en dat zij bij toename van de temperatuur een paracetamol kon nemen. Dat verweerder een temperatuur van 38,5 als niet alarmerend heeft geduid is naar het oordeel van het college begrijpelijk. Het consulteren van de behandelend internist was gelet op de gegeven omstandigheden niet aangewezen. Partijen verschillen van mening over de vraag welke mogelijke oorzaken besproken zijn. Daaromtrent overweegt het college als volgt. In gevallen, waarin de lezingen van partijen over de feitelijke gang van zaken uiteenlopen en niet kan worden vastgesteld welke van beide lezingen aannemelijk is, kan een verwijt dat gebaseerd is op de lezing van klaagster in beginsel niet gegrond worden bevonden. Dit berust niet op het uitgangspunt dat het woord van klaagster minder geloof verdient dan dat van verweerder, maar op de omstandigheid dat voor het oordeel dat een bepaalde gedraging of nalaten verwijtbaar is, eerst moet worden vastgesteld dat er een voldoende feitelijke grondslag voor dat oordeel bestaat.

Evident is dat de oorzaak van de allergische reactie niet is komen vast te staan.

Klaagster stelt dat verweerder geen rekening heeft gehouden met haar psychische problematiek. Verweerder daarentegen stelt dat hij dat wel heeft gedaan, maar dat dit niet vanzelfsprekend leidt tot een ‘speciale behandeling’. Duidelijk is dat het rekening houden met psychische problematiek niet zonder meer mee brengt dat een andere behandeling zou moeten plaatsvinden dan wel een ander beleid zou moeten worden gevolgd. Voor het college is op grond van de inhoud van het dossier en hetgeen partijen ter zitting naar voren hebben gebracht niet aannemelijk geworden dat verweerder geen rekening heeft gehouden met de psychische problematiek van klaagster.

Klaagster heeft gesteld dat zij ernstig ziek is geweest, waarbij zij zo’n 40 graden koorts had. Klaagster heeft toen verweerder niet geconsulteerd, maar is in het ziekhuis opgenomen, naar uit de brief van het ziekenhuis blijkt, met een temperatuur van 37 graden.

Met betrekking tot klaagsters klacht over de door de assistente van verweerder gedane uitlating geldt hetgeen hierboven reeds is overwogen over niet vaststaande feiten.

Op grond van hetgeen is overwogen is het college van oordeel dat niet kan worden geconcludeerd dat verweerder niet heeft gehandeld binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, zodat de klacht ongegrond wordt bevonden.

6. De beslissing

Het college:

-         wijst de klacht af.

Aldus beslist door mr. P.G.Th. Lindeman-Verhaar als voorzitter, mr. P. Hoekstra als lid-jurist, M.Ch. Doorakkkers, J.N. Voorhoeve en C.L.S.M. Stuurman als leden-beroepsgenoten, in aanwezigheid van mr. C. Chapelle als secretaris en in het openbaar uitgesproken op

10 januari 2013 in aanwezigheid van de secretaris.