ECLI:NL:TGZREIN:2012:YG2516 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 1276a
| ECLI: | ECLI:NL:TGZREIN:2012:YG2516 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 20-12-2012 |
| Datum publicatie: | 20-12-2012 |
| Zaaknummer(s): | 1276a |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Chirurg wordt verweten dat hij patiënte (de moeder van klager) te snel voor de tweede keer heeft geopereerd. Daarnaast wordt hem onvoldoende controle en coördinatie met de verpleging of patiënte en het niet vaststellen van ondervoeding en verzwakking van patiënte verweten. Ongegrond. |
Uitspraak: 20 december 2012
HET REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE EINDHOVEN
heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de op 8 mei 2012 binnengekomen klacht van:
A
wonende te B
klager
tegen:
C
chirurg
werkzaam te B
verweerder
1. Het verloop van de procedure
Het college heeft kennisgenomen van:
- het klaagschrift en een aanvulling daarop
- het verweerschrift en drie aanvullingen daarop
- de repliek
- de dupliek.
Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid in het kader van het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.
De klacht is ter openbare zitting van 19 november 2012 behandeld. Partijen waren aanwezig, klager vergezeld van zijn gemachtigde ter zitting, de heer D.
2. De feiten
Het gaat in deze zaak om het volgende:
Op 9 maart 2012 werd de 87-jarige moeder van klager, verder te noemen patiënte, via de afdeling Spoed Eisende Hulp (SEH) in het ziekenhuis, waar verweerder als chirurg werkzaam is, opgenomen nadat zij bij een val haar linkerarm had gebroken. In het medisch dossier staat vermeld:
“ Diagnose:
Supracondylaire humerusfractuur links.”
Patiënte werd diezelfde dag aan haar arm geopereerd door collega’s van verweerder. Gelet op de leeftijd van patiënte en haar behoefte aan zorg was terugkeer naar haar huissituatie niet mogelijk en werd zij op de afdeling chirurgie geplaatst. Een tweede operatie aan de arm volgde door verweerder op 23 maart 2012. Het dossier vermeldt hierover:
“ Samenvatting behandeling: Repositie van sypracondylaire humerusfractuur en fixatie met K-draden. Herplaatsen fixateur externe.”
De gezondheidssituatie van patiënte ging langzamerhand achteruit. Gelet op de intake- en slikproblematiek waarmee patiënte al vóór haar opname bekend was, werden de behandelend artsen, waaronder verweerder, door de logopediste en de diëtiste over het voedingsbeleid geadviseerd, zowel over de aard en de hoeveelheid als over de wijze van toedienen. In eerste instantie had patiënte nog orale intake; toen dat in een later stadium minder werd, is gekozen voor Totaal Parenterale Voeding (TPV). Tot aan haar overlijden in april 2012 is patiënte op de afdeling chirurgie opgenomen geweest. Verweerder is, als enige binnen zijn maatschap, gespecialiseerd in traumachirurgie.
3. Het standpunt van klager en de klacht
Klager verwijt verweerder -kort samengevat-:
- Onjuist stellen van de diagnose, namelijk twee operaties in een te kort tijdsbestek achter elkaar;
- Geen controle en coördinatie met verpleging of patiënt;
- Onjuist stellen van de diagnose, namelijk ondervoeding en verzwakking van de patiënt.
4. Het standpunt van verweerder
Het verweer luidt -kort en zakelijk weergegeven- als volgt.
Ad 1)
Na haar aankomst op de SEH is bij patiënte uitgebreid lichamelijk onderzoek aangevuld met beeldmateriaal en bloedonderzoek verricht en is de diagnose comminutieve supracondylaire humerusfractuur links gesteld. Er zijn verschillende behandelopties overwogen, waarbij geconcludeerd werd dat bij deze ernstige instabiele fractuur een operatieve fixatie noodzakelijk was en dat het initieel plaatsen van een externe fixateur de beste optie was bij de ernstige weke delen zwelling. Deze externe fixateur werd onder algehele narcose geplaatst op 9 maart 2012. Deze behandeling was in opzet niet definitief, maar slechts bedoeld als tijdelijke overbrugging om de pijn te beperken en de weke delen de kans te geven tot rust te komen. Aan een tweede operatie kon niet worden ontkomen, omdat de stand onvoldoende gecorrigeerd was door de externe fixateur, waardoor stoornissen in fractuurgenezing en functieherstel verwacht kon worden; het uitstellen ervan was medisch niet verantwoord, mede gelet op de verhoogde kans op complicaties. De medisch noodzakelijke tweede operatie vond op 23 maart 2012 plaats; de postoperatieve foto’s laten een acceptabele stand van de fractuurdelen zien.
Ad 2)
Uit de verslaglegging blijkt dat er veelvuldig gecommuniceerd is tussen de zaalartsen, diverse specialisten, verpleegkundigen, diëtisten, logopedisten en fysiotherapeuten. Uit documentatie blijkt dat er dagelijks visite is gelopen en dat steeds optimale zorg is ingeschakeld om patiënte een kans op herstel te bieden. Uit de zorgevaluatiegesprekken blijkt dat patiënte tevreden was over de geboden zorg, alsook de communicatie met haar en haar zonen.
Ad 3)
Vanaf het moment van opname is er aandacht voor de voedingstoestand van patiënte geweest. Dagelijks werd de intake beoordeeld en gerapporteerd. Bij twijfel over de intake werd de diëtiste geraadpleegd, waarna maatregelen volgden die de intake verbeterden. Toen de intake verslechterde is actie ondernomen, doch de verschillende interventies (dieetmaatregelen, sondevoeding, infuusvoeding) hadden helaas niet het gewenste effect. Er is geen sprake geweest van ondervoeding van patiënte.
5. De overwegingen van het college
Ad 1)
Naar het oordeel van het college is voldoende aannemelijk geworden dat de beslissing van verweerder om patiënte na twee weken opnieuw te opereren weloverwogen en op medisch juiste gronden is genomen. De operatie was gelet op de niet acceptabele stand van de fractuur nodig om stoornissen in de fractuurgenezing te voorkomen en de functie van het elleboogsgewricht te behouden. De gezondheidstoestand van patiënte was, zoals ter zitting door klager uitdrukkelijk is bevestigd, op dat moment redelijk en zij was, aldus de door verweerder geconsulteerde anesthesist, op dat moment bovendien in staat om narcose te ondergaan. Dat er, met het oog op de gezondheidstoestand van patiënte van dat moment, een situatie bestond waarin een operatie medisch niet verantwoord was, is niet gebleken. Dit betekent dat dit onderdeel van de klacht moet worden afgewezen.
Ad 2) en 3)
Deze klachtonderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling, aangezien het de gang van zaken en de gezondheidstoestand van patiënte ná de tweede operatie betreft. Vooropgesteld wordt dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing er om gaat of verweerder van eventuele tekortkomingen een persoonlijk verwijt kan worden gemaakt. Het college zal derhalve moeten oordelen of er in dit geval van persoonlijk verwijtbaar handelen door verweerder sprake is.
Het college stelt vast dat vele hulpverleners –onder meer zaalartsen, specialisten, verpleegkundigen en een diëtiste- bij de nazorg van patiënte betrokken zijn geweest. Dit vergt een goede controle van de patiënte en een goede onderlinge coördinatie van alle betrokken hulpverleners. Vast staat dat verweerder -in tegenstelling tot zijn collega’s- niet direct en persoonlijk bij de dagelijkse gang van zaken op de afdeling betrokken is geweest; evenmin was hij het aanspreekpunt voor de familie van patiënte. Verweerder is wel, zoals hij ter zitting verklaard heeft, zijdelings bij de nazorg betrokken geweest in die zin dat hij met een van de behandelend artsen overleg over patiënte heeft gepleegd. Dat er bij de controle en onderlinge coördinatie met de verpleging en de patiënte fouten zijn gemaakt is bepaald niet uit te sluiten. Hoewel ook verweerder een zeker aandeel hierin heeft gehad, kon van hem niet worden verlangd dat hij alles controleerde en coördineerde; hij kan niet zonder meer tuchtrechtelijk verantwoordelijk worden gehouden voor eventuele tekortkomingen van anderen. Bovendien is niet komen vast te staan op welke concrete wijze verweerder in de nazorg tekort zou zijn geschoten.
Gelet op deze uiterst beperkte rol van verweerder met betrekking tot de dagelijkse gang van zaken op de afdeling, heeft het college niet kunnen vaststellen dat verweerder persoonlijk en verwijtbaar tekort geschoten is inzake de bedoelde controle en coördinatie. Uit het bovenstaande, te weten het niet betrokken zijn bij de nazorg van patiënte, vloeit voort dat ook het klachtonderdeel ter zake de nalatigheid in het stellen van de diagnose ondervoeding en verzwakking, ongegrond is. Beide klachtonderdelen zijn derhalve ongegrond.
6. De beslissing
Het college:
-wijst de klacht af.
Aldus beslist door mr. H.P.H. van Griensven als voorzitter, prof. mr. F.C.B. van Wijmen als lid-jurist, dr. E.C.M. Bollen, J.N. Voorhoeve en M.Ch. Doorakkers als leden-beroepsgenoten, in aanwezigheid van mr. C.W.M. Hillenaar als secretaris en in het openbaar uitgesproken op
20 december 2012 in aanwezigheid van de secretaris.