ECLI:NL:TGZREIN:2013:YG2541 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 1260a

ECLI: ECLI:NL:TGZREIN:2013:YG2541
Datum uitspraak: 09-01-2013
Datum publicatie: 09-01-2013
Zaaknummer(s): 1260a
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Psychiater wordt verweten dat hij ten onrechte de diagnose Korsakow heeft gesteld en dat hij klager op een leugenachtige manier heeft behandeld en vernederd, hetgeen klager zeer onzeker en wantrouwend heeft gemaakt. Ongegrond.

Uitspraak: 9 januari 2013

 

HET REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

TE EINDHOVEN

heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de op 16 april 2012 binnengekomen klacht van:

A

verblijvende te B

klager

tegen:

C

psychiater

werkzaam te B

verweerder

1. Het verloop van de procedure

Het college heeft kennisgenomen van:

-         het klaagschrift en een aanvulling daarop

-         het verweerschrift

-         de repliek

-         de dupliek

-         het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek

-         het medisch dossier.

De klacht is ter openbare zitting van 19 november 2012 behandeld. Verweerder was aanwezig. Klager was, met bericht, afwezig.

2. De feiten

Het gaat in deze zaak om het volgende:

Klager heeft in de periode van ongeveer mei 2009 tot maart 2011, met tussenpozen waarin hij vrijwillig op de gesloten opname was, verbleven in de open woonsetting langdurige zorg, waar verweerder als psychiater consulent was. Er was bij klager sprake van een psychiatrische en neurologische voorgeschiedenis in verband met alcoholmisbruik, hersenletsel en zelfverwaarlozing. Verweerder beschikte over een rapportage van een neuropsychologisch onderzoek van 26 mei 2008 waarvan de conclusie luidde: “op de voorgrond staan stoornissen in de executieve functies, met verder lichte geheugenproblemen, bij een man die bekend is met langdurige alcoholafhankelijkheid en een contusio cerebri met hersenstamcontusie”.

In het in de gesloten afdeling opgestelde behandelplan van klager, (opnamedatum 22 maart 2010) en een beschrijvende diagnose d.d. 14 november 2009 wordt een debuut melding gemaakt van cognitieve problemen op basis van Korsakow, stamcontusio en CVA.

3. Het standpunt van klager en de klacht

Het gaat klager om de diagnose (Korsakow) en de (leugenachtige) manier waarop hij behandeld en vernederd is. De niet feitelijk onderbouwde diagnose Korsakow, heeft klager zeer geschokt en hem onzeker en wantrouwend gemaakt. Als voorbeelden noemt klager het verkeerd voorspiegelen van gevolgen bewindvoering, loze beloftes doen, de diagnose er goed inpeperen, liegen tegen zijn ouders, vragen negeren, zeggen dat een bepaalde therapie geen zin heeft en zaken opblazen bij de klachtencommissie.

4. Het standpunt van verweerder

Verweerder was bij de behandeling van klager betrokken in de periodes dat klager in de open setting verbleef. In diagnostisch psychiatrisch opzicht was destijds sprake van cognitieve stoornissen en recidiverend alcoholmisbruik. Deze diagnostiek is niet door verweerder vastgesteld maar onder andere op de gesloten opnamesetting. Het doel van een woonsetting is primair het creëren van een veilige woonomgeving voor mensen met een psychiatrisch probleem en niet de diagnostiek. In het geval van klager waren de problemen vooral gelegen in het alcoholmisbruik en in veel mindere mate in de aanwezige cognitieve stoornissen. De diagnostiek is tussen verweerder en klager nooit besproken of aan de orde geweest. Verweerder heeft tijdens het verblijf van klager in de woonsetting nooit vernomen dat klager daarmee problemen had.

5. De overwegingen van het college

Verweerder heeft het college ter zitting duidelijk kunnen maken dat hij part noch deel heeft gehad aan de bij klager gestelde diagnose en ook niet aan het elders opgestelde behandelplan waarin, om voor het college onverklaarbare redenen, de aanduiding Korsakow (mede) als beschrijvende diagnose opduikt. Verweerder kan derhalve van het stellen van deze diagnose geen verwijt worden gemaakt. Ook kan hem niet het verwijt worden gemaakt dat hij de diagnose ten onrechte heeft overgenomen. Voor het college is niet komen vast te staan dat verweerder daarbij onvoldoende kritisch over de diagnose is geweest, nu de diagnose in het kader van de behandeling tussen klager en verweerder niet aan de orde is geweest en verder zij voor verweerder ook niet relevant is geweest bij de behandeling van klager’s problematiek.

Met betrekking tot de overige (bejegenings)klachten overweegt het college dat de lezingen van de partijen over de feiten verschillend zijn.

In gevallen, waarin de lezingen van partijen over de feitelijke gang van zaken uiteenlopen en niet kan worden vastgesteld welke van beide lezingen aannemelijk is, kan een verwijt dat gebaseerd is op de lezing van klager in beginsel niet gegrond worden bevonden. Dit berust niet op het uitgangspunt dat het woord van klager minder geloof verdient dan dat van verweerder, maar op de omstandigheid dat voor het oordeel dat een bepaalde gedraging of bepaald nalaten verwijtbaar is eerst moet worden vastgesteld dat er een voldoende feitelijke grondslag voor dat oordeel bestaat.

Het voorgaande leidt tot afwijzing van het beroep.

6. De beslissing

Het college:

-         wijst de klacht af.

Aldus beslist door mr. H.P.H. van Griensven als voorzitter, prof. mr. F.C.B. van Wijmen als lid-jurist, dr. E.C.M. Bollen, J.N. Voorhoeve en M.Ch. Doorakkers als leden-beroepsgenoten, in aanwezigheid van mr. C.W.M. Hillenaar als secretaris en in het openbaar uitgesproken op

9 januari 2013 in aanwezigheid van de secretaris.