ECLI:NL:TGZREIN:2012:YG2375 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 1210

ECLI: ECLI:NL:TGZREIN:2012:YG2375
Datum uitspraak: 29-10-2012
Datum publicatie: 29-10-2012
Zaaknummer(s): 1210
Onderwerp: Onvoldoende informatie
Beslissingen: Gegrond, geen maatregel
Inhoudsindicatie: Kinderarts wordt verweten dat zij klager, co-ouder van patiëntje, heeft buitengesloten bij de geneeskundige behandeling van patiëntje, klager niet heeft geïnformeerd en hem niet om toestemming voor het uitvoeren van de behandeling heeft gevraagd. Gedeeltelijk gegrond, zonder oplegging van maatregel.

Uitspraak: 29 oktober 2012

 

HET REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

TE EINDHOVEN

heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de op 13 januari 2012 binnengekomen klacht van:

A

wonende te B

klager

tegen:

C

kinderarts

werkzaam te B

verweerster

gemachtigde mr. O.L. Nunes te Utrecht

1. Het verloop van de procedure

Het college heeft kennisgenomen van:

-         het klaagschrift

-         het verweerschrift

-         de repliek en de aanvulling daarop

-         de dupliek

-         een brief van klager van 15 augustus 2012

-         de pleitnotities overgelegd door klager en door de gemachtigde van verweerster.

Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid in het kader van het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.

De klacht is ter openbare zitting van 19 september 2012 behandeld. Partijen waren aanwezig. Verweerster werd bijgestaan door haar gemachtigde.

2. De feiten

Het gaat in deze zaak om het volgende:

Klager is de vader van D, geboren op 25 juni 1998, hierna te noemen: het kind. 

Op 15 juni 2002 werd het kind door zijn moeder naar de afdeling Spoedeisende Hulp van het ziekenhuis gebracht. Verweerster heeft dezelfde dag het toen driejarige kind met instemming van de moeder succesvol behandeld in verband met een meningococcensepsis. Na deze acuut noodzakelijke medische behandeling heeft verweerster zich laten informeren over de familiesituatie. De moeder heeft toen verteld dat zij gescheiden was van de vader en dat aan de vader, klager, een omgangsverbod met de moeder was opgelegd. Klager was, samen met de moeder, belast met het gezag over het kind. Verweerster is daarvan ook uitgegaan, zoals zij ter zitting verklaarde. Het kind verbleef toentertijd een deel van de week bij zijn moeder en een deel van de week bij klager. Het was ingeschreven op het adres van de vader. De nacht na de behandeling heeft klager, die door buren van de opname en behandeling van het kind op de hoogte was gebracht, bij het kind in het ziekenhuis geslapen. De volgende dag heeft een verpleegkundige aan de moeder en de zus van klager (peettante) bezoek aan het kind geweigerd, waarover klager, die daarbij aanwezig was, zijn ongenoegen heeft geuit.

Op 19 juni 2002 heeft een gesprek plaatsgevonden, waarvan een schriftelijk verslag is opgemaakt (zie de bijlage bij het verweerschrift). In dat gesprek waren aanwezig klager en verweerster, twee verpleegkundigen en een medewerkster van het Patiënten Service Bureau. In dat gesprek heeft klager nogmaals zijn boosheid over het weigeren van het bezoek gemeld, temeer omdat relaties van zijn ex wel op bezoek hadden mogen komen. Hij heeft te kennen gegeven dat hij van mening was dat het ziekenhuis partij voor zijn ex koos en dat hij op de hoogte wilde worden gesteld van de toestand van zijn zoon. In het verslag staat met betrekking tot deze wens vermeld dat een verpleegkundige uitlegt dat klager altijd naar de afdeling kan bellen om te vragen hoe het met zijn zoon gaat. Volgens het verslag wordt afgesproken dat klager zijn advocaat vragen laat opstellen. In het medisch dossier heeft verweerster over de inhoud van dit gesprek nog vermeld dat klager zijn zoon zondag wilde meenemen, goedschiks of kwaadschiks. Op 20 juni 2002 heeft verweerster in het dossier aangetekend dat zij overleg heeft gehad met de moeder en met (de jurist van) de Raad van Bestuur van het ziekenhuis. Besloten is daarop om, nu de moeder het kind had gebracht, het kind ook weer aan haar mee terug te geven en, om een confrontatie tussen de ouders te voorkomen, het kind niet op zondag maar op zaterdag te ontslaan en vader daarvan later op de hoogte te stellen. Zo is het ook gebeurd. Op 25 juni 2002 heeft de advocaat van klager een brief aan verweerster geschreven met een aantal vragen. Verweerster heeft daarover overleg gehad met de Raad van Bestuur. In overleg is besloten de vragen, die geen betrekking hadden op de gezondheidstoestand van het kind, niet te beantwoorden.

3. Het standpunt van klager en de klacht

De kern van klacht zoals door de gemachtigde van verweerster bij dupliek samengevat en door klager ter zitting onderschreven, luidt als volgt:

Verweerster heeft klager willens en wetens buitengesloten bij de geneeskundige behandeling van het kind, verweerster heeft klager niet geïnformeerd en klager is niet om toestemming voor het uitvoeren van de behandeling gevraagd.

4. Het standpunt van verweerster

Vanwege de spoedeisendheid van de behandeling van het kind was het niet mogelijk om klager voorafgaande aan de behandeling op de hoogte te stellen.

Onjuist is dat verweerster klager willens en wetens buiten de behandeling heeft gehouden. Ondanks de onmiskenbare strijd tussen de ouders heeft verweerster klager steeds als co-ouder beschouwd. De via moeder verkregen anamnestische gegevens over de gezinssituatie kon verweerster niet negeren en zij heeft dan ook in het dossier daarvan aantekening gemaakt. Verweerster heeft klager geen informatie willen onthouden. Nadat klager een klacht had ingediend bij het Patiënten Service Bureau heeft op 19 juni 2002 een gesprek plaatsgevonden. Tijdens dit gesprek zijn afspraken gemaakt over de informatieverstrekking, waarvan klager niet veelvuldig gebruik heeft gemaakt.

De brief van de advocaat van klager heeft verweerster in overleg met de juridische staf niet beantwoord, nu de beantwoording daarvan niet van belang was voor de behandeling van het kind.

Verweerster heeft steeds te kennen gegeven geen partij te kiezen in de strijd om het ouderlijk gezag. Het was niet aan verweerster of het ziekenhuis, maar aan de moeder om klager te informeren.

5. De overwegingen van het college

Ter zitting heeft het college van klager begrepen dat hij zich niet erover beklaagt dat verweerster zonder vooraf zijn toestemming te vragen de behandeling van het kind in verband met een meningococcensepsis heeft ingesteld. Voor zover het college dat niet goed heeft begrepen en klager deze klacht toch zou willen handhaven, overweegt het college dat deze klacht ongegrond is, nu inderdaad een acute noodzaak tot de onderhavige behandeling bestond.

Vervolgens is aan de orde de klacht dat verweerster klager in het vervolgtraject buiten de behandeling heeft gehouden en dat zij klager niet, althans onvoldoende, heeft geïnformeerd.

Het college moet vaststellen dat verweerster (te) weinig heeft gedaan om deze schijn te voorkomen. Zij is (te) gemakkelijk ervan uitgegaan dat de moeder klager wel zou inlichten, maar gelet op het haar door de moeder medegedeelde contactverbod had zij daarop niet zonder meer mogen vertrouwen en dat betekent dat de behandelingsovereenkomst in dit geval de verplichting met zich bracht om minstens enige inspanning te verrichten om te bewerkstelligen dat klager op de hoogte zou komen. Nu moest klager het bepaald niet onbelangrijke nieuws over de behandeling van zijn buren vernemen. Dat klager zich alleen al daardoor buitengesloten heeft gevoeld, is invoelbaar. Terwijl het voorgaande een opmaat had moeten zijn voor extra zorgvuldigheid jegens klager, is verweerster vervolgens in het gesprek op 19 juni 2002 weinig toeschietelijk geweest met het geven van informatie. In plaats van klager, die zich eens te meer benadeeld voelde omdat zijn familie niet, maar de relaties van zijn ex wel waren toegelaten tot bezoek, zoveel als mogelijk tijdens dit gesprek te informeren, werd afgesproken dat dit via een brief van de advocaat van klager zou plaatsvinden. En bij het ontslag, ten slotte, was de moeder wel, maar klager niet geïnformeerd, terwijl ook andere oplossingen ter afwering van een mogelijke escalatie bij het ontslag met klager besproken hadden kunnen worden.

Op grond van het bovenstaande is het college van oordeel dat, na vele jaren achteraf bezien, verweerster ter zake van de informatie aan klager en het rekening houden met de positie van klager als medegezagdragende vader van het kind is tekortgeschoten. In zoverre is de klacht gegrond. Nu een tiental jaren geleden men zich in dit soort gevallen niet zozeer als tegenwoordig bewust was van de ter zake geldende verplichtingen, zal het college afzien van het opleggen van een maatregel.

6. De beslissing

Het college:

-          verklaart de klacht gegrond als hiervoor overwogen.

Aldus beslist door mr. H.P.H. van Griensven als voorzitter,

mr. K.A.J.C.M. van den Bergh Jeths-van Meerwijk als lid-jurist, P.A.B. Beker,

M.F.J.M. Broekman en H.J. Weltevrede als leden-beroepsgenoten, in aanwezigheid van

mr. M. van der Hart als secretaris en in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2012 in aanwezigheid van de secretaris.